De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

1898 - 31 Augustus - 1923

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

1898 - 31 Augustus - 1923

30 minuten leestijd

De HEERE heeft groote dingen bij ons gedaan, dies zijn wij verblijd. Psalm 126 vers 3.

Groote dingen bij ons.
Gods voorzienigheid speelt ons op de fluit en wij zullen zingen.
Gods voorzienigheid speelt ons op de harp en wij zullen juichen.
Of zijn de beschikkingen van Gods voorzienig bestel, o ! volk van Nederland, niet tot blijdschap, nu wij saam mogen gedenken, dat onze geliefde Vorstin, de nazate uit het huis van Oranje, vijf en twintig jaar over ons volk mag rcgeeren met genieting van tallooze zegeningen op elk terrein des levens ? Speelt Hij, de HEERE, der vaderen God, ons niet op de fluit, opdat wij zullen zingen; tokkelt Hij, de trouwe Bondsgod, ons niet op de harp, opdat wij zullen juichen ?
Er is genade voor noodig om het op te merken wat de Heere des hemels en der aarde in Zijn voorzienig bestel over Vaderland en Vorstenhuis heeft beschikt. Zonder genade van Boven zien wij er niets van of zien wij alles verkeerd. En er is dubbele genade voor noodig om met alle zegeningen tot den Heere weder te keeren, om Hem daarvoor te danken en Zijn roem te vermelden en groot te maken.
Daarom moeten wij elkander opwekken, dat wij toch niet in ondankbaarheid en met koude harten deze gewichtvolle dagen van het 25-jarig regeeringsjubileum van onze Koningin doormaken.
Of zou het ons tot eere strekken, indien wij, nu de HEERE vijf en twintig jaren achtereen aan land en volk zulke groote voorrechten en rijke zegeningen schonk, gelijk de negen melaatschen rustig onzen eigen weg vervolgden, zonder tot den Heere in te keeren en zonder blijde feestgezangen te doen hoorren ?
Groote dingen zijn er bij ons, waarvan deze dagen vol zijn.
Groote dingen, die de HEERE bij ons heeft gedaan.
God Zelf roept nu het Israël van het Westen tot blijdschap ; Hij Zelf roept ons tot gejuich.
Wat zou het heerlijk zijn, indien wij in het midden des volks, met vlaggentooi en feestgezang, eens in oprechtheid den dichter van Psalm 126 mochten nazeggen : „Toen werd onze mond vervuld met lachen en onze tong met gejuich. De HEERE heeft groote dingen bij ons gedaan, dies zijn wij verblijd."
Dat wij Psalm 126 hebben opgeslagen, nu wij van groote dingen willen spreken, welke de HEERE aan Volk en Vorstenhuis schonk; om daarbij elkander op te wekken tot blijde dankbaarheid aan God, zal niemand verwonderen, die dezen Psalm kent.
Daar is voor alles een tijd. Een tijd om te weenen en een tijd om te juichen. De Psalmen kunnen het ons ook weer leeren. Ook ten opzichte van het volksleven geldt dat. Leg Psalm 137 maar eens naast Psalm 126, dan bemerkt gij het dadelijk, dat ook op het terrein van het nationale leven de stemmingen afwisselen tusschen treurzang en jubel-lied, tuschen droef stille zijn en blijde juichen.
Als Israël in den kerker zucht — lees Psalm 137 maar — dan is er geween. Als het volk in het diensthuis, in Babel, verkeert, dan is er droefheid. Als het Koningshuis tot schande is gemaakt en het volk in ketenen van slavernij gevangen gehouden wordt door de onbesnedene heidenen, dan komt er geen lied over de lippen. Dan is het een stil zuchten en droevig uitweenen van smart.
O, als zij aan dien tijd terugdenken, hoe ze daar in Babel vertoefden, dan komt in herinnering wat door den dichter van Psalm 137 is uitgezongen : „Aan de rivieren van Babel, daar zaten wij; ook weenden wij, als wij gedachten aan Sion. Wij hebben onze harpen gehangen aan de wilgen en als zij, die ons aldaar gevangen hielden, de woorden eens lieds van ons begeerden en zij, die ons over hoop geworpen hadden, vraagden dat wij vroolijk zouden zijn, zeggende : „zingt ons een van de liederen Sions" — dan zeiden wij tot hen : „hoe zouden wij een lied des HEEREN zingen in een vreemd land ? "
Neen — er kón toen geen jubelzang over de lippen komen, daar het harte leed onder bittere droefheid.
Voor alles is een tijd. Oók om te klagen, om te weenen, om de harp aan de wilgen te hangen, om stille te zijn. En dat was voor Israël het geval, toen het in Babel in gevangenschap zuchtte. Toen het Koningshuis er niet meer was. Toen het volksbestaan ten gronde was gegaan. Toen de altaren waren verwoest. Toen er niets meer van land en volk en vorstenhuis over was gebleven. Toen kon de vrome Israëliet alleen maar vol treurig heimwee uitstooten : „Indien ik u vergete, o Jeruzalem ! zoo vergete mijne rechterhand zichzelve ! Mijn tong kleve aan mijn gehemelte, zoo ik aan u niet gedenke ; zoo ik Jeruzalem niet verheffe boven het hoogste mijner blijdschap !"
