De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Verschoppelingen

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Verschoppelingen

Feuilleton.

7 minuten leestijd

EEN OORSPRONKELIJK VERHAAL DAT AANVANGT ONGEVEER 1870

Hoofdstuk XV.
Paul was zoo gelukkig, als een mensch op de wereld kan zijn. Er ontbrak hem niets, en bijzondere begeerten had hij niet. Hij kleedde zich naar zijn stand en hield — zoo jong als hij was — heel wat geld over. Wat kon hij meer wenschen ? Aan zijn vader dacht hij weinig ; hij had hem nooit gekend en wist niets meer van hem, dan Teun Dolle van hem verteld had. Daarbij hadden de kuiper en zijn vrouw niet beter jegens hem gezind kunnen zijn, indien hij hun eigen zoon ware geweest. Hillebrands kinderen waren als zijn broers en zusters en hij waakte over hen als over zijn schapen èn lammeren.
Paul dacht dan ook niet anders, of hijzou altijd hier wel herder tolijven, de herder van Winnewoud ; en hij wilde niets liever.
Maar — hij bedacht niet, dat zijn verdienste, zijn inkomen, nooit grooter zou worden dan het nu was. Of hij nog tien, twintig of zestig jaar herder zou zijn, zijn loon bleef hetzelfde. En dat loon was heel wat voor een knaap als hij, maar te weinig voor een man, en bij lange niet voldoende, om er een gezin van te onderhouden. Natuurlijk zou dat beter worden, als hij meer eigen schapen ëij de kudde had, want van de eigen schapen en lammeren had hij de volle winst.
Gelukkig, dat Hillebrand hier verder zag dan Paul, en wel begreep, dat de jongen een goed handwerk zou moeten leeren, wilde hij niet tot aan zijn dood een arme herder blijven. De vorige herder, die soldaat was geworden, was ook niet naar de kudde terug gekeerd, maar had in de stad een betrekking als pakhuisknecht gevonden.
Er kwam nog iets bij : Paul kon zoo goed als nooit naar de kerk gaan ; slechts een enkelen keer in den winter, als alles onder de sneeuw zat, en wanneer er — wat zelden vóórkwam — een bijzondere kerkdienst was na zonsondergang. De kuiper had er reeds van alles op verzonnen ; maar 't was telkens gebleken, dat Paul bij de kudde moest zijn, of 't ging niet goed : niemand kon hem eens een halven dag vervangen. Een paar maal hadden twee zoons van Hillebrand samen geprobeerd, om Paul een vrijen halven Zondag te verschaffen ; maar telkens was de kudde zóó verstrooid geworden, dat men zelfs met behulp van anderen de schapen niet meer bij elkander wist te krijgen, en eerst Paul uit het dorp moest laten komen.
Wel was bij den jongen herder geen verachtering in de genade te bespeuren, maar de kuiper vond, dat het zóó toch geen leven was voor een Christen. Paul las 's Zondags in 't veld vast altijd een paar preeken, en een Bijbel had hij altijd bij zich en las daar veel in, doch verband aan de kerk had hij niet anders dan door middel van het gezin, waarin hij verkeerde.
Hoewel dus de kuiper dat alles goed over dacht, sprak hij er toch nog niet met zijn pleegzoon over : hij vond het beter, eerst eens na te gaan, waar hij 't meest aanleg voor en lust in had. Als hij op zijn achttiende of negentiende jaar wist, wat hij wilde, was hij nog immer jong genoeg.
Doch hoe kon Paul, doordat hij van 's morgens tot 's avonds bij de kudde was, voor een of ander aanleg of lust toonen ? Maar David dan, — zoo redeneerde de kuiper met zichzelf — die als herder liederen dichtte en muziekinstrumenten maakte, en zich oefende in 't slingerwerpen ? Zoo goed als een herder kon breien, zoo goed kon hij iets anders doen : als 't, er maar inzat. Noorsche koeherders sponnen onder hun bedrijf wol en vlas.
