Uit het kerkelijk leven.
Onze Liturgie.
VIII
De bediening des Woords moet zijn een uitstallen van oude en nieuwe schatten, die in Gods Woord verborgen liggen, waarbij de geloovigen worden opgebouwd in hun allerheiligst geloof, de kleinmoedigen worden onderwezen tot meerderen welstand van hun geloof, degenen die ingezonken zijn worden gewaarschuwd en vermaand om zich van den schadelijken weg te bekeeren tot den Heere; terwijl den onbekeerden moet worden toegeroepen, dat het heden der genade er is, om van Hem te hooren gewagen, die gezegd heeft : „Zoo waarachtig als Ik leef. Ik heb geen lust in den dood des zondaars, maar hierin, dat de goddelooze zich bekeere en leve." Voor allen geeft het Woord wat noodig is, voor iederen staat en iederen toestand sprekend van Hem, die Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft en met Hem alle dingen wil schenken.
Preeken is dus niet maar wat praten. Preeken is bediening des Woords, waarbij het Woord moet worden gebracht op een wijze, dat de heerlijkheid en de rijkdom van het Woord hoe langer hoe meer in 't licht treedt in het midden van Christus' Kerk. Natuurlijk, dat niet in elke preek en elken Zondag hetzelfde moet worden gezegd; niet dezelfde volgorde, niet precies dezelfde woorden ; het Woord is veel te rijk en te veelzijdig, om altijd langs plat getreden paadjes te loopen ; en het leven van Gods kinderen, die in de wereld hun roeping verstaan mogen zonder van de wereld te zijn, heeft het zoo noodig, dat het Woord telkens weer als nieuw hun worde voorgezet door de herders en leeraars, die over Christus' gemeente gesteld zijn.
Vooral in onze dagen, nu de Kerk veelal haar centrale plaats in het midden van het volksleven verloren heeft en velen, ook die niet ongodsdienstig en niet ongeloovig zijn, zich met bewustheid van de Kerk afkeeren, om het buitenkerkelijke te zoeken, is het van het hoogste belang, dat de Kerk, ook onze Herv. (Geref.) Kerk er zich van bewust worde, dat de Kerk niet afgedaan heeft, dat de Kerk niet dood is — maar dat zij nu ook met meer inspanning, met meer energie, met meer heilig vuur en met meer broederlijke eensgezindheid, naar Christus' bevel, het Woord des Heeren heeft te prediken.
De Kerk moet zich meer haar goddelijke en heerlijke roeping bewust worden en de prediking van het Evangelie van Christus moet meer tot openbaring komen in haar rijkdom en heerlijkheid, waarbij elke tijd zijn eigen stempel draagt en eigen eischen stelt.
Neen — Gods Woord verandert niet. Dat blijft eeuwig hetzelfde. Maar de Kerk moet voortvaren, om het Woord naar de behoeften des tijds te brengen. Ook hierin staat de Kerk niet stil — mag de Kerk niet stilstaan. De Kerk is geen steen, die niet gewaar wordt of de zon schijnt dan wel of het regent. De Kerk leeft. En de Gereformeerde, die belijdt: dat de „ecclesia reformata semper reformanda est", die weet ook. dat de Kerk in de bediening des Woords zich behoort aan te passen aan der tijden nooden en der tijden vragen, die nu in de 20ste eeuw anders zijn dan in de 16de of 17de eeuw.
Natuurlijk staat de 20ste eeuw niet los van de eeuwen, die haar vóórgingen. Er loopt lijn door de historie en het leven van nu heeft niet weinig gemeen met 't leven van vroeger. Maar dat alles neemt niet weg, dat men toch in de 20ste eeuw niet kan preeken, zooals in de 17deeeuw geschiedde. De Kerk van Christus, die een Kerk is voor alle tijden, heeft zich daarvan bewust te zijn.
In deze is er oorzaak om met klachten te komen.