Droeve, droeve dagen van bitterheid en rouw !
Maar de Heere wendde de gevangenis. Hij stootte de kerkerdeuren open. Op het noodgeschrei van Zijn volk deed Hij, Israels Bondsgod, groote wonderen. En daar trok het volk op, als een vrij volk, naar het land der Vaderen, om weer te wonen in Kanaan.
En dan komt Psalm 126.
't Was een andere tijd geworden. Een tijd van vele zegeningen. Een tijd, waarin de HEERE, Israels Bondsgod, groote dingen deed onder Zijn volk. Zóó groot en zóó wonderlijk, dat de heidenen, die rondom woonden, er van spraken ; en zóó heerlijk, zoo overweldigend zalig, dat Israël zelf er haast niet bij kon, om 't recht te verstaan. Het was als een droom. Zij zagen het, maar doorgronden konden zij het niet.
Dat was van den Heere, die alles doet naar redenen uit Zichzelf genomen en het volk, dat Hij in verbond had genomen, niet wilde loslaten, ook niet in 't midden van de grootste gevaren. Wel strafte Hij. Wel bezocht Hij de zonden van de Vaderen en van de kinderen. Maar Hij gedacht Zijn verbond gestadig en bewees op Zijn tijd genade voor genade in de wonderen van bevrijding.
O ! wat een tegenstelling met dien tijd van gevangenschap, van slavernij, van schande, van armoede en verdriet, zeventig lange jaren in Babel doorgemaakt. Toen reden tfe heidenen op hun hoofd en spotten me| hen, tergend hen vragend : waar is nu uw God ?
Vér van hun land, vér van hun huis, vér van Jeruzalem, vér van den tempel toen.
En nu: vrij wonend in eigen land, overvloed van spijs en drank, met vrij in-en uitgaan. Jeruzalem herbouwd en de tempel herrezen. Wat groote, heerlijke dingen had de HEERE aan Zijn volk gedaan !
Dat gaat aan den geest van den dichter voorbij. En het is voor hem een onuitsprekelijk groote genade van den HEERE, die daarbij Zelf Zijn volk uitnoodigt om te zingen en om te juichen, om blijde te zijn en vroolijk te lachen, vermeldende, dat de HEERE Israël goed is.
Hoort maar hoe de dichter daarvan gewaagt in Psalm 126. „Als de HEERE de gevangenen Sions wederbracht, waren wij gelijk degenen, die droomen. Toen werd onze mond vervuld met lachen en onze tong met gejuich ; toen zeide men onder de Heidenen : de HEERE heeft groote dingen aan dezen gedaan. De HEERE heeft groote dingen bij ons gedaan ; dies zijn wij verblijd."
Psalm 126 — is dat niet een lied, dat de Heere Zelf ons op de fluit speelt, opdat wij, volk van Nederland, bij het 25jarig Regeeringsjubileum van onze geliefde Vorstin, zullen zingen en zullen juichen, blijde sprekend van de groote daden die de Heere bij ons deed als de God, die ook óns Vaderland in Zijn verbond heeft opgenomen als het Israël van het Westen?
Natuurlijk zijn de toestanden nu anders dan in de dagen van oud-Israël. Maar had het niet gemakkelijk zóó onder ons kunnen zijn, dat vreemden over ons heerschten ; dat armoede in dezen lande woonde ; dat Oranje was uitgestorven of verjaagd ; dat revolutie, met moord en doodslag, den bodem van ons Vaderland met bloed had gedrenkt ?
Dan had rouw en droefheid onder ons gewoond.
Dan hadden we de taal van Psalm 137 tot de onze moeten maken en we moesten zeggen : „wij hebben onze harpen gehangen aan de wilgen."
Dan moesten wij spreken van degenen die ons gevangen hielden ; dan moesten wij gewagen van degenen, die ons over hoop geworpen hadden. En we moesten dan uitroepen : „hoe zouden wij een lied des HEEREN zingen in een vreemd land ? "
Doch ziet, nu is het zoo anders ! En dat is een wonder. Dat is een groot wonder des HEEREN. Dat is naar Zijn voorzienig bestel, waarin Hij klaarlijk bewijst, dat Hij nog gedachten des ontfermens heeft over Nederland en het huis van Oranje in ongehoudene goedheid wil gedenken in de geslachten, nu eeuw na eeuw dat Vorstenhuis beschermend als onder de schaduw van Zijn hand.
Denk daarbij eens aan alles wat in de laatste jaren, wat in de laatste 25 jaren met land en Vorstenhuis is geschied.
Ja — wij zouden gerust veel verder nog terug kunnen gaan in de geschiedenis van ons Vaderland dan naar de Kroningsdagen in 1898. Want héél de historie van Nederland is vol van Gods groote en wondere daden, die Hij bij ons gedaan heeft. En altijd weer door Nederland in Oranje te zegenen.
