Staat en Maatschappij.
Het conflict.
Er ligt in het aftreden van mr. de Geer als Minister van Financiën nog altijd iets, dat opheldering vraagt. Zelfs na de nadere uiteenzetting, welke de afgetreden Minister in „De Nederlander" gaf, is, wat wij bedoelen, niet duidelijk geworden.
Daar is in de eerste plaats het standpunt, dat de heer de Geer tijdens zijn minsterschap ten opzichte van de vlootwet heeft ingenomen. Men mag toch aannemen, dat deze bewindsman bij zijn intrede in het kabinet zich over zijne houding jegens de genoemde wet zal rekenschap hebben gegeven. En was 't toen reeds zijne meening, dat de vlootwet niet diende behandeld te worden, dan is het een raadsel, hoe thans over deze aangelegenheid moeilijkheden konden ontstaan.
Nog onbegrijpelijker wordt de zaak, als men zich indenkt, dat minister de Geer in November 1921 het Vlootwetontwerp mede onderteekende en op 6 April 1922 geen bezwaar maakte het in de Tweede Kamer te behandelen, hoewel toen toch ook de financiëele toestand reeds slecht was. Alles bij elkaar genomen, maakt het een wonderlijke vertooning, dat het thans aan de orde stellen van de vlootwet tot een zoodanig verschil van inzicht in den boezem van den Ministerraad kon leiden, dat de Minister van Financiën zich verplioht gevoelde om heen te gaan.
En in de tweede plaats is het onverklaarbaar hoe bij het aftreden van mr. de Geer kon gezegd worden, dat het in den boezem van het Ministerie tusschen den Minister van Financiën en zijne ambtgenooten liep over de vraag, waaraan de voorrang diende te worden gegeven : aan de uitvoering van het vlootplan of aan een in orde houden van de landsfinanciën
De afgetreden Minister van Financiën verklaarde zelf, en dit is in „De Nederlander" te vinden, dat hij voor zulk een dilemma werd geplaatst. En omdat hij het vlootplan niet wilde ten koste van een dreigende inflatie van ons geldwezen, daarom, zoo zeide hij, ging hij heen.
Maar hoe is in dit verband dan te begrijpen ihet optreden van den heer Colijn als opvolger van mr. de Geer ?
Men weet toch. dat de leider der Antirevolutionaire partij een voorstander is van oogenblikkelijke behandeling der vlootwet en een niet minder krachtige verdediger is van het beginsel, dat de Staatsbegrooting sluitend behoort te worden gemaakt.
Zou men nu meenen, dat de heer Colijn als Minister van Financiën zou zijn opgetreden, zoo hij van zijn ambtgenooten niet de verzekering had gekregen, dat naast behandeling van de vlootwet, ook diende gezorgd te worden voor het evenwicht in de financiën?
Maar dan is het bestaan van een dilemma louter fantasie.
Met belangstelling wachten wij het oogenblik af, dat klaarheid in den stand van zaken zal worden gebracht.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 augustus 1923
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 augustus 1923
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's