Maar wij mogen tegenover die klachten, die ook wel eens onbillijk zijn, gelukkig ook komen met veel goeds, wat de Heere ons in deze tijden goedgunstig schenken wil.
Of is er in de vorige eeuw niet een herleving gekomen van het echt, gezond gereformeerd beginsel, van de gereformeerde Waarheid, van het gereformeerde leven ook ? In de Hervormde Kerk, in de Kerk der Afscheiding en in de Doleantie !
Neen — het was (en is) alles geen goud wat er blinkt. Ook is er veel uit de rechte banen gegaan. Ook zijn er velen, die onkerkelijk liggen. Er zijn er velen, die zich gereformeerd noemen, maar het klaarblijkelijk bewijzen, dat zij niet weten wat gereformeerd is. Nochtans hebben wij den Heere te danken, dat er èn kerkelijk èn geestelijk weer een opwaken is. En het zou heerlijk zijn, indien dat nu alles in het midden van de tegenwoordige tijdsomstandigheden mocht werken als een zuurdeeg, dat al de maten meels doorzuurt, waarvan voedzaam brood gebakken wordt, velen tot aangename spijze.
Dan mag niet alles opgaan in dooden vormendienst.
Men moet niet handelen naar de bevriezings-methode.
Want dit is niet het hoogste, dat „de menschen" het mooi vinden of dat alles geschiedt zooals het honderd of tweehonderd jaar geleden ook geschiedde.
Neen, bewarende het pand ons toebetrouwd, hebben wij voort te varen tot de volmaking, verstaande de teekenen der tijden.
Heel de maatschappelijke wereld, de geestelijke-en de kerkelijke wereld is anders dan in de 16de of 17de eeuw. Andere toestanden in het midden van het volksleven, andere geestelijke stroomingen en sectes, andere problemen overal. En de prediker mag niet boven de tijden, waarin hij leeft, zweven, doende alsof hij niets ziet en niets weet van wat er overal rondom ons gebeurt. Met het eeuwig blijvend Woord van God moet hij staan midden in den tegenwoordigen tijd, om het tegenwoordig geslacht oude en nieuwe schatten voor te leggen, voortgebracht uit de diepe, rijke, onuitputtelijke, eeuwige gangen van Gods Woord, dat waarlijk een goudmijn mag worden genoemd.
Daarvoor heeft de Kerk van Christus de ambten noodig en de dienaar des Woords moet in dien dienst volharden (Hand. 6 vers 4) ; daarin een dienaar zijnde naar de gave der genade Gods, die hem geschonken is naar de werking Zijner kracht. (Ef. 3 vers 7), blijvende in het geloof gefundeerd en vast, niet bewogen wordende van de hope des Evangelies dat wij gehoord hebben, 't welk gepredikt is onder, al de creature die onder den hemel is, van 't welk ook Paulus een dienaar was. (Col. 1 vers 23).
Oud-èn Nieuw Testament moet daarbij ontsloten worden in het midden van het huis waar 't volk vergaderd is. Daar in is ons de volle openbaring der goddelijke waarheid gegeven, waarvan Christus het middelpunt is, zoowel onder den dienst der schaduwen als in de volheid des tijds.
Het Oude Testament moet men niet gesloten laten, daar het Nieuwe er door is voorbereid. Het Oude Testament moet men ook niet nemen, alsof het Nieuwe van weinig waarde was. Want het Oude is schaduw en het Nieuwe is vervulling. En zóó moet dan ook Oud-èn Nieuw Testament genomen worden en héél de Schrift moet ons worden gepredikt, waarvan de korte inhoud altijd weer is : Jezus Christus en die gekruisigd, alsook : de godzaligheid is tot alle dingen nut, hebbende de beloften voor het tegenwoordig en voor het toekomend leven.
Niet de christen moet gepredikt, maar de Christus.