Karel V en Filips II geboden over een rijk, waarin de zon niet onderging en eischten ook óns land op om glans en glorie van eigen troon en kroon te verhoogen, om tegelijk ook óns land in dienst te stellen van de Roomsche Kerk. Ons dierbaar plekje grond werd gedrenkt met bloed. Ons volk werd in boeien geslagen. Weg was de vrijheid. Weg was de Kerk. Weg ons vaderlijk erfdeel, aan de zee ontworsteld. Maar toen stond de HEERE, Israels Bondsgod, op en Hij riep Oranje. En toen werd ons land vrijgemaakt uit de hand van den tyran van Spanje en de Prins van Oranje werd de Vader des Vaderlands.
Vrijheid van godsdienst gaf de Heere ons en het stoere Calvinisme werd land en volk tot zegen, met vrijheid ook voor hen, die uit andere landen werden verbannen en verjaagd.
Lodewijk XIV, de Zonnekoning, die overal zijn stralen trachtte uit te zenden, wilde heel de wereld aan Frankrijk onderwerpen en dienstbaar maken aan den Paus. Het was wederom een Oranje dien de Heere zond als de rechte man op de rechte plaats. En Holland is gered, Engeland is geholpen, het Protestantisme is bewaard. Europa is gezegend. Nederland bizonder heeft het ervaren dat de HEERE .deze landen heeft uitverkoren om hier groote daden te doen, waarbij Zijn volk Zijn roem heeft te verkondigen en blijde Zijne deugden heeft te vermelden!
En als nogmaals een wereldheerscher opstaat in Napoleon, in het begin der negentiende eeuw, die Holland smadelijk noemt een aanslibbing der Fransche rivieren, om deze landen zich dan ook maar toe te eigenen, en vanuit Parijs ons de wetten thuis te zenden, dan is het weer een Oranje dien de Heere gebruiken wil om Holland te helpen en vrij te maken, waarbij de geweldenaar smadelijk viel en Nederland uit het stof herrees.
Is het niet als een droom? Zeggen de volkeren niet: de HEERE heeft aldaar groote dingen gedaan ?
En ja. — wij hebben te herhalen met den dichter van Psalm 126: „De HEERE heeft groote dingen bij ons gedaan, dies zijn wij verblijd."
Als wij maar oogen hebben om te zien en een hart om op te merken, dan is er reden te over om te spreken van de groote wonderen Gods. Het boek van de geschiedenis van ons land en van ons Vorstenhuis staat er vol van. Laat de Duitscher maar komen, laat de Engelsman maar opstaan, laat de Franschman maar spreken, laat de Amerikaan maar vertellen — doch niemand van dezen heeft een historieboek als het onze. Onze dijken, onze duinen, onze rivieren, onze schilders, onze letterkundigen, onze zeehelden, onze ingenieurs — 't is alles zoo anders dan in andere landen. Maar méér nog onze Kerkgeschiedenis draagt een geheel eenig karakter. Vooral ook de geschiedenis van ons Vorstenhuis is geheel eenig. En die er oog voor mogen hebben en een hart om op te merken, kunnen dikwijls uitroepen : „Het is alsof wij droomen. Onze mond wordt vervuld met lachen, onze tong met gejuich. De HEERE heeft groote dingen bij ons gedaan, dies zijn wij verblijd." Is ook het vijf en twintig jarig tijdperk van het Regeeringsjubileum onzer Koningin niet een bewijs, dat de Heere ons Vaderland als het Israël van het Westen heeft uitverkoren, om het in Zijn verbond op te nemen, om het te zegenen boven bidden en denken, zoodat wij moeten uitroepen : „Het is alsof wij droomen. Onze mond wordt vervuld met lachen, onze tong met gejuich. De HEERE heeft groote dingen bij ons gedaan, dies zijn wij verblijd."
Nadat eerst de oudste zoon van Koning Willem III gestorven was, stierf vijf jaar later Prins Alexander. Dat was de laatste zoon en hiermee was de Oranjestam van alle takken beroofd. Als straks de oude, grijze Koning stierf zou het met het Oranjehuis gedaan zijn. Toen werd in 1880, uit het tweede huwelijk, een dochter geboren en deze had de HEERE verkoren om door Haar hand in bange tijden ons volk te regeeren en ons land te behoeden.
Is het niet een wonder in onze oogen, dat zóó de Oranjeboom nog bestendig bewaard is onder ons en dat juist in de moeilijke jaren van oorlog en wereldbrand een Vrouw op den troon zit, die ên in Nederland en in het Buitenland „Vrede-Koningin" heet ?
