De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

BEVESTIGING

20 minuten leestijd

van ds. G. LANS tot Herder en Leeraar te Ouderkerk a. d. IJssel op Zondag 30 September 1923
Eenmaal lag een jonge koning te slapen op zijn leger te Gibeon. Het was Salomo, kort te voren geroepen op den troon zijns vaders.
In den droom verscheen de Heere aan hem en zelde : „Begeer wat Ik u geven zal."
En wat vraagt Salomo dan ?
In het besef van de zware taak, die hem op de schouders drukt en in het gevoel van zijn eigen zwakheid, zegt hij : Geef dan Uwen knecht een verstandig hart, om Uw volk te richten, verstandelijk onderscheidende tusschen goed en kwaad: want wie zou dit Uw zwaar volk kunnen richten ? (1 Kon. III vers 9).
Die ootmoedige en biddende gestalte zij ook in het hart van den leeraar die gereed staat zijn ambt in dit nieuwe arbeidsveld te aanvaarden.
Hij wordt wel niet als Salomo tot het koningschap geroepen, maar toch geeft de Heere Zijnen Dienaren des Woords een hooggewichtig ambt : Gezant te zijn van den Koning der Koningen.
Met het trouw of ontrouw vervullen van die taak, hangt naar Gods bestel samen, het eeuwig wel of wee der zielen, aan hun zorg toebetrouwd.
Laten wij elkander het gewichtig ambt van Herder en Leeraar voor oogen stellen, door een woord uit Salomo's Spreuken Ie overdenken.

Tekst: Spreuken XIII vers 17b : „Een trouw gezant is medicijn."

Koning David is „lieflijk in psalmen van Israël." (II Sam. 23 vers 1).
Salomo is de auteur der Spreuken, waarin de wijsheid schittert, die de Heere hem schonk.
David heeft zijn leven deels doorgebracht in oorlogsgevaren, zoodat hij menigmaal behoefte had, achter struik ol rots zijn knieën te buigen, om tot God te roepen. Als de Heere hem dan had uitgered of de overwinning geschonken, greep hij des avonds in zijn legertent naar de harp, om den lof zijns Gods te bezingen. Dan zong zijn ziel van de rust en het geluk, die hij als een kind in de armen des Allerhoogsten genoot.
Salomo was echter de koning des vredes, de wijze zoon, die aan Jehova's voeten neergezeten, in stillen vrede de gedachten Gods bepeinsde. In de natuur, in het leven der menschen, in de historie van zijn volk Israël zag hij des Heeren wijsheid en leiding geopenbaard en ingevlochten. De Geest des Heeren was daarbij op hem, zoodat de woorden van Salomo vertolken de gedachten en de wijsheid Gods.

Onze tekst is het tweede gedeelte eener tegenstelling, de vorm, waarin tal van Salomo's spreuken zijn uitgedrukt. Het geheele 17de vers luidt: „Een goddelooze bode zal in het kwaad vallen ; maar een trouw gezant is medicijn."
De waarheid dezer spreuk was en is na te speuren in het dagelijksch leven, in de verhouding van dienstbaren tegenover hun heeren en vrouwen.
Gehazi, de dienstknecht van Eliza, die door hebzucht gedreven, de eere Qods niet telde en zijns meesters aan­ Zaterdags alleen v zien misbruikte, om de goederen van Naaman te verkrijgen, is zulk een goddelooze bode, die in zijn werk niet met God rekende. En hij viel in het kwaad, want de melaatschheid van den Syriër viel op hem.
Daarentegen was Eliëzer, de knecht van Abraham, een trouw gezant, toen hij op last van zijn meester naar Paddan Aram reisde, om een vrouw voor Isaac te zoeken. In de getrouwe vervulling van die taak, was hij medicijn voor het hart van Abraham, dat gewond was door het sterven van Sara, toen hij eene vrouw, van den Heere aangewezen, medebracht voor den zoon zijns heeren.

Deze Spreuk heeft echter niet alleen betrekking op het dagelijksch leven, maar geeft ook wijze leering voor de dienstknechten Gods, 's Heeren boden en gezanten in de strijdende Kerk op aarde. Wee over hem, die in de uitwendige openbaring der Kerk, zich een goddelooze bode betoont! Die den last van zijn Zender niet vervult, zonder God