De prediker moet niet uit zichzelf allerlei schatten(? ) opdelven noch uit het midden van de gemeente. Niet allerlei particuliere meeningen en gevoelens moeten worden voorgedragen, verdedigd en aangeprezen. Wat van den kansel in den Naam des Heeren door de gezanten van Christus aan de gemeente gebracht moet worden, dat is : Gods Woord ; dat is : de Christus der Schriften.
De Modernen verschillen in deze met ons. Die zijn van oordeel, dat de preek een toespraak moet zijn over een of ander godsdienstig of zedelijk onderwerp. En omdat de Moderne niets moet hebben van die bizondere Godsopenbaring ons in de Heilige Schrift geschonken als de hoogste waarheid voor alle tijden, voelt de Moderne er ook eigenlijk niets voor, om altijd uit den Bijbel te preeken, daar de stof den redenaar evengoed — misschien beter — uit andere bronnen kan toevloeien. Een bepaald boek te bespreken en de strekking van dat boek naar voren te brengen, wordt dan ook in moderne kringen dikwijls vrij wat beter geoordeeld dan te „preeken over een tekst uit den Bijbel."
Gansch anders denkt de Gereformeerde. Die is van oordeel, dat niet iets moois, dat gevonden wordt in dit of dat boek, gebracht moet worden. Oók niet de geloofservaringen van de gemeente, zooals de Ethischen wel spreken van „het geloof der gemeente." Neen ! de Gereformeerde wil niet het subjectieve van den mensch, maar het objectieve, dat in de Heilige Schrift ons is gegeven, om die heilsopenbaring der H. Schrift voor de gemeente te ontvouwen en deze als maatstaf bij het geestelijk leven aan te leggen.
Zoo is de gereformeerde prediking geen napraten van des menschen voelen of weten ; noch van des christens geloofservaring. Nooit kan of mag de godsdienstige ervaring der gemeente of der geloovigen inhoud van de prediking zijn. Wat zou de prediking arm worden! De christen werd dan het middelpunt in plaats van den Christus^; en dat zou immers een rooven zijn van de eere van Christus, waarbij aan de zielen onthouden werd de spijze van den Heere gegeven tot verzadiging van Zijn volk. De gereformeerde prediking is bediening van het Woord Gods, het mededeelen van de zuivere leer, een brengen van het evangelie, een verkondigen van het door God geschonken heil voor zondaren, een boodschappen in 's Heeren Naam van heerlijke verlossingstijding, waarbij het èn door den prediker èn in het midden van de gemeente verstaan moet worden, wat de dichter zingt : „hoe zalig is het volk, dat het geklank kent."
Gods Woord moet gepredikt worden. Christus moet worden gebracht. En die Zijn stem kennen zullen Hem volgen ; zij zullen ingaan en uitgaan en weide vinden. (Joh. 10).
Natuurlijk moet ook over het werk des Heiligen Geestes, in onze harten gewerkt, gesproken worden ; over dat wondere, heerlijke werk Gods in ons, die gelooven.
Maar in de gereformeerde prediking moet het juist helder en klaar uitkomen, dat dit het werk van Christus is, dat door den Heiligen Geest wordt toegepast aan de harten van de geloovigen. Christus is en blijft de verwervende en verdienende oorzaak van onze zaligheid Hij is de weg ; Hij is het brood ; Hij is het water des levens. En het zou een omkeeren van de orde Gods zijn, indien de christen het middelpunt werd en het werk des Geestes aan de harten der geloovigen gesteld werd vóór en boven het werk van Christus, die gezegd heeft: die in Mij gelooft, die heeft het eeuwige leven en komt niet in het oordeel.
Daarom dient de dienstknecht des Heeren, die van Christus is gezonden om te waken over Zijne kudde, positie te nemen niet in het subjectieve, maar in het objectieve, en hij moet komen met den Christus der Schriften, om Hem te prediken in al Zijn rijkdom en veelheid van zaligheid voor allen die gelooven.