Maar de herder was niet altijd met de kudde in 't veld : 's winters had hij vast de lange avonden vrij, en als de wereld ondergesneeuwd was, ook een deel van den dag ; een deel, want de schapen moesten toch altijd even luchten.
Paul las veel en maakte bijzonder goed werk van de catechisatie, want zijn baas hielp hem daartoe aan geschikte boeken. Voor de vakken van 't lager onderwijs hielpen Hillebrands kinderen hem aan 't noodige, en hij maakte er een goed gebruik van. Willem — de oudste — die al van school af was, vond al dat schoolgaan maar gekheid, want hij was altijd een goed leerling geweest, en. Paul, die nooit naar school had gegaan, wist nu al meer dan hij. Toch buiten al zijn tijd voor lezen en leeren vond Paul immer tijd om wat te knutselen, want dat deed hij graag, blij maakte speelgoed voor de jongste kinderen : een wagentje voor broertje, een wieg voor zusje, tafeltjes, stoeltjes, poppetjes, een, winkeltje met toonbank en opstand, voorzien van bakjes en alles wat er in behoorde. Voor den baas maakte hij een vogelkooi, voor de vrouw een naaidoos en voor zichzelf een kleerkist. Hillebrand voorzag hem wel van hout, en diens gereedschap mocht hij gebruiken. De baas bekeek gewoonlijk het werk en keurde 't goed, en vond, dat de jongen zich misschien het liefst zou toeleggen op het timmervak.
Eens, dat de schapen wegens zwaren sneeuwval niet buiten konden, volbracht Paul een lang gekoesterd plan, om namelijk eens naar Delberg te gaan en er het nieuwe gebouw te zien.
Hij vond het een aardig kerkje. Van den wagenmaker hoorde hij, dat daar 's Zondagsavonds ook gepreekt werd en het er altijd vol liep. Er was nog een tekort van twaalf gulden.
„Dan wil ik die twaalf gulden geven — zei Paul — morgen —• als de sneeuw niet weg is, en dat zal 't wel niet — breng ik je het geld."
De wagenmaker vond dit teveel voor hem, en gaf hem den raad, er eerst met den kuiper over te spreken.
Toen Paul 's avonds thuis kwam, vroeg hij zijn pleegouders, wat die er van dachten als hij het tekort gaf. Beiden vonden ze dat heel goed, en de kuiper zei :
„Jij en Marie hebben 't allermeest aan de Zondagsschool te danken. Nooit in je leven mag jij de Zondagsschool vergeten, en daar aan moet je blijven geven, zoolang je leeft".
Met dezen raad was de herder bijzonder in zijn schik. Morgenochtend hoopte hij zich met het geld weer naar Delberg te begeven.
Toen hij 's avonds op zijn bed lag, zag hij, met de oogen toe, maar steeds het aardige kerkje vóór zich, nu eens van buiten, dan van binnen. En zoo kwam hij op de gedachte het gebouwtje in 't klein na te maken. Hij nam zich voor, papier en potlood mee te nemen en er een teekeningetje van te maken.
Toen hij den anderen dag weer terug was gekomen van Delberg, begon hij dadelijk aan zijn kerkje, om het in hout na te maken. Er was veel werk aan, maar omdat hij veel vrijen tijd had, was het spoedig klaar.
't Was een lust, om het te zien : alles recht in den haak en zuiver evenredig. En glad ! Ieder vond het een aardig ding; maar de kuiper zag er veel meer in dan een aardigheidje, hoewel hij dat niet voor Paul liet blijken. Hij ging er mee naar Stevelaar, den aannemer. En toen die het gezien had en zij beiden van gedachten hadden gewisseld, wist de kuiper, waar hij 't met Paul op aan zou sturen : op 't timmervak. Stevelaar zou hem wel gaarne willen voorthelpen.

(Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 augustus 1923

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Verschoppelingen

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 augustus 1923

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's