De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

14 minuten leestijd

Het leven Christus. Indien gij dan met Christus opgewekt zijt, zoo zoekt de dingen die boven zijn, waar Christus is, zittende aan de rechterhand Gods. Bedenkt de dingen, die boven zijn, niet die op de aarde zijn. Want gij zijt gestorven, en uw leven is met Christus verborgen in God. Wanneer nu Christus zal geopenbaard zijn, die ons leven is, dan zult ook gij met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid. Colossenzen 3 vers 1—4.

Het leven Christus        
De man van de wereld ziet altijd met een eenigszins meewarigen blik naar degenen, die God dienen. Dat lijkt hem een moeilijk slavenleven, om altijd de geboden des Heeren in acht te moeten nemen, nooit eens te kunnen doen wat men zelf wil, altijd gebonden te zijn. Maar daarmee bewijst hij niets te verstaan van het nieuwe leven, dat God schenkt. Dat is toch juist een vrij gemaakt zijn van de zonde, die eertijds den zondaar in zijn macht hield. Het leven der kinderen Gods is een leven der vrijheid. Het leven naar Gods geboden is voor hen geen dwang. Dat is de lust des harten geworden.
Het gebod Gods wordt, zooals alle geboden, drukkend voor dengene, die het niet wil onderhouden. Wie de wet Gods toestemt, dat ze goed is, en toch niet in zijn hart de begeerte heeft te leven naar die wet, voor dien wordt ze een last, als hij toch rechtvaardig voor God poogt te zijn. Want dan gaat hij die wet beoefenen, en hij zou veel liever de inspraak van zijn natuurlijk hart volgen.
Dat is het werken van den Parizeer, die niet verstaat dat de wet geestelijk is. En zoo'n Parizeer, daar heeft de man van de wereld wel gelijk in, heeft een moeilijk slavenleven. En omdat onder hen, die Christenen genaamd worden, nog zooveel Farizeërs zijn, is het te begrijpen dat de wereldling zich vergist in het leven van den waren Christen.
Het verval van de Kerk in onze dagen staat hiermee'ten nauwste in verband. We zien een groote groep onverschilligen, die zich afkeert van de Kerk en daartegenover een groep, die zich met hand en tand vastklemt aan de voorvaderlijke leerstukken, maar waar onder zoo weinig leven gevonden wordt. Zij vergenoegen zich met het voldoen aan enkele uiterlijke voorschriften, en daardoor onderscheiden zij zich van de wereld en stellen zij zich tegenover de wereld en sluiten zij zich aan bij de Gemeente des Heeren. En dat is niet bevorderlijk voor de gezonde ontwikkeling van die Gemeente Gods. Dat de wereldling daardoor een verkeerden kijk krijgt op Gods Kerk, is nog zoo erg niet, maar er wordt zoo in haar licht iets ingedragen van dat verkeerde beginsel, van een uiterlijke wets betrachting, en aan het kind Gods wordt zijn vrijheid ontnomen, die het in Christus heeft, en het wordt wederom met het juk der dienstbaarheid belast.
Wij kunnen daarom nooit genoeg nadruk daarop leggen, dat het leven van Gods kinderen geworden is een leven in Christus, die de Zijnen vrijgemaakt heeft van de wet. „Staat dan in de vrijheid met welke Christus u heeft vrijgemaakt!" De apostel Paulus heeft zooveel gewaarschuwd tegen die elementen in de gemeente, die het leven van Gods kinderen wilden losma­ ken van Christus, om hen weer terug te voeren tot het zoeken van een leven door eigen krachtsinspanning.
Een weg der heiligmaking, waarin Christus niet de drijvende kracht is, wat zien we dat weer veel in onze dagen ! De mensoh wordt weer op den troon geheven en Christus raakt op den achtergrond. Het wordt in plaats van God, die te prijzen is tot in alle eeuwigheid : God, die den mensch maakt tot iemand, die te prijzen is.
Ja, wat worden in onzen tijd weer dezelfde dwalingen openbaar, als in Paulus' dagen. In de gemeente van Colosse waren ook dwaalleer binnengeslopen, die leerden, dat men dan eerst tot het ware leven met God geraakt, als men door onthouding van verschillende zaken en door lichaamskastijding onder de macht van geestelijke, Gode vijandige overheden en krachten weet uit te komen.
Maar Paulus wijst er op, dat Christus reeds alle Gode vijandige overheden en machten van hun kracht beroofd en over hen getriumpheerd heeft.
