Stichtelijke overdenking.
Ik weet den dag mijns doods niet. Genesis 27 vers 2b.
De dag mijns doods.
Het jaargetijde, waarin gij leeft, herinnert u op allerlei wijze aan de vergankelijkheid des levens.
„Alles gaat voorbij", zoo fluistert het vallende blad. „Alles gaat voorbij", zoo lispelt de verflenste bloem en plant. En de herfststorm, die huilt door de kale en ontbloote bosschen, roept met luide stem u toe dat sombere, weemoedige woord : „Voorbij, voorbij !"
O ! die sprake van God in het herfstjaargetijde kan zulk een indruk maken ! Dat vallend loover kan u ontroeren tot in het diepst uwer ziel, als het u er op wijst, dat de mensch, hoe vast hij staat, ook enkel ijdelheid is. Dan worden die dorrende bladeren voor een vergankelijk sterveling brieven van den dood, die hem melden : „Wij vallen af als een blad."
Het is den mensch gezet eenmaal te sterven en daarna het oordeel. En dat sterven is de bezoldiging der zonde, zoodat de mensch dood is in zonden en misdaden, dus geestelijk dood van nature, den lichamelijken dood tegemoet gaat en als hij sterft, zooals hij geboren werd, den eeuwigen dood heeft te wachten.
Hoe vreeselijk is de macht van dien drievoudigen dood ! Hoeveel verwoestingen richt hij aan ! Hoeveel tranen werden daarom geschreid, als het huis plotseling een verlaten en eenzaam huis was geworden en daar een ledige stoel stond of een ledige wieg werd gezien ! Hoe ging de ziel gebukt onder den looden last der zonde ! Hoe kon de bange gedachte aan dood en eeuwigheid lhet hart doen ontroeren en sidderen !
Zalig de beproefde, bedroefde en neer gebogene, die door de nevelen der smart de weenende oogen en het treurende hart mocht wenden tot den Zieletrooster Jezus Christus, die voor al Zijn gunstgenooten zonde, dood en hel overwon, die het leven en de onverderfelijkheid aan het licht bracht en aan dooden wonderen kan doen.
Komt, overdenken wij dan ons tekstwoord, waarin wij bepaald worden bij de onzekerheid van het leven en bij den ernst van het sterven, om daarna ter toepassing te vragen: „Wat zal die doodsdag voor u zijn ? "
Ik weet den dag mijns doods niet. Deze woorden zelven leveren een treffend blijk hoe weinig men, weet van den dag zijns doods. Izaak heeft ze gesproken, toen hij honderddertig jaren oud was. Hij dacht, dat zijn einde naderde. Daarom verlangde hij zijn zoon Ezau te zegenen, anders mocht de dag des doods hem overvallen. Hij wenschte alle zijne zaken vooraf te regelen, en ziet, nog vijftig jaren bijkans heeft hij na dezen dag geleefd.
Doorgaans is het anders, en wanen wij het doodsuur nog verre als 't reeds zeer nabij is, en het gewichtigste, het ééne noodige, is niet afgedaan, misschien niet eens begonnen, wanneer de zon van het leven ondergaat. Hoe onzeker is het leven ! Gods wijsheid houdt 's menschen doodsdag voor hem verborgen. Wij weten den dag van onzen dood niet. Wij weten niet op welken tijd, op welke plaats en op welke wijze hij komen zal. Maar dat hij komt, die geduchte dag, dat weten wij zeker. En dat hij onophoudelijk nadert, weten wij óok.
Wij zijn stervelingen. En waarom ? Omdat wij zondaren zijn, die moedwillig en vrijwillig Gods gebod hebben overtreden. Door ongehoorzaamheid zijn wij gevallen en het vreeselijk vonnis : „Ten dage als gij van den boom der kennis des goeds en des kwaads eet, zult gij den dood sterven", wordt sedert den val aan het menschelijk geslacht voltrokken.
Hoe duidelijk herinnert de apostel Paulus daar aan in den brief aan de Romeinen, als hij zegt, dat door éénen mensch de zonde in de wereld ingekomen is, en door de zonde de dood, en alzóó de dood tot alle menschen doorgegaan is, in welken allen gezondigd hebben.