De prediker blijft altijd aan het Woord onderworpen — Verbi Divini minister — en de gemeente komt nooit boven het Woord uit. Ook voor den rijkst begenadigde blijft het Woord onmisbaar voedsel voor de ziel en bij de voorkomende vragen des levens is er geen beter kompas dan 's Heeren getuigenis, geen beter licht dan 't geen afstraalt van Gods Woord.
Daarom heeft de Heere ook in tijden van reformatie zulke mannen uitgestooten, die Gods Woord hadden doorzocht als een goudmijn.
Luther wierp zich op de H. Schrift.
Calvijn doorvorschte Gods Woord.
En alle studie en alle wetenschap en alle vaardigheid werd gebruikt, om Gods Woord, in de grondtaal, beter te mogen verstaan en Gods Woord, in de landstaal, te mogen prediken zóó, dat het duidelijk was voor jong en oud, eenvoudigen en edelen.
Dat hebben wij ook nu weer noodig.
Niet maar wat napraten, wat lijkt op geloofservaringen. Niet een christenprediking, wat misschien deze of gene o ! zoo mooi vindt. Maar een kennen van het Woord, een geestelijk verstaan van de Schriften, om dan dat Woord te verklaren en toe te passen. Dat is de weide, waar de schapen Christi voedsel vinden, ingaande en uitgaande ; voor al hun weg.
Door onze Gereformeerde vaderen is dit helder ingezien — zegt prof. Hoekstra van Kampen in zijn boekje : „Gereformeerde prediking."
„Zij hebben eenstemmig verklaard, dat de preek is : verklaring en toepassing van het Woord Gods. Joh. Hoornbeek omschrijft in zijn Tractaat over de wijze van preeken (van 1645) de preek als de heilige handeling waarbij Gods Woord ontvouwd en toegepast wordt tot opbouw der gemeente. Joh. Martinus noemt in zijn Homiletiek, die in 1651 het licht zag, de preek een rede, die door den dienaar van God en Jezus Christus in Zijn Naam uit het Woord Gods tot de gemeente gehouden wordt, waarin de leer der waarheid die naar de godzaligheid is wordt verklaard en toegepast tot opbouw der menschen in geloof en gehoorzaamheid en tot hun eeuwig heil, vooral echter tot eere van God en Jezus Christus. David Knibbe geeft in zijn Handleiding tot de heilige welsprekendheid, waarvan de zesde druk in 1697 verscheen, als definitie van de preek : zij is een heilige handeling van den dienaar des Woords voor de gemeente, waarbij het Woord Gods wordt ontvouwd en toegepast tot eere Gods en opbouw en zaligheid der hoorders."
De preek moet dus zijn : ontvouwen van het Woord Gods en toepassen van hetgeen God in Zijn Woord geopenbaard heeft — tot eere Gods en tot zaligheid der hoorders !
(Wordt voortgezet).
Geen evenredige vertegenwoordiging in de Kerk.
Telkens komen er weer nieuwe voorstellen tot oplossing van het kerkelijk vraagstuk opduiken. Wel een bewijs, dat het kerkelijk probleem veler aandacht trekt en houdt. Maar de meeste voorstellen hebben weinig of geen beteekenis, daar zij zich niet aansluiten bij de historie der Hervormde Kerk in dezen lande en niet zelden vierkant in strijd zijn met het karakter der Kerk.
Een nieuw voorstel is kort geleden bij de Synode ingediend door een kring van Evangelische predikanten en ouderingen, waarvan ds. Wagenaar, van Usquert (Groningen) de opsteller was. Het bedoelde de samenstelling der Kerkelijke besturen (en de Synode) te regelen naar het beginsel van evenredige vertegenwoordiging, waarbij dus de Kerk ls een verzameling van partijen bechouwd wordt en elke partij of riching evenveel „rechten" moet hebben.