Om nu zelf nog met middelen aan te komen, om die machten te bestrijden, is dus een loslaten van Christus als het Hoofd der gemeente, die den Zijnen alles schenkt uit Zijne volheid.
Die dwaalleeraars zagen in de stoffelijke wereld als zoodanig een Gode vijandig iets en wilden daarom den mensch losmaken van den band aan de stoffelijke wereld, door het lichaam te kastijden en te gewennen aan ontberingen, om zoo los te komen van de aardsche behoeften. Omdat de zonde volgens hen in het stoffelijke lichaam huisde, moest dat lichaam geoefend worden, om het maar ten onder te kunnen houden. Zoo werden geheel uitwendige zaken weer voor hen van belang, zooals de onthoudingen van spijs en drank, het houden van feestdagen en nieuwe manen en sabbatthen.
Maar Paulus vraagt hun, hoe ze, na met Christus de uiterlijke voorschriften van de wereld te zijn afgestorven, nog kunnen leven naar geboden en inzettingen van menschen. Neen, zegt Paulus, indien gij dan met Christus opgewekt zijt, zoo zoekt de dingen die boven zijn, waar Christus is, zittende ter rechterhand Gods.
Het eerste, waar Paulus dus van uitgaat, is het opgewekt zijn met Christus. Daaruit vloeien voor den Christen verschillende zaken voort. Paulus ziet het leven van den Christen als een leven in en . met Christus. Een Christen is iemand, die deel heeft aan Christus, welk deelgenootschap de Christen door het geloof aanvaardt en ervaart. En wie deel heeft aan Christus, heeft óok deel aan Zijn opstanding, is het nieuwe leven deelachtig, dat Christus aan het licht heeft gebracht.
Maar als dat dan zoo is, zegt Paulus, als gij met Christus opgewekt zijt en staat in het geloof in de kracht van Christus, waardoor Hij uit den dood verrees, zoek dan ook alles wat ge noodig hebt bij Christus. Bedenkt de dingen, die boven zijn, niet die op de aarde zijn.
Wie met Christus opgewekt is, moet ook zoeken de sfeer, waar Christus zich bevindt, en dat is het hemelsche, waar Christus aan de rechterhand Gods zit. Christus is degene, die de Zijnen draagt en bewaart, op Hem alleen moeten dus de Zijnen hopen.
Waartoe zal Zijn volk zich nog bezig-houden met het aardsche? Als Christus alles is, waarom dan nog te luisteren naar geboden en inzettingen van menschen, te letten op ceremoniën, feesten, nieuwe maanden, sabbatthen, spijswetten ? Al dat zichtbare is toch voorbij, had maar een schaduw der toekomende dingen, wees heen op Christus? Nu Christus er is, en eigendom door het geloof geworden is, nu moet er toch niet zijn een terugvallen tot het aardsche ? Als in Christus het leven is, moet toch geen heerlijkheid gezocht worden buiten Hem, door den geest te lüujtferen door uiterlijke middelen, die het lichaam ten onder houden.
We moeten er op letten, dat als Paulus hier vermaant niet te bedenken de dingen die op de aarde zijn, hij het niet heeft over den arbeid op aarde, want die moet zeer zeker verricht worden. Ook niet over de zonden en ongerechtigheden van den mensch, die ook behooren tot de dingen die op de aarde zijn. Daar mogen we zeker wel eens bij stilstaan ; ook de geloovigen, om die hoe langer hoe meer te haten en te vlieden.
De dingen van de aarde, die we niet moeten bedenken, zijn de aardsche middelen tot bevordering van onze zaligheid. Die zaligheid moet alleen in Christus liggen, en daartoe moet het oog naar boven geslagen ! Het zwaartepunt moet niet meer liggen op de aarde, maar in den hemel. Hoog, omhoog, het hart naar boven ! Hier beneden is het niet.
Maar, zal iemand zeggen, die gemeente van Colosse met haar dwaal-, leeraars, die met aardsche middelen een heiligheid zochten te verwerven hier op aarde, die had dat.woord van Paulus noodig, maar wij, moeten wij ook nog naar boven gewezen worden?
Och, de natuurlijke mensch moet altijd gewezen worden op Christus in den hemel, want hij blijft zijn heil zoeken op de aarde door eigen werk en in eigen kracht. Dat Christus de eenige is, die hem zou kunnen redden, gevoelt hij niet. Tot zulk een is het altijd op zijn plaats te zeggen : de dingen van de aarde zullen u niet baten, zoek het toch boven, bij Christus, aan de rechterhand Gods zittend, triumpheerend over de machten van zonde en duisternis.