Het geheele menschelijke geslacht, uit éénen bloede geschapen, is nu door de zonde verdorven geworden en staat schuldig voor den Heere. De geheele boom van het menschdom is van het zondebederf doortrokken. Het begon bij den wortel en trok door den stam tot in de uiterste takken en bladeren. En nu was het gevolg van de zonde de dood, zoodat het menschelijke geslacht aan de eeuwige verdoemenis onderworpen is. Reeds bij de geboorte van ieder mensch is die kiem van zonde en dood aanwezig en heerscht en werkt voort, zoodat hij van nature een arm, verloren, dooden doemwaardig schuldenaar voor God is ! O ! welk een vreeselijke bezoldiging der zonde is de dood ! Hij wordt ons geteekend in het boek Job als een koning der verschrikkingen, en hoe menigeen siddert bij zijn komst ! Hoe menigeen huivert bij de gedachte aan zijne nadering ! Hoe menigeen krimpt ineen van angst bij het gevoel van zijn overmacht !
Hij komt niet alleen op den laatsten dag van het leven, maar hij werkt in onze leden lederen dag. Het is zoo waar, wat er staat in het doopsformulier: „Wij sterven een gestadigen dood." lederen dag wordt door den mensch een deel van den levensweg afgelegd, lederen dag wordt de afstand van de wieg tot aan het graf korter. De olie in de levenslamp vermindert voortdurend, totdat er geen voorraad meer is en geen vonkje meer gloort en het levenslicht is uitgebrand. ledere klokslag een schrede nader bij het graf en eenmaal wordt gehoord de laatste klokslag, die den levenstijd doet stilstaan. Eenmaal de laatste golfslag, die de levensboot doet zinken. Eenmaal de laatste polsslag, die de levenskracht doet ophouden. Bladzijde na bladzijde wordt omgeslagen, van het levensboek en ten slotte plaatst de dood met zijn koude, kille hand daaronder op de laatste bladzijde het woord : „Einde", en het is gedaan hier beneden.
Wanneer ?
„Ik weet den dag mijns doods niet", zegt de aartsvader.
M ij n doodsdag —" welk een gevoel grijpt u aan bij dat plechtige woord — m ij n doodsdag, hij is bepaald, hij kan niet veranderd worden en ik zal hem geen uur overschrijden.
Mijn doodsdag, hij nadert, of wij naderen hem, met iederen morgen, dien wij beleven, een gewisse schrede — heden al weder dichter dan gisteren, morgen al weder dichter dan heden, totdat er geen morgen meer aanbreekt.
Wij houden aanteekening van de sterfdagen der onzen, haast zullen zij het ook van den onzen doen. Dan worden onze namen opgeschreven in 't groote doodenregister, wij behooren niet meer tot de levenden, wij zijn geen aardbewoners meer. Onze doodsdag rukt ons weg uit de armen der onzen, uit onze bezigheden, uit onze genietingen, uit het lichaam dezes doods, dat neergelegd in de enge kist, wordt gedragen in 't graf.
Er is in dat opzicht geen onderscheid, geen aanzien des persoons. Hetzij de mensch in purper of fijn lijnwaad is gekleed of in lompen gehuld. Hetzij hij woont in een kasteel der weelde of in een eenvoudige stulp. Hetzij hij den scepter der macht zwaait over een geheel koninkrijk, hetzij hij een stille in den lande is, vergeten en niet opgemerkt. Eer en macht, rijkdom en genot, 't neemt alles een einde, men kan den dood niet afkoopen, 't moet alles worden achtergelaten in den dag der scheiding, onzen doodsdag, en ons lichaam zinkt neder in de groeve der vertering.
Ontroerende gedachte ! Wat zwoegt een handvol stofs om goederen bijeen te vergaderen en om ruste te vinden op zijn ouden dag, maar ach ! voordat de oude dag is bereikt, zinkt vaak de aardsche tabernakel van dit lichaam ineen.
„IJdelheid is 't hier beneden. IJdelheid der ijdelheden Al 't wereldsche ijdelheid.
