Uit de Pers.
Kerkbouw-stijl.
B o u w s t ij l. In zijn Amerikaansche lezingen heeft dr. A. Kuyper Sr. ons aangetoond, dat Calvinisme en Kunst niet vijandig tegenover elkaar staan.
Wie echter de kerkgebouwen der Calvinisten in steden en dorpen nagaat, komt haast tot een andere conclusie, aldus lezen we in de Gereform., Rijnlandsche Kerkbode."
Ik denk nu niet aan de laatst gebouwde kerken, maar aan de meeste gebouwen, die van 1834 af en na 1886 door de Gereformeerden in Nederland voor hun godsdienstige samenkomsten zijn gekozen.
Veelal staan zij achteraf, in een steeg, achter de pastorie of in een gedeelte der stad waar niemand een kerkgebouw zou zoeken.
Wat den vorm betreft, zijn het veelal bloot vier muren met een dak er op, langwerpig vierkant, heel geschikt bij verkoop voor een graan-of kaaspakhuis. Het eenige, dat aan een kerkgebouw doet denken is de vrij breede deur in den voorgevel en de z.g. kerkramen, die de nieuwe eigenaar soms maar laat zitten, als het een pakhuis is geworden.
De nieuwe kerkgebouwen vertoonen gelukkig in den regel een ander aanzien. Meestal wordt nu voor het ontwerpen van een plan een architect gekozen, die weet dat lijnen gedachten uitdrukten en dat een combinatie van lijnen spreekt tot het gemoed. Ook de kleuren komen tegenwoordig in aanmerking.
Onze kerkgebouwen zijn geen tempels, waar God woont, op schaduwachtige wijze of in heidenschen zin. Dat willen wij er dan ook niet van maken. Maar waarom zoeken wij in huis gezelligheid in de meubileering aan te brengen en waarom zouden wij dan niet in ons kerkgebouw den vorm zoeken te bezielen door de gedachte, die er in gelegd kan worden ?
In heel kleine kerkgebouwen kan moeilijk veel tot uitdrukking komen, maar dat kan heel goed in ietwat grootere gebouwen.
Het is toe te juichen dat onze BOUWkunstenaars niet alleen rekenen met acoustiek, brandgevaar, luchtigheid en gemakkelijk zitten, maar ook met de bestemming van het kerkgebouw. Alles moet medewerken om dit doel na te jagen en op de stemming van prediker en kerkgangers te werken.
De kruisvorm herinnere ons evenals het torenkruis (met den haan of met een ander symbool er op) aan het karakter der kruisgemeente en de verzoening door het kruis van Golgotha.
De toren wijze hemelwaarts om onze gedachten op te leiden tot onzen Koning Christus en tot het hemelsche Jeruzalem.
De groote deur met de beide kleine zijdeuren zijn symbool van de belijdenis der Drieëenbeid, waarbij de kleine deur ons spreke van de enge poort, die ten leven leidt.
De twee-en driedeelige ramen mogen getuigen van de twee tafelen der Wet des Drieëenigen Gods, welke Hij Zijn volk steeds voorhoudt.
De gekleurde glazen brengen de belofte des Heeren tot de vergaderde Gemeente : Gij verdrukte, door onweder voortgedrevene, ongetrooste, zie Ik zal uwe steenen gansch sierlijk leggen, en ik zal u op saffieren grondvesten en uwe glasvensters zal Ik kristallijnen maken en uwe poorten robijnsteenen en uwe gansche landpale van aangename steenen.
Boog en-spits moeten medewerken om op te voeren tot den Schepper des hemels en der aarde, die trouwe houdt.
Het gebeier der klok roepe bij het aangaan der kerk uit, dat er verzoening is en verlossing. Het zij een triumflied voor de Gemeente bij het opgaan naar het bedehuis.
Die stem uit den hooge doe verstommen alle gesprek dat ontwijdt en geleide onzen voet naar bet huis des gebeds als tot een voorportaal van het Vaderhuis met zijn vele woningen.
Een nieuwe secte.
In „The Banner" waarschuwt dr. H. Beest tegen een nieuwe secte. Zij treedt op onder den naam van „Het Israëlitische huis van David", en heeft haar hoofdzetel in Benton Harber, in den Staat Michigan (Noord-Amerika).
Een zekere Benjamin Purnell staat aan het hoofd als „de Koning" er van. Hij zelf noemt zich „de zevende engel", waarvan in Openb. 10 vers 7 geschreven staat: „Maar in de dagen der stem des zevenden engels, wanneer liij bazuinen zal, zoo zal de verborgenheid Gods vervuld worden, gelijk Hij zijnen dienstknechten, den profeten verkondigd heeft."