Maar Paulus spreekt tot menschen, die kennis van Christus hebben. Hij zegt: als dat dan zoo is, dat ge met Christus opgewekt zijt, zoo zoekt de dingen die boven zijn. Maar ook voor dat woord is in onzen tijd plaats. Ook in onzen tijd worden door degenen, die op Christus hebben leeren zien, nog veel te veel de dingen der aarde bedacht. Een weg van heiligmaking wordt nog dikwijls op gelijke wijze als in Colosse gezocht door middel van : raak niet, smaak niet en roer niet aan. Maar zich ontdoen van uitwendige zaken, is dat een aandoen van Christus, is dat een zoeken van de dingen, die boven zijn ? Deze dingen hebben wel een schijnrede van nederigheid en van het vieesch niet te sparen, maar ze zijn niet in eenige waarde, omdat ze het hart laten zooals het is ; ze zijn alleen tot verzadiging des vleesches. Men meent een daad verricht te hebben, maar men heeft alleen gewerkt met de dingen, die op de aarde zijn. De gedachten zijn niet opgestegen naar boven, waar Christus is, want dan valt het aardsche weg en zien we het zondige niet meer in de doode stof. Het stoffelijke doet ons niet zondigen, maar ons booze hart, en daarvoor is alleen redding bij Jezus Christus. Naar Hem moet immer ons oog gericht zijn. Niet naar de dingen van de aarde. Zoovele kleingeloovigen zien naar de aarde, inplaats van naar boven. Zij zien op hun treurigen toestand. Hun gebrek aan licht, hun doodigheid, hun wereldschgezindheid doet hen bedroefd terneder zitten. Daar zien ze naar, hoe slecht het met hen gesteld is. Ze wachten op beterschap bij zichzelf, of er in hun zielstoestand geen verandering komt.
Maar dat is ook een zoeken van de dingen, die beneden zijn. Hoe zou het spoedig anders met hen worden, als zij den blik naar boven sloegen, waar Chris tus is, zittende ter rechterhand Gods. Christus, die alle vijandige machten onderworpen heeft, die ook genezing heeft voor de kwalen van het menschenhart, die alles schenkt uit Zijne volheid, als het geloofsoog maar op Hem gericht is. Voor ieder, die iets heeft ervaren van Cnnstus' Kracni, waarmee 013 uu uen dood opstond en ook den dooden zondaar levend maakt, is de vermaning : Bedenkt de dingen, die boven zijn, waar Christus is. Laat uw gedachten toch mogen verwijlen bij uw Heiland. Dat ge u daarin moogt verdiepen, wat Hij deed en wat Hij nog doet aan 's Vaders rechterhand, maar zoek geen steun in iets van deze aarde.
„Indien gij met Christus opgewekt zijt", zegt Paulus. Maar het opstaan met Christus veronderstelt eerst te sterven met Christus. Hier wijst Paulus ook op : „Want gij zijt gestorven." Qij, de oude mensch, die eertijds in de wereld leefde, zijt gestorven. Eertijds hebt gij een leven gezocht in uzelven. Qij meendet door eigen kracht de zaligheid te zullen beërven. Qij bediéndet u van de middelen, die deze wereld aanbood : van maatschappelijke deugd, van een uitwendig onberispelijk leven, van het nakomen van uiterlijke godsdienstplichten. Qij onderhieldt dagen en feesten en oefeningen des Uchaams. Maar nu zijt gij gestorven, gij hebt den dood leeren schrijven op al uw werken. Uw vroegere vermeende voortreffelijkheden zijn nu door u gezien als behoorende tot de wereld, die in het booze ligt, waarvan gij afgestorven zijt door Christus in het geloof u toe te eigenen in Zijn sterven.
Maar dat de gemeente van Christus zich dat duidelijk voor oogen stelle, dat ze het die wereld en die wereldsche middelen niets meer te maken heeft. Dat oude leven naar de wereld is dood, het nieuwe leven is het leven in Christus. En dat leven is een geheel andersoortig leven.
Gij zijt gestorven en uw leven is met Christus verborgen in Qod, Dat leven is verborgen.
Het oude leven was een leven, dat zichtbaar was. Dat bestond in het volbrengen van uiterlijke, aardsche geboden : in het gebruiken van uiterlijke, aardsche middelen.
Het nieuwe leven is een verborgen gemeenschap des harten met God ; dat is overgeplaatst uit het tastbare, uit het aardsche leven, in het onzichtbare leven waarin God alles is. Het nieuwe leven is een innerlijk, geestelijk leven. Er moet dus ook niet gezocht worden naar uiterlijke kenteekenen, om dat leven te onderkennen. Dat leven is met Christus verborgen in God.