Er zijn altijd menschen, die de wondere daden des Heeren niet zien ; die het niet opmerken, dat Hij groote dingen bij ons gedaan heeft en die dan ook niet blij zijn. Die hooren het niet, dat de HEERE Zelf ons op de fluit speelt, opdat wij zouden zingen ; zij weten het niet, dat de Heere, die een jaloersch God is, vraagt : waar is Mijn eer ? Het gaat met dezulken als met die menschen die Jezus bestrafte ; toen zij het altijd maar hadden over de splinter In het oog van een ander en niet merkten dat er een balk in hun eigen oog zat. Het groote zagen zij niet, doordat al hun aandacht op het kleine was. Zoo ook nu. De dwaze, vreeselijke wereldoorlog is gekomen. Daarna de dwaze, vreeselijke vrede. En landen zijn uitgemoord, uitgehongerd, uitgemergeld, verwoest. Volkeren zijn gestort in een zee van ellende. Vorsten zijn weggejaagd of doodgeschoten. En overal schreeuwt men om brood en er is niet. De ouden kwijnen weg, de jongen sterven uit. Vlak over de grenzen, in het Rijnland, begint 't al. En hoe verder men in Duitschland komt, als men Saksen bezoekt, als men Oostenrijk binnentreedt of naar Hongarije gaat, overal is nameloos verdriet, met honger en kommer. Revolutie met moord en doodslag. Bloed en vuur en tranen.
En ja — natuurlijk — wij hebben ook mee gekregen van de algemeene malaise en ellende. Het is té voelen en te zien overal. Maar wie durft er te klagen, als hij een oogenblik zich indenkt wat elders geleden wordt, als hij maar even zich bewust wordt hoe de toestanden in het Buitenland zijn ?
Laat ons door op 't kleine, dat spreekt van armoede en ellende, te zien, het groote, dat spreekt van zegeningen en weldaden des Heeren, toch niet. vergeten ! En laat bij dit jubileumfeest het volk van Nederland toch met den dichter van Psalm 126 uitroepen : Als de HEERE Nederland en Oranje bewaarde en uitredde waren wij gelijk degenen die droomen. Toen werd onze mond vervuld met lachen en onze tong met gejuich ;
toen zeiden de volkeren, die rondom ons wonen : de HEERE heeft groote dingen aan hen gedaan. En ja, de HEERE heeft groote dingen bij ons gedaan, dies zijn wij verblijd."
Groote daden Gods — daar is dit kleine land vól van, daar het Gode behaagd heeft uit milde goedheid bij ons vele wonderen te doen.
Waarbij wij als volk van Nederland in deze dagen van het Regeeringsjubileum dankbaar gedenken, wat Oranje in Gods hand voor ons Vaderland geweest is.
31 Augustus 1880 geboren, werd Prinses Wilhelmina reeds in 1890, toen haar Vader, onze Koning Willem III stierf, geroepen over dit land te regeeren. Maar wat zal een meisje van 10 jaar, een kind nog, bij zulk een groote en zware taak beginnen ?
De Heere gaf haar een Moeder, die als Regentes de taak van haar Dochter overnam, om intusschen als Moeder haar Dochter voor te bereiden tot het werk, dat Zij straks Zelf zou moeten verrichten. In de vreeze des Heeren, bij Gods Woord, werd het Kind opgevoed. En Zelf 6 September 1898 aan de regeering komend, nam Koningin Wilhelmina, pas 18 jaar oud zijnde, de teugels van het bewind in handen, overnemend 't woord van haar Vader, dat hij 17 November 1863 gesproken had : „Het zal zijn, zooals het in vroegere dagen was en zooals het onder Gods zegen zal blijven, dat een Prins van Oranje nooit, neen nooit genoeg kan doen voor het volk van Nederland." Maar niet alleen dat woord overnemend, waarmee zij zich geheel wilde geven aan ons volk en Vaderland, gelijk al de Oranjes dat hebben gedaan, doch zij sprak daarbij uit : „Reeds op jeugdigen leeftijd heeft God mij door het overlijden van mijn onvergetelijken Vader tot den Troon geroepen, dien ik onder het zoo wijze en zegenrijke Regentschap mijner innig geliefde Moeder beklom. Thans is de ure gekomen, dat ik mij, onder aanroeping van Gods heiligen Naam, zal verbinden aan het Nederlandsche Volk, tot instandhouding van zijn dierbaarste rechten en vrijheden."
Zij wist waar Haar kracht en sterkte lag en zij sprak dan ook van haar „hooge roeping" en „schoone taak", die God Haar op de schouders gelegd had, aanroepende den Heere, in Wiens Naam Zij de regeering overnam.
Denk hierbij eens aan de geschiedenis van den zevenjarigen Joas, die koning werd te Jeruzalem. Zijn oom, de hoogepriester Jojada, voedde hem op en regeerde voor hem, toen hij klein was. En toen Joas zelf ging regeeren, deed hij wat naar Gods wil was.
Maar toen Jojada gestorven was, kreeg hij verkeerde raadgevers en Joas verliet God, keerde zich van 's Heeren dienst af en diende de zonde om ook zijn volk mee te sleepen in een diepte van ellende.
Daarvoor heeft de Heere onze Koningin bewaard !
Met Gods hulp is Zij begonnen. Met aanroeping van 's Heeren Naam heeft Zij de regeering aanvaard, om zooals Zij Zelve getuigde, in gehoorzaamheid aan de Grondwet voor de stoffelijke en geestelijke nooden van ons volk mee zorg te dragen. En de Heere heeft Haar daarbij bewaard en gesterkt, zoodat Zij Haar roeping is getrouw gebleven. En in Gods kracht heeft Zij vele kloeke daden gedaan !