Benjamin is een man, van wiens verleden weinig is te zeggen, maar van wiens onzedelijkheid de bladen zooveel vertellen, dat als slechts één tiende er van waar is, het reeds meer dan erg is. Hij is een ongeletterd man bovendien, maar toch heeft hij honderden volgelingen, niet alleen in Amerika, maar ook in Australië en elders.
Zijn leer is een vermenging van waarheid en leugen. Zij is beschreven in een boek, getiteld : „De sleutel van het huis van David, een boek over de wedervergadering en herstelling van Israël."
Dit „huis van David", zooals deze secte zich noemt, houdt er allerlei dwalingen op na. Onderscheid wordt gemaakt tusschen Jezus en Christus. Jezus had een begin des levens, maar Christus had gelijk Melchizédek, noch begin noch einde des levens. Jezus was het offer en Christus de offeraar. De Christus maakte zich los van Jezus, die gekruist werd, toen deze aan het kruis uitriep : „Waarom hebt gij mij' verlaten ? " want Jezus had niet kunnen sterven, wanneer Christus niet uit hem was uitgegaan. Deze dwaling herinnert aan de oude doling der Ebeonieten en Cerinthus, zoodat deze nieuwe Israëlieten bij de oude gnostieken ter schole schijnen geweest te zijn. Evenals deze leeren zij ook, dat God de auteur is van 't kwaad. Hemel en hel zijn op deze aarde en de vrucht van Adam's en Eva's zonde was Kaïn, de eerste moordenaar.
Deze secte meent de 144 duizend uit Israël verkorenen te moeten verzamelen. Zij verwachten niet te zullen sterven, maar de wederkomst van Christus te zullen beleven. Zelfs past Benjamin Purnell op zichzelf den tekst toe : „Een man zal uit zijne plaats spruiten en hij zal des Heeren tempel bouwen", welke plaats op Christus ziet. Ook is hij het kind, dat bij Christus stond, toen Hij zeide : „Die dit kind ontvangt in Mijnen naam, die ontvangt Mij."
Dat zulk een secte nog volgelingen kan hebben, zegt dr. Beets, is een bewijs „hoe gemakkelijk de mensch kan verleid worden, vooral als hij niet is gefundeerd in de zuivere leer van Gods Woord. Wij vertrouwen, dat niet één van ons volk medegevoerd zal worden uit de schaapskooi om met deze kettersche secte in gemeenschap te treden."
Zoo zien wij oude dwalingen, telkens in een nieuw kleed gehuld, zich weer openbaren. Evenals vroeger de Mormonen en later de Adventisten, meenen zij 'n spoedige wederkomst des Heeren te moeten preeken, om alzoo aanhangers voor hun secte te verkrijgen. De vraag, wanneer Christus wederkeert, is voor hen belangrijker dan de vraag, hoe men door Christus zalig wordt. Zoo zijn er vele secten opgestaan, die het verkondigen : „Hier is de Christus", en velen trachten te verleiden.
En wat al teleurstelling heeft dat aankondigen van de spoedige wederkomst des Heeren al gebracht. Zelfs J. A. Bengel voorspelde die komst, als zullende plaats hebben in 1836. Later weer anderen, o.a. de adventist Miller, die 1844 als jaar van wederkomst aannam. Het ergste maakte het de bedrieger Thurmann te Chicago, die voorspelde, dat vóór het einde van 1875 een zondvloed zou komen. Alleen die zich bij hem voeg den, zouden gespaard blijven. Hij vormde een genootschap op aandeelen om een groote ark te bouwen. Een aandeel van 50 dollars gaf recht op een plaats in de eerste kajuit, van 20 dollars op een tusschendek-plaats. De ark is nimmer gebouwd en de aandeelhouders wa ren hun geld kwijt. Nog altijd geldt Christus' Woord, Matth. 24 vers 11 : „En vele valsche profeten zullen opstaan en zullen er velen verleiden."
Wij namen deze mededeeling over, omdat ook in ons land zulke dwaalgeesten uitgaan. Inzonderheid werken de Mormonen onder de eenvoudigen om ze te verleiden. Ook ons volk zij gewaarschuwd tegen hun zendelingen, die met vrome praatjes hun verderfelijke leeringen trachten te verbergen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 september 1923
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 september 1923
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's