Maar deze uitspraak wijst ons tevens op iets anders. Door het verborgen karakter van dat leven zou men kunnen gaan twijfelen aan het bestaan van dat leven. Wij zien niets tastbaars, niets waarneembaars door de zintuigen. Maar hier is een veel vastere grond voor dit leven dan eenig uiterlijk teeken, het-is een leven, verborgen in God.
Als dat door het geloof, verstaan wordt hebben we geen behoefte meer aan andere zekerheid. Want als we vertrouwen mogen dat ons leven in God is, dan wordt het bijzaak wie wij zijn. Al blijven wij dan onvaste, trouwelooze menschen, die tot allerlei afwijking geneigd zijn, dan ligt onze vastheid daarin, dat Hij, Die ons roept, getrouw is, die het ook doen zal.
En dat leven is met Christus verborgen in God. Christus is degene, die tot het leven in God brengt. Deelgenootschap aan Christus in lijden, sterven en opstaan, Drengt tot verlossing van straf en macht der zonde en tot de opwaking van 't nieuwe leven in God En buiten den Christus is er geen leven. Laten we daarom nooit iets anders zoeken dan dat ons leven maar met die Bron des levens in verbinding mag staan.
Geen nood, al is dat leven verborgen. Het is een in hope zalig worden. En om te beproeven of uw hoop echt is, moet dat leven aan deze zijde des grafs verborgen blijven, mag het geen grond vinden in iets van de zinnelijke wereld. En dat hebben we allen noodig, opdat wij als het ware van alle zijden omringd door den dood, het leven ergens elders zouden zoeken, dan in deze wereld. En als we zoo ons leven buiten ons stellen in Qod verborgen met Christus, dan verwachten we ook geen hemelsche heerlijkheid meer hier op aarde, om die ons bij te brengen met aard - sche middelen. Zoo doet de kluizenaar, die zich terugtrekt uit de wereld om hem heen en die door zelfkastijding en ontbering zijn geest zoekt los te maken van zijn lichaam, om hier reeds de heerlijkheid Gods te mogen aanschouwen.
Maar als Christus het leven van ons leven is, dan wachten we geduldig tot Christus de heerlijkheid des Heeren aan het licht zal brengen. Nu is het leven nog met Christus verborgen in God, maar wanneer Christus zal geopenbaard zijn, die ons leven is, dan zullen ook wij met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid.
Wie waarlijk alles in Christus vindt, zoekt geen heerlijkheid buiten Hem. En Christus' heerlijkheid is nog niet geopenbaard voor het gansche heelal. Door het geloof kunnen we Christus zien met eer en heerlijkheid gekroond, zittende aan des Vaders rechterhand-En dat moet ons genoeg zijn om te vertrouwen, dat Hij die eens alom zal openbaren.
Maar nu zien wij nog niet, dat Hem alle dingen onderworpen zijn en laat dat er ons nooit toe verleiden om buiten Hem om de machten te bestrijden.
die ons gedurig belagen en gedurig in de zonde doen vallen, waardoor het leven met Christus in God verduisterd wordt.
Hoe droevig ook zijn de openbaringen van de zonde in en om ons, en hoezeer die ook de openbaring van het leven in de heerlijkheid Gods tegenstaan, het is ijdel om zelf door uiterlijke middelen te zoeken hier al iets van die heerlijkheid aan den dag te brengen. Eerst als Christus Zelf openlijk zal verschijnen als de Heere van hemel en aarde, dan zal ook uw leven, dat in Hem is, openbaar en zichtbaar worden op heerlijke wijze. Dan zal de verborgen gemeenschap des levens met Christus in God tot een openbaar, heerlijk leven geworden zijn in het licht dat van den Heere uitstraalt, zonder onderschept te worden door macht van zonde en duisternis.
Zoeken we die heerlijkheid dan niet aan deze zijde van het graf. Want het zal blijven een bedriegelijke schijn, die alleen tot verzadiging des vleesches kan zijn, als we meenen die heerlijkheid reeds te bezitten. En het zal tot een treurend leven leiden, als we meenen, dat we die heerlijkheid ten onrechte missen. Maar als we de heerlijkheid zoeken daarboven, waar Christus is, om met Christus geopenbaard te worden in heerlijkheid, dan gaan we rusten op de onveranderlijke steenrots, Jezus Christus. Dan zoeken we niets wat 't vleesch kan. behagen, maar dan blijft het : niets uit ons, maar al uit Hem, Zijn Naam ten prijs.

Lbr.

- B.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 september 1923

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 september 1923

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's