De wijze van verkiezing zou dan ook worden als bij de politieke verkiezingen : indiening van lijsten en toekenning van het aantal vertegenwoordigers naar het aantal uitgebrachte stemmen, enz. enz.
Iets dus, dat heelemaal in strijd is met het karakter der Kerk.
En iets, dat ons ingezonken Hervormd kerkelijk leven nooit uit het moeras kan helpen. Integendeel; wat de oplossing van het kerkelijk vraagstuk voor goed onmogelijk zou maken.
Gelukkig heeft de Synode het voorstel van de Groningers (Evangelischen) afgewezen. Men wilde er niets van weten; te meer niet, daar de voorstellers wèl spraken van „volgens nader vast te stellen regelen naar het beginsel der evenredige vertegenwoordiging", maar de voorstellers niet eens de moeite genomen hadden weer te geven, wat zij onder evenredige vertegenwoordiging verstaan. Zoo althans lezen we in een courantenverslag van de 23ste zitting van de Synode (van Maandag 13 Augustus j.l.).
Wij hopen van ganscher harte, dat men nu nooit weer met een dergelijk voorstel „naar het beginsel der evenredige vertegenwoordiging" zal komen aandragen;
Zoo iets krijgt men er in de Kerk toch nooit door ; het zou ook den genadeslag geven aan onze zoo zwakke, kranke Hervormde (Gereformeerde) Kerk.
En daarom verheugen wij er ons over dat de Synode van 1923 niet op dit voorstel der Evangelischen is ingegaan.
't Is begraven.
En wat ons aangaat, wij gunnen dit wangedrocht een lange, lange rust!
Geen rechten der minderheden.
Dokters zonder tal!
Om ieder voor zich, voor de kranke Hervormde Kerk een geneesmiddel voor te schrijven.
Arme patiënt!
Het tafeltje voor het ziekbed komt vol fleschjes te staan, groote en kleine, waarbij de aanlokkelijkste kleuren zeggen, dat de patiënt er maar naar grijpen en er maar van gebruiken moet. Maar 't is ten slotte voor de patiënt om wanhopig te worden. Want welk middel, bij al die likkepotjes, is nu tot genezing ? Zijn er ook niet bij, waarvan de patiënt zeer schadelijke gevolgen kan hebben ? Wij gelooven het vast. En wat ons aangaat, wij adviseeren dan ook met een gerust geweten : laat de Kerk maar heel wat van die fleschjes op zij zetten en laat zij omzien naar medicijnmeesters, die, na nauwkeurig haar kwaal te hebben bestudeerd, met geneesmiddelen komen welke zijn naar 't Woord van God.
De historie moet in 't oog worden gehouden door allen, die de Ned. Herv. Kerk willen helpen. Laten zij, die dat niet willen, zich maar bij een andere kerkgemeenschap of godsdienstige vereeniging voegen ! En als men zich voegen wil naar den gang van het werk in het midden van de Ned. Hervormde Kerk, dan zal men haar moeten dienen naar de beginselen van Gods Woord. Dat is het eenig goede medicijn.
De Vrijzinnig Hervormden zijn al lang bezig om de Hervormde Kerk mee te cureeren. Maar zij kennen de kwaal van de patiënte niet. En zij willen niet aan het medicijn, dat naar Gods Woord is. Zij verwaarloozen de historie onzer Gereformeerde Kerk en zij weigeren naar Gods getuigenis te handelen. Daarom spreken zij ook van allerlei „richtingen" en „groepen" in ons Hervormd kerkelijk leven, waarbij zij dan telkens pogingen doen, om aan elke richting of groep „rechten" toe te kennen, opdat de minderheden niet onderdrukt worden. (Net iets voor de nakomelingen van liberalisten als Thorbeoke! Die wilde ook niets weten van minderheden, die onderdrukt werden ! )
Met een voorstel „om wettelijke maatregelen te treffen tot erkenning van de rechten der minderheden" zijn zij ook dit jaar tot de Synode gegaan.