Nauwelijks twee jaar aan de regeering zijnde — Zij was pas twintig jaar oud — zond Zij in October 1900 van Den Helder uit het nieuwe sierlijke pantserschip „De Gelderland" met de edele, menschlievende opdracht, om Paul Krüger, president der Zuid-Africaansche Republiek Transvaal op den Nederlandschen bodem een veilige schuilplaats aan te bieden. Waar de Boeren door het machtige en op macht beluste Albion bestreden en van hun vrijheid beroofd werden, en in Europa niet één Vorst of Regeering gevonden werd, die het aandurfde, daartegen de stem te verheffen, daar gaf de Heere de nog jeudige Koningin der Nederlanden den moed om uiting te geven aan wat in haar hart, als nazaat der edele Oranjevorsten, gevonden werd en zij reikte den 75-jarigen ouden Paul Kruger in het midden van zijn moeilijke en benarde omstandigheden de hand, om daardoor ook zijn ge­loof te sterken. En dat niettegenstaande het groote Engeland deze daad niet vriendelijk opnam.
Zoo was Nederland ook onder het bewind van onze tegenwoordige Vorstin, bij vernieuwing een toevluchtsoord voor ballingen.
De HEERE heeft hierin groote dingen bij ons gedaan.
Ook in de onderhouding van het leven onzer Koningin !
Ruim een jaar na Haar huwelijk, dat den 7den Februari 1701 met Hertog Hendrik van Mecklenburg-Schwerin was gesloten, werd Zij zwaar en ernstig ziek. De typhus had Haar krank gemaakt en het gevaar was groot, dat Haar levensdraad werd afgesneden en daarin de hope des volks werd vernietigd. Toen kwam het uit hoe 't Nederlandsche volk Oranje lief had en ziet, de Heere wilde in Zijn genade de smeekingen Zijner kinderen in dezen lande verhooren en wilde Hare Majesteit op haar ziekbed ondersteunen en genezen !
De HEERE heeft groote dingen bij ons gedaan, dies zijn wij verblijd" werd er onder ons volk getuigd. Of om met ds. Laurillard te spreken : „En hart'lijk, zooals 't heeft gebeden, spreekt, zingt heel 't Vaderland : „God dank !" Het gevaar was geweken, maar een ander gevaar dreigde meer nu: dat eens met onze Koningin de laatste telg uit het aloude Stamhuis ons ontvallen zou.
Vier jaar later — 't was 21 Juli 1906 — kwam de teleurstellende tijding in de Staatscourant, dat de hope, welke door de Koninklijke Landsvrouwe eenigen tijd gekoesterd werd, was verijdeld geworden.
Zou het huwelijk dan kinderloos blijven ?
Het leek er veel op. En ons volk rekende er niet meer op, dat eer^ Koningskind zou worden geboren.
Maar ziet :
Daar werd in Neêrland zacht gefluisterd. — Heel zacht, 't mocht soms vergissing zijn. — Van moedervreugd, van blijde hope. En van een teeder Kinderlijn!
Zou het waar zijn ? Zou het mogelijk zijn ?
Daar wordt het officieel verkondigd — 't Gebed verhoord! 't Gerucht was waar: D' Oranjestam zou weer herbloeien. Ons wachtte weer een jubeljaar.
De blijde dag kwam. 30 April 1909 werd een Prinsesje geboren, dat den naam ontving, Haar door de Koninklijke Moeder gegeven, van de Moeder van Prins Willem I, een vrouw, die voor haar kinderen bad, om biddend haar zonen voor Nederland te geven tot in den dood. Juliana, onze nu 14-jarige Prinses Juliana, werd ons als een Godsgeschenk gegeven. En onze kerken hebben het aanschouwd, toen de telegraaf de blijde tijding bracht tot op 't kleinste dorp, hoe er onder ons volk nog gevoeld werd : „De HEERE heeft groote dingen bij ons gedaan, dies zijn wij verblijd."
Haar geloof heeft onze Koningin Zich niet geschaamd. Haar belijdenis heeft Zij niet voor de menschen verborgen ; ook in het midden der volkeren is er meer dan eens gesproken over hetgeen Zij dorst bestaan.
Zondagmiddag 2 Juni 1912 zou Gaspard de Coligny, de Vader van Louise de Coligny, echtgenoote van onzen grooten Willem de Zwijger, den doorluchten Voorzaat van onze Koningin gehuldigd worden in Parijs, waar een standbeeld van dezen dapperen geloofsheld staat. Zaterdag den Isten Juni vertrok onze Vorstin van het Loo om naar de beruchte wereldstad te gaan, het Ninevé van het Westen genoemd, want Zij wilde tegenwoordig zijn bij de hulde aan de Coligny gebracht.
Toen heeft Zij ook gesproken, bij die gelegenheid.