Damp, des morgens vroeg vervliegend, Droom, den slapende bedriegend, Schaduw aan den wand verspreid !"
Arme sterveling ! Slechts ééne schrede is er tusschen u en tusschen den dood. Ieder oogenblik kan hij u inhalen en grijpen en tot zijn slachtoffer maken, leder oogenblik kan de vuurstraal des doods u treffen. Ieder uur in gevaar. Beklagenswaardige ! die nog hoopt op dit leven! Onophoudelijk dreunt de rouwklok des doods door uw leven ! Het is alles onbetrouwbaar, broos en kortstondig! Een wegwellende zandgrond ! Straks komen de loeiende stormen en de bruisende golven en slaan bulderend tegen uw levenshuis aan en het zal vallen en zijn val is groot! Hoort gij niet in de verte de nadering van 't dreigend gevaar? Ziet gij niet de voorteekenen van een onheilspellende verwoesting? Gevoelt gij niet dat het vonnis zal worden voltrokken ? Vreest gij niet voor het oordeel dat komt als een zwaard in de wolken ? Daar is niemand, die dien dag ontvluchten kan. O ! die geduchte dag, dag der beslissing, dag der ontknooping, laatste der dagen, mijn doodsdag !
En hoe komt in de vergankelijkheid van het zienlijke duidelijk uit de ernst van het sterven. Want dit leven, kort en vluchtig, is toch zoo onbeschrijfelijk kostbaar, als wij denken aan hetgeen na dit leven komt. Dit leven is de tijd der genade, de tijd van voorbereiding voor de ontzaglijke eeuwigheid. Er komt voor ieder onzer een doodsdag; wij weten niet wanneer. Maar dit weten wij wèl, dat iedere dag onze doodsdag kan worden. De doodsdag is de laatste der levensdagen hier beneden. Die laatste dag maakt een einde voor ons aan alle aardsche dingen. Die dag verbreekt de banden, die ons binden aan het stof. Het is de dag der scheiding en scheiden doet lijden. Hoe groot is de smart, als dan vaak bet liefste van het harte wordt gescheurd door den dood ! Hoevele gebeden opgezonden en zuchten geslaakt bij de stervenssponde van een zorgenden vader of een teedere moeder ! Hoeveel tranen geschreid bij het graf van dierbare panden, wier oog door den dood werd gebroken en die in de lente als rozen van teere stengels werden afgerukt !
Maar die doodsdag is ook de dag der beslissing. Is de laatste ure voorbij, dan is ook het lot van den mensch voor eeuwig beslist. Dan is geen bekeering meer mogelijk. Dan is de dag der genade voorbij, voorbij voor eeuwig. Dan breekt de eeuwigheid aan. Dan komt de dag des oordeels, waarop de dooden, klein en groot, zullen staan voor den grooten witten troon, waarop Hij is gezeten voor Wien de hemel en de aarde zullen wegvlieden. En die onafzienbare schare zal in dien dag geopenbaard worden voor den rechterstoel van Christus. O ! dag van schrik en ontzetting ! Dag van vergelding, waarop de boeken zullen worden geopend en ook het boek des levens des Lams !
Ernstige dag, die doodsdag, die een einde maakt niet alleen aan onzen levenstijd, maar ook aan de lankmoedigheid en verdraagzaamheid Gods. Vreeselijk zal het zijn voor den zondaar, die dien dag der genade heeft verbeuzeld en verzondigd en de roepstemmen heeft weggelachen, om te vallen in de handen van den levenden God ! Vreeselijk voor hem, die in valsche gerustheid voortleefde, voor den rijke en verrijkte, die met een ingebeelden hemel de hel tegemoet ging ! Vreeselijk voor hem, die buiten Christus leefde, geen Middelaar, geen schuldovememenden Borg bezat voor zijn arme ziele en zonder hope en zonder verwachting het donkere dal der doodsschaduwen in moest ! Vreeselijk voor die allen, die geleefd hebben alsof hier hun tehuis, hun vaderland was, en die geen vreemdelingen Gods zijn geworden, en die het bedriegelijk klatergoud der wereld hebben nagejaagd ! Die zeiden : „Laat ons eten en drinken en vroolijk zijn, want morgen komt onze doodsdag." En die in onverschilligheid en verharding des harten den boozen dag verre stelden. Op wie alle slagen van de roede Gods geen indruk maakten. Die de waarschuwingen des Heeren niet wilden hooren. Die het gevaar dat dreigde, bespotten, aan den rand van den afgrond gerust voortgingen en lachten om het toekomstig oordeel.