Maar gelukkig heeft de Synode — die dit jaar héél wat te doen heeft gehad ! — ook dit voorstel gewezen van de hand.
Dt rapporteur, ds. Te Winkel, van Den Haag, heeft eens nader in de Synode uiteen gezet wat over die „rechten" der minderheden te zeggen is. Hij betoogde, dat in de Hervormde Kerk allen recht hebben op de prediking van het Evangelie van Jezus Christus. Is men er boos om, als die prediking er is ? Klaagt de vrijzinnige minderheid hier en daar, dat zij geen „rechten" heeft, als er een prediking is naar uitwijzen van Gods Heilig Woord (beroepsbrief) ?
Laat men toch niet klagen dan en laat men toch niet spreken, alsof er dan onrecht aangedaan wordt. Want geen enkel lidmaat der Kerk wordt op deze wijze in zijn rechten gekort.
Inplaats, dat men vrage om „wettelijke maatregelen te treffen tot erkenning van de rechten der minderheden", moet men gaan meewerken, dat overal aan allen gepredikt worde de Christus der Schriften en dat aller recht verzekerd worde, om in de Hervormde Kerk niet anders te hooren, dan het geklank des evangelies, waarvan de inhoud is en blijft: Jezus Christus en die gekruisigd.
Wat praat men van „rechten der minderheden" in de Kerk !
De Kerk heeft er recht op, dat in haar midden niet anders dan naar Gods Woord worde gehandeld en gewandeld !
Neen — ook het voorstel van de Vrijzinnig Hervormden kan de kranke Hervormde (Geref.) Kerk geen baat en geen genezing brengen.
Laat de patiënt het maar gerust over boord gooien.
Gelijk gelukkig de Synode besloot er niet op in te gaan !
Recht voor allen !
En welk recht ?
Recht op Gods Woord, ; recht op de Christusprediking ; recht op de belijdenis der Kerk ; recht op een goede orde voor alles, zooals dat in het midden van een gezond kerkelijk leven behoort te zijn.
Wat eenzijdig en onrechtvaardig !
Het Evangelisch Zondagsblad, dat eigen voorstel tot oplossing van het kerkelijk vraagstuk, gaande in de richting van evenredige vertegenwoordiging, nog al verdedigd heeft, schrijft een artikeltje over „De groote Synode" en betreurt het, dat in de vergadering van de laatste Synode het voorstel, van „De groote Synode" is aangenomen.
Nu staat men toch verbaasd, hoe de tegenstanders van „De groote Synode" altijd met dezelfde, weinige, niets-zeggende argumenten komen; waardoor telkens duidelijker wordt, dat men om de wille van partijbelangen zich verzet tegen hetgeen het meest de Kerk in haar geheel dienen kan.
Wat zijn de redeneeringen van het „Evangelisch Zondagsblad" tegen „De groote Synode" ?
Natuurlijk allereerst: de groote kosten. Honderd maal is het nu al betoogd, ook door menschen die het weten kunnen, dat het bij het om de twee jaar vergaderen no'g wel mee vallen zal en dat de kosten door de Kerk gemakkelijk zijn te dragen bij gewonen omslag. Maar het „Evangelisch Zondagsblad" zegt nog weer eens : ., Het is ons onbegrijpelijk, dat men in dezen tijd de groote kosten van die groote Synode aandurft. Niet alleen wordt met volle recht op elk gebied tegenwoordig om bezuiniging gevraagd ; niet alleen wordt van de gemeenten thans heel wat meer gevraagd dan tot nu toe het geval was ; maar als men eens nagaat hoeveel gemeenten de ondersteuning der onderscheiden Synodale fondsen noodig hebben en in hoeveel behoeften niet kan worden voorzien dan moet men het onverantwoordelijk achten thans zooveel geld uit te geven voor een zaak. waarvan hét nut minstens zeer problematisch moet worden genoemd."