En haar getuigenis was zoo treffend, dat wij het gaarne hier overnemen. Zij sprak, Zij, de Vrouw, te midden van de vrienden van de Coligny, maar ook ten aanhoore van héél de wereld in de goddelooze wereldstad Parijs : „Welk een verheffende gedachte, dat wij allen, hier aanwezig, één zijn in het levend-geloof in Christus. Dat geloof geeft ons het recht, ons de geestelijke kinderen te mogen noemen vande voor­ ouders, die wij met diepen eerbied eeren en vormt den hechten band, die ons met onze geloófsgenooten in dit land verbindt.
Admiraal de Coligny heeft hét geheim van dien heldenmoed gekend, die zijn oorsprong vindt in het vast geloofsvertrouwen in God en hij heeft ons een voorbeeld nagelaten van een leven aan Goa en aan Zijn zaak gewijd. Door dit standbeeld op te richten, heeft het dankbare nageslacht zijn nagedachtenis wilde huldigen en ik acht mij gelukkig, mij daarbij heden te kunnen aansluiten. Aan den voet van dit monument vereenigd, heffen wij onze harten op tot God en zoeken vóór alle dingen de verheerlijking van Zijn Naam.
Het is mijn levendige wensch dat een ieder, die Christus als zijn Zaligmaker kent, in dat geloof moge worden gesterkt en dat wij'allen steeds meer waarachtige getuigen des Heeren mogen zijn."
Zoo sprak de nakomelinge van, Willem den Zwijger van „vast geloofsvertrouwen in God", van een „leven aan God en aan Zijn zaak gewijd", betuigende, dat het bij ons „vóór alles moet gaan om de verheerlijking van Zijn Naam." Is het niet heerlijk, dat de groote God aller genade de Koningin van een klein land, van óns land, verwaardigd heeft om zóó te spreken in de groote stad en in het groote land, waar men de lichten des hemels heeft willen uitdooven, waar de spotters Rousseau en Voltaire leefden, waar men het randschrift van de munten „God met ons" heeft weggedaan?
Heerlijk oogenblik moet het geweest zijn toen onze Vorstin na haar toespraak — wat een geloofsbelijdenis was — een krans aan den voet van het standbeeld neerlegde, met de woorden : Gaspard de Coligny ! machtig strijder voor Gods heilige zaak, voorzaat van het Huis van Oranje Nassau, ik leg mijn eerbiedige hulde aan den voet van uw standbeeld neder."
Als zóo de Kronieken onzer zeer geliefde Koningin beschreven worden en ons voorgelegd, zullen wij dan niet uitroepen : „Het is; ons als droomden wij. En onze mond werd vervuld met lachen en onze tong mét gejuich. De volkeren zeiden : De HEERE heeft groote dingen aan dat land gedaan. Ja — de HEERE heéit groote dingen bij ons gedaan, dies zijn wij verblijd."
Vooral ook in den oorlogstijd is het uitgekomen, hoe Oranje met Nederland en Nederland met Oranje verbonden is en hoe de Heere Nederland in Oranje heeft willen zegenen.
26 Juli 1914 werd door Oostenrijk aan Servië de oorlog verklaard. Dat was de vonk in de vaten buskruit, die in het midden van Europa reeds lang opgestapeld lagen. Vrijdag 1 Augustus gaf het klokgelui antwoord op de vraag : zou er oorlog komen ? De mobilisatie werd afgekondigd. Want Duitschland had aan Rusland, Frankrijk en België den oorlog verklaard. En Nederland lag als een kreupelbosch te midden van een prairiebrand. Wat zou ons lot straks zijn ?
Toen is het uitgekomen hoe de Heere onze Koningin heeft willen gebruiken tot groote dingen, die land en volk tot grooten zegen zijn geworden. En waar zij van Maastricht naar Groningen, van Den Helder naar Zeeuwsch - Vlaanderen ging, en schier overal tegelijk was, bij het leger en bij de vloot, daar voelde ons volk, dat het geen holle klanken waren geweest, toen onze Vorstin bij haar kroning het woord van Haar Vader had overgenomen : „Oranje kan nooit, ja nooit genoeg voor Nederland doen."
Haar verwachting en sterkte was daarbij van dien God, van Wien Willem de Zwijger, de Vader des Vaderlands, gezegd had : „Ik heb een verbond gemaakt met den Potentaat der Potentaten." Wat wel bleek toen onze Koningin in November 1914 de militairen te Soheveningen bezocht. Immers, toen zij gereed stond weer te vertrekken, verzocht zij eerst samen te zingen en wel Psalm 33 vers 9. En de Hooge Landsvrouwe zong met een groote schare soldaten en burgers, die toegestroomd waren, het bekende lied : „Het brieschend paard moet eind'lijk sneven, hoe snel het draav' in 't oorlogsveld ! 't Kan niemand d' overwinning geven ; zijn groote sterkte baat geen held." Waarop dan volgt: „Neen ; de HEER der heeren, doet ons triomfeeren ; Hij, geducht In macht, slaat elk gunstig gade, die op Zijn genade in benauwdheid wacht."
Daar was 't dus weer 't zelfde. Uit de Koninklijke mond van onze geliefde Vorstin klonk het weer : „die op Zijn genade in benauwdheid wacht." Is het niet heerlijk ? Is het niet waard om opgemerkt te worden en er den Heere voor te danken, dat ook onze Koningin, gelijk de Vader des Vaderlands, wilde getuigen : „Den Vaderlant ghetrouwe blijf ick tot in den doedt", daarbij belijdend :
Mijn schilt ende betrouwen Zilt Ghy o God. mijn Heer! Op U soo wil ick bouwen; Verlaat mij nimmermeer: Opdat ick vroom mach blijven, U dienaar t' aller stondt De tyranny verdrijven Die mij het hart doorwondt.
Dat bleek ook uït den Kerstgroet dien de Koningin in het eerste oorlogsjaar — 25 December 1914 — aan haar volk zond. Hoe heerlijk was ook toen haar geloofsbelijdenis en hoe menig hart is door Haar taal in dien donkeren en hangen en angstigen tijd verkwikt !
Aldus luidde die Kerstgroet :
„Er is veel stof tot dankbaarheid in onzen grooten, doch moeilijken tijd. Een verheffende zin van eenheid en saamhoorigheid treedt ons tegemoet, onderlinge waardeering en samenwerking op velerlei gebied valt waar te nemen, naar mate de nooddruft stijgt wordt de liefde overvloediger. Krachtig doet de behoefte tot nadenken, tot gebed zich gevoelen ; er wordt veel, er wordt vurig gebeden.
Men kan zich geen grooter tegenstelling denken dan de heilsbelofte Gods en het leed en de smart, waaronder thans de wereld gebukt gaat. Doch nooit schitterde ons het licht dier eeuwige, ontfermende liefde helderder tegen dan op dit feest van onzen Heiland ; immers ook om de ellende te dragen, waarvan wij op dit oogenblik getuige zijn, nam Hij onze gestaltenis aan. Gelijk het landschap, door de zon met licht overgoten, zich baadt in de weelde van rust en van kalmte, zoo straalt op het hart, dat zich voor Hem ontsluit, vrede en blijdschap af zoo vaak Christus'' liefde het beschijnt. Hiervan jubelt het Engelenheir op Bethlehems velden.
Het Kindeke Jezus heeft te allen tijde veel vertrouwen gevraagd. Het vraagt dit nog steeds. Aan ons de fiere moed Het dit te schenken. Laten 'wij met de Herders gaan in het gebed naar de kribbe, naar het kruis, m'et Al onze nooden en vragen. Tot ten slotte ons vragen verstomt en ons gebed en geloof overgaan in aanbidding."
Van den Heere is alle hulp en sterkte. In Jezus Christus alle troost en leven en zaligheid. Dat mocht de Koninklijke mond in de bangste tijden nog weer eens verkondigen. En toen in Januari 1916 de provinciën N.-Holland, Overijssel, Gelderland en een gedeelte van Utrecht door een groote watersnood werden geteisterd — en dat in de oorlogsjaren ! — was het H.M. onze geëerbiedigde Koningin, die niet alleen naar de geteisterde dorpen heenreisde, maar die ook als lidmate der Ned. Hervormde Kerk aan 'de Synode verzocht er voor te willen zorgen, dat Op Zondag 23 Januari in alle kerkgebouwen "dé Naam des Heeren zou worden aangeroepen en van Hem hulpe en uitredding zou worden gevraagd, naar het Woord des Heeren : „Laat ons ons hart opheffen, mitsgaders de handen tot God in dèn hemel."
Wat een echte Landsmoeder is Zij, die bij Gods gratie nu over ons regeert en Gods voorzienigheid speelt ons op de fluit, opdat wij zingen ; Hij tokkelt ons op de harp, opdat wij juichen ! Ja — de Heere heeft groote dingen bij ons gedaan, dies zijn wij verblijd.
Met droefenis, met verontwaardiging ook, denken wij terug aan de dagen van November 1918, toen door volksmisleiders en landverraders en Koningsmoordenaars, die zélf op macht belust zijn en langs wegen van bloed en moord en doodslag naar den troon wenschen te gaan — toen door mannen als Troelstra, Heijkoop, Wijnkoop en zoovele anderen, die met God spotten en met Zijn Woord hebben afgedaan, een poging gewaagd is, om Oranje's troon omver te stooten en onze Koningin uit dezen lande te verjagen.
Burgeroorlog dreigde. Revolutie scheen aanstaande. Rusland's ellende stond voor de deur. Wat Duitschland verwoest heeft, wilde ook over ónze grenzen komen. Geen God, geen meester ! klonk het. Wèg met Oranje, wèg met troon en altaar !