O ! hoe zal bet hun eenmaal te moede zijn, als de bazuinen des gerichts hen in de ooren schateren en zij ontwaken, maar nu voor eeuwig te laat !
Voor hen is de doodsdag een vreeselijke dag.
Dit echter mogen Gods kinderen dan weten, dat hun doodsdag hun een dag der verlossing, een dag der overwinning, een dag des levens wezen zal. Menigmaal zuchten zij in dezen aardschen tabernakel: „Wie zal mij verlossen uit 't lichaam dezes doods ? " Dagelijks ondervinden zij de aanvechtingen van satan en wereld, maar ook den treurigen invloed van dit zinnelijke vleesch. Het is een kerker voor de ziel. Als de geest gewillig is, hoe dikwijls'is het vleesch dan zwak. Hoe menigmaal is het moede en mat en verhindert hen in de heiligste bezieheid. De dag des doods zal voor hen een dag der verlossing zijn, waarop de ontboeide ziel tot God den Heere opstijgt om in reiner lucht te ademen; zij zullen overkleed worden met een woonstede die uit denhemel is, als zij gaan inwonen in den Heere.
De dag van zijn dood is voor Gods gekende de laatste dag dat hij een zondaar is. Hebt gij hem de oogen gesloten, hij is een verloste, een overwinnaar, een koning, een priester. Welk een bange strijd is hier gestreden, hoe dikwijls heeft hij onder gedaan, deed hij wat hij niet wilde — van den dag des doods aan voor eeuwig geen strijd, geen zonde meer. Voorwaar, de dag van zijn dood is voor den beminde des Heeren beter dan de dag, waarop hij geboren werd, de dag zijns doods is de dag der overwinning — een dag des levens.
Als hij sterft dan wordt hij eerst recht onsterfelijk, dan wordt al het sterfelijke in hem gedood, dan wordt het sterfelijke als verslonden. De dood is voor hem een doorgang ten leven ; de doodsdag het heden, waarop hij met den Heere in het paradijs zal zijn. Dat toch zal eerst leven mogen heeten voor de ziele, als zij God aanschouwt en Jezus ziet gelijk Hij is en verzadiging van vreugde smaakt aan Gods rechterhand.
Zalig de gekende des Heeren, die zeggen mag : „Eertijds door duisternis en schaduwen des doods bevangen, maar nu wandelend in het licht des levens ; eertijds een kind der hel, nu in Christus uit louter genade een erfgenaam des hemels.
Wat zal de doodsdag voor u zijn ?
Zal hij zijn een poort der hel? Ja, voor u, zondaar ! die Gods roepstemmen hebt versmaad en verworpen, voor u is hij een ingang in den eeuwigen dood, de poort, waarboven geschreven kan worden dat vreeselijke, dat ontzettende woord : „Laat alle hoop, gij, die hier intreedt, varen."
Wat zal de doodsdag voor u zijn, gij, rijke en verrijkte, die aan geen ding gebrek hebt en niet weet, dat gij zijt jammerlijk en ellendig, arm, blind en naakt. Gij beeldt u in dat uw huis op een vasten grondslag en van de ware bouwstoffen is opgericht, maar het bestaat uit hout, hooi en stoppelen van eigengerechtigheid en 't zal tegen de vuurproef niet bestand blijken. Straks komt uw doodsdag, wellicht reeds spoedig, en met al uw waardelooze, ingebeelde schatten, zult gij ledig en onvruchtbaar worden bevonden. Och ! mocht gij door den Heere tot een doodarmen, naakten zondaar worden gemaakt en ophouden om de lompen van uw eigen deugden en verdiensten op te sieren tot een koningsmantel, 'die niet anders is dan een wegwerpelijk kleed voor den Heere.