Twee dingen worden hier genoemd : de algemeene roep naar bezuiniging en de schraalheid van de Synodale fondsen
Hoe men met zulke argumenten komen kan, begrijpen we niet.
Zouden de Synodale fondsen verbeteren als de groote Synode afgestemd was ?
Er is niemand die het gelooft. Ook het Evangelisch Zondagsblad niet !
En dan de roep naar bezuiniging.
Ja — omdat er bezuinigd moet worden, zou men het Bijzonder Onderwijs graag knijpen. Maar niet het Openbaar Onderwijs. Althans in het liberale kamp.
Zou men nu met de leuze van „bezuiniging" ook verhinderen willen wat aan de Kerk ten goede kan komen !
De Kerk die de Groote Synode begeert zal heusch dat bagatel, dat deze méér kost, wel bij elkaar brengen. Laat men zich over de financiën van de Kerk, wat dat betreft, niet al te bezorgd maken.
Verder zegt het Evangelisch Zondagsblad nóg iets typisch.
Het zegt: „Men spreekt gedurig van de Synode als vertegenwoordiging van de Kerk. van de gemeenten. Maar zeker zal de groote Synode geen ware vertegenwoordiging van de Kerk of van de gemeenten zijn méér dan de tegenwoordige. Hier in de Classis Zutphen bijv. (het is ds. Drijber te Zutphen die hoofdredacteur is van het Evangelisch Zondagsblad) staan ongeveer twee-derde rechtzinnigen tegenover één-derde vrijzinnigen. Die meerderheid rechtzinnigen kiest in de besturen volstrekt alleen mannen uit haar midden. Het lid der Synode, dat straks hier zal moeten worden gekozen, zal ook uitsluitend uit de meerderheid genomen worden. Maar die persoon zal dan ook slechts van dat tweederde deel der Classis de vertegenwoordiging kunnen worden genoemd. En de belangrijke minderheid van één-derde der gemeenten blijft niet vertegenwoordigt.
Wat eenzijdig en wat......... onrechtvaardig is zoo'n redeneering !
Want er wordt gezwegen van de meest getrapte verkiezing der Synodeleden die we nu hebben. Niet de Classes, waar de plaatselijke kerken saamkomen, maar de Provinciale Besturen kiezen nu de Synodeleden. Dat kan niemand verdedigen. Ook het Evangelisch Zondagsblad niet.
Maar bovendien, is daar de partijstemming minder scherp ?
En wordt door die Provinciale Kerkbesturen er vriendelijk voor gezorgd dat „de minderheden" niet onderdrukt worden ?
Niemand die het gelooft. Ook het Evangelisch Zondagsblad niet.
Daarom had het Evangelisch Zondags blad niet met deze zaak moeten komen aandragen.
Of als het tóch deze zaak had willen noemen, had het moeten zeggen, dat straks, als de Groote Synode er is van 45 leden en de 44 Classes een afgevaardigde zullen benoemen, deze afvaardiging veel rechtvaardiger en veel meer overeenkomstig den werkelijken toestand van de gemeenten zal zijn, dan nu het geval is.
Waarbij men ook eens denke aan de Waalsche Kerken, die bij de Groote Synode als een Classis zullen gerekend worden met één afgevaardigde, terwijl zij nu meetellen voor een Provinciaal Kerkbestuur met dikwijls twee afgevaardigden (evenveel als al de gemeenten van de provincie Zuid-Holland zenden !).
Neen, als men dan tóch met argumenten komen wil, laat men dan komen met dirigen die steek houden.
Want nu ligt het er dik op, dat men alleen door de partij-bril ziet.
Om dan zéér eenzijdig te redeneeren en zeer onrechtvaardig de dingen voor te stellen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 augustus 1923
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 augustus 1923
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's