Maar. onze geliefde Koningin is door den HEERE bewaard. Ons land is door God Almachtig behoed. De booze raadslagen zijn verijdeld. En Nederland en Oranje zijn inniger nog met elkaar vereenigd geworden ; wat bizonderlijk ook 18 November in Den Haag op het Malieveld uitkwam, waar wij er getuigen van waren, hoe Neêrlands Vorstin door 't Nederlandsche volk gehuldigd werd ! Diep door de ziel ging het allen, toen de Koningin na afloop in haar paleis teruggekeerd, tot de menigte daar vergaderd, sprak :
"Ik dank u allen hartelijk voor de onvergetelijke uren, die ik hedenmiddag met u heb doorleefd. Ik stel uw trouw en uw aanhankelijkheid op zeer hoogen prijs en zal dezen middag nooit vergeten. Ik zal ook nooit vergeten de bewijzen van liefde voor ons Vaderland, die ik hedenmiddag persoonlijk heb mogen aanschouwen. Ik ben er van overtuigd dat ons Vaderland, dat ons zoo na aan 't harte ligt, mocht het ooit in gevaar komen, door onze eendracht en trouw zal blijven beschermd. Ik verzoek u met mij te willen uitroepen een drievoudig : „Leve ons Vaderland !"
Wat heerlijke oogenblikken voor Vorstin en volk !
En dat, waar in Rusland de Czaar en zijn vrouw en kinderen als honden waren doodgeschoten en het land werd gedrenkt met bloed, terwijl armoede en ellende duizenden deed wegzinken in een bodemlooze diepte van jammer en doodsverderf.
Waar in Duitschland de Keizer was gevlucht, vorsten waren verjaagd, tronen omvergestooten, kronen in het stof geworpen ; terwijl het groote, energieke, krachtige volk door revolutiewaanzin aangegrepen, zichzelf ging. verteren in burgeroorlog.
Waar Oostenrijk wegstierf onder nameloos pijnlijden ; waar Hongarije wegzonk in een diepte, waaruit schier geen redding mogelijk is.
Is het niet van den HEERE, Israels Bondsgod, dat óns deze weldaden zijn geworden ? Heeft Hij Nederland, het Israël van het Westen, niet wonderlijk behoed en bewaard?
Ja — het is ons als droomen wij. Maar onze mond is vervuld geworden van lachen, onze tong van gejuich. En terwijl de volkeren rondom zeggen : de HEERE heeft daar in Nederland groote dingen gedaan, antwoorden wij als volk van Nederland : Ja, de HEERE heeft groote dingen bij ons gedaan, dies zijn wij verblijd !
Wij gaan feestvieren, in Gods huis komt Gods gemeente saam. En als volk van Nederland zingen wij het op de straten uit: Oranje boven ! Leve onze Koningin !
Neen, daar schamen wij ons niet voor, om met Oranje op de borst en Oranje in het bloed en Oranje in het hart, terwijl de Vaderlandsche driekleur, met de Oranjewimpel uitwaait in stad en dorp, blij van zin en vroolijk van hart te zingen : Leve onze Koningin, Leve onze Prinses !
En neen ! daarbij vergeten wij de ellende niet, die ook in het midden van ons land gevonden wordt. Wij vergeten niet, de menigvuldige zonden en ongerechtigheden ook onder óns gezien. Wü gedenken met droefheid den grooten afval in 't midden van onze natie. En wij weten het ook, dat onze Koningin niets uit zichzélf heeft en dat ook Zij ons en ons volk en ons Vaderland niet redden en niet helpen kan — Zij, die Zelf met haar volk zong en zingt Psalm 33 : 9.
Maar juist als de ellende ons voor oogen staat, als de zonden des volks aan onzen geest voorbij gaan en wij gedenken dan dat de HEERE ons in Oranje zóó wilde zegenen en ons mee door Oranje zóó wilde doorhelpen, dan juist klinkt er blijde dankbaarheid uit 't diepste van ons harte op, tot God die deze
groote dingen zeggen : bij ons deed en wij. Hijsch, Holland! na de driekleur op! D' Oraniewimpel hoog in top! Laat ver langs duin en wallen. In hof en hut en wijd in 't rond. Uit aller harten diepsten grond Een blijde danktoon schallen!
Revolutie, onverschilligheid, brooddronkenheid, wereldschgezindheid, Gods lastering, gruwel en ongerechtigheid gaan rond onder ons.
En die afvalt van den hoogen God, moet en zal vallen.
Ook een volk dat God verlaat, zal vloek en verderfenis maaien.
Maar daarom schaart de Christenheid van Nederland zich in deze gewichtvolle en gedenkwaardige dagen van het Regeeringsjubileum onzer Koningin als één man rondom Oranje's troon en biddend zingt het :
U zeeg'ne God! Hij stelle U tot een zegen! Gezegend zij Uw hoofd. Uw hart. Uw weget Uw aardsch. uw eeuwig lot!
Om ook zingend te belijden als volk van Nederland, dat de groote dingen, welke de HEERE bij ons gedaan heeft, heeft aanschouwd :
Met al hun schoone woorden. Met al hun stout geschreeuw, Zij zullen ons niet hebben. De goden dezer eeuw! Tenzij het woord des Zwijgers Moedwillig werd verzaakt: 'k Heb met den HEER der Heeren een vast verbond gemaakt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 augustus 1923

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

1898 - 31 Augustus - 1923

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 augustus 1923

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's