Wat zal de doodsdag voor u zijn, beproefde, bedroefde, bekommerde, kleine ziele, die klaagt in de duistere raadselwegen, die gij moet gaan : „Mijn weg is voor den Heere verborgen en mijn recht gaat van voor mijnen God voorbij." Gij zoudt zoo gaarne wenschen, dat de doodsdag voor u de poorte des hemels zou openen en gij door genade zoudt mogen ingaan in het hemelsche paleis, maar gij durft u dat heil niet toe te eigenen. Er is zooveel in u dat u telkens temeer buigt en uw neergedrukte ziel doet treuren en weenen. Zooveel zonden, zooveel trekking der wereld in uw harte en duisternis en nevelen rondom u. Gij stort tranen over uwe menigvuldige afdwalingen en kermt om genade, om doorbrekende stralen in de donkerheid van uwe ziel, die als een land, dor en mat en zonder water is. Gij gevoelt u troosteloos en hulpeloos en biddeloos en toch komt telkens weer uwe ziele terug tot den Heere met smeeking en geween en dan is dit de bede : „Och ! dat Gij de hemelen scheurdet en nederkwaamt ! Och ! dat Israels verlossing uit Sion kwame !" Maar dan weer komt het u voor, dat de Heere u heeft verlaten en vergeten. En toch gevoelt gij het, dat gij buiten den Heere Jezus niet kunt, want gij roept uit :
Neem de wereld, geef mii Jezus! Geef mij Jezus, of ik sterf! Buiten Jezus is geen leven . Maar een eeuwig zielsverderf!
Zou dat geen teeken zijn, dat de Heere reeds aan uwe ziele heeft gewerkt en uw gemoed begeerig maakt naar Zijn heil in Christus ? Hij leidt u langs moeilijke en zware wegen van beproeving en verdrukking, langs bittere wateren der smarte en door diepe dalen, maar och ! dat gij het gelooven mocht : „In het dal van Achor is een deur der hope." Wacht op den Heere, die op Zijn tijd zal komen en die Zijn hand tot de kleinen zal wenden.
En gij, bevestigd volk des Heeren ! wat zal de doodsdag voor u zijn ? Een ingang door de poorte des hemels ! Een afleggen van het pelgrimskleed ! Een overgang uit de vreemdelingschap naar het vaderland ! Hier beneden angst en vrees, bitterheid en droefheid, de smart der verlatenheid, de worstelingen in de donkerheid en het tranenbrood der eenzaamheid. Dan het witte feestkleed en de overwinnaarspalm, geen rouwkleed meer en geen tranen, maar de morgenstond der eeuwigheid ! O Heere ! hoe groot is Uw goed, dat Gij hebt weggegeld voor degenen, die u vreezen !
De beroemde herder en leeraar Wilhelmus a Brakel, schrijver van „De Redelijke Godsdienst", die zulke geringe gedachten van zichzelven koesterde, was ernstig krank. En terwijl zijne familiebetrekkingen en vrienden om zijn stervenssponde vergaderd, waren, werd hem door iemand gevraagd, hoe het met hem was, en toen werden van zijn stervende, fluisterende lippen zijn laatste woorden gehoord : „Het gaat heel wel; ik rust in mijn Jezus ; ik ben met Hem vereenigd; ik wacht maar dat Hij komt ; doch ik onderwerp mij met alle stilheid."
Kort daarop stierf hij, wonderlijk zacht en kalm. Met het gelaat in de hand als een slapende, ging hij de eeuwige rust in.
Heerlijk einde, dat de paradijspoorten der eeuwige lente opent ! Genade, onuitsprekelijk groot ! Zij ook uw doodsdag eenmaal een ingang in de gouden Stad des lichts daarboven, uit onverdiende gunste !
Dan kwelt geen folt'rend wee 't gemoed Als ge uw Bruidegom daar ontmoet: Wanneer voor uw verbaasd gezicht. De hemel riist in glansrijk licht. En ieder zenuw trilt van vreugd Bij 't heil, dat dan uw ziel verheugt.
Schoonhoven.
W. WESSELDIJK.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 september 1923
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 september 1923
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's