Uit de Pers.
Als we uit al „de Oranje-lectuur" hier iets overnemen van de hand van dr. Oberman, van Rotterdam, is het om te laten zien hoe de Heere in alles zoo wonderlijk voor Oranje en Nederland gezorgd heeft. Niet de mensch, maar God heeft het gedaan. Laat ons Hem er voor danken !
Het artikel dat wij bedoelen luidt als volgt :
Een kostbaar bezit.
Er is wel velerlei reden, om bijzonder dankbaar te zijn met het koninklijke regeeringsjubileum. En als er ééne gedachte is, die wij niet mogen verzuimen alle recht te schenken, dan is het wel deze : dat ons Oranjehuis zulk een breekbaar bezit is. God zelf laat ons daarin gevoelen, hoezeer wij de kostbaarheid van dezen schat hebben te waardeeren en te bewaken. Het spreekt niet vanzelf, dat er een Oranjevorst troont in Nederland. O ja, wij zijn er aan gewoon en, als een door voorspoed verwend gezin, kunnen wij het ons al niet anders meer voorstellen, dan dat het hoofd er is en voor ons zorgt. Wij zijn als volk reeds zoovele malen, sinds onze los-scheuring van Spaansche overheersching, aan den schrik des doods van het vorstengeslacht ontkomen, dat het schijnt alsof „de bitterheid des doods is geweken." Alles wat zeldzaam is, wordt kostbaarder naarmate het onontbeerlijker is, en die les heeft ons volk sinds 1584 herhaaldelijk te leeren gekregen.
Toen Prins Willem I neergeschoten werd en, pleitend voor zijn eigen ziel en voor ons volk, den geest gaf, was er de zestienjarige jongeling de zoon van Anna van Saksen ; de later zoo beroemde Prins Maurits, en verder een klein wiegeklnd, de zoon van Louise de Coligny, van het edelste Fransche ras. Aan dit kind zou de toekomst van ons koningshuis hangen. Eenmaal zou zijn dochter, Albertine Agnes, de vrouw worden van den Frieschen stadhouder Willem Frederik, en de voorzaat onzer Koningin.
Hoe goed was ons de Heer dat hij Frederik Hendrik in het leven spaarde, dat hij opwies en kracht kreeg om onzen vrijheidsoorlog zegevierend te beëindigen en in den grootsten bloeitijd van ons land breidelende leiding te geven !
Daar ontsprong uit hem een begaafde zoon, volgens Jan de Witt bestemd om de bekwaamste van zijn geslacht te worden ; maar ziet, hij moest vallen in de lente van zijn kracht, en wederom lag er slechts een wiegekind als mannelijk oir.
Dat kind zou eenmaal de redder worden van ons land, de leider van Protestantsch Europa in een hachelijk tijdperk van tegen hervorming, de geweldige tegenstander van den snorkenden, maar ook oppermachtigen zonnekoning Lodewijk XIV. Zwak en ziekelijk, nooit een dag zonder hoofdpijn, miskend en achteraf gezet in zijn jonge jaren, zoo wies hij op in Hollands tuin als een kwijnend eike-boompje onder de schaduw van machtige beuken.
De dag kwam, dat Holland in last was en de boomen des wouds geveld lagen ; maar hij werd staande gehouden en met hem de zaak der vrijheid.
Doch toen hij in 1702 kinderloos stierf, was zijn neef, de kleinzoon van Willem Frederik en Albertine Agnes, nog maar veertien jaren oud. Ook deze knaap, de dappere Johan Willem Friso, was veelbelovend en wekte bij zijn opwassen de stoutste verwachtingen.
Het scheen evenwel, alsof de Heer ons leeren wilde, dat niet de gaven der Oranjes, niet de voortreffelijkheid van Zijn schepping, maar Hij zelf, als de Gever en Maker, de toevlucht van ons volk moest zijn. De jonge generaal trok uit en kwam om.
Toen de treurmare in 1711 door ons land ging, dat Johan Willem Friso verdronken was bij den overtocht van het Hollandsch Diep, klaagde elk, dat Oranje ons nu ontvallen was. Maar ziet, na zijn dood werd zijn hoogstaande vrouw, de Hessische prinses Maria Louise, nog moeder. En weder luidden de klokken om het kind dat geboren, den zoon, die gegeven was !
Hoe goed was ons de Heer, dat dit kind, toen het op vijftienjarigen leeftijd een val deed, hetwelk zijn gestalte voor het leven misvormde, het leven niet verloor. Want Willem IV zou hij eenmaal heeten en den schakel vormen van ons Vorstenhuis.
Weer stierf de Oranje-vorst, in de kracht zijns levens. Reeds in 1751 werd hij ten grave gedragen, en wéér was een toegewijde buitenlandsche prinses draagster en verzorgster van Nêerlands kostbaarst bezit.
Een driejarige knaap, onder voogdij zijner moeder, prinses Anna van Engeland, wies op om eenmaal Willem V te zijn.
O, men heeft hem wel verjaagd en hij is wel in ballingschap gestorven, maar Nederland heeft den zoon uit de zee teruggehaald, en toen hij binnenkwam in het najaar van 1813, toen was het niet te veel, wat er gegrift werd in de Scheveningsche gedenknaald dezer gebeurtenis : „God redde Nederland, "
En nu, sinds 1890, wéér één enkel kind, wéér een hoogstaande regentes om het te verzorgen, wéér maar één leven, één kostbaar Oranje-leven, als om ons te doen beseffen, dat God ons een genade schonk, Hoe goed was ons de Heer bij haar opwassen en regeering. Het kind wordt koningin, wordt vrouw, wordt moeder : weer is het ééne prinses, een gift van den Hemel aan ons land en volk. En daarom willen wij danken, dat wij ook nu nog leven bij het genot van de gunst, die God ons volk de eeuwen door bewezen heeft, en willen, wij bidden voor den vader en voor de drie vrouwen, die de lijn van de historie tot onzen dag doortrekken. Wie haar drieën ziet in deze dagen, naast den prins gemaal, zal niet mogen verzuimen iets van dit alles te bedenken en bij den Heer te pleiten voor ons kostbaar bezit.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 september 1923
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 september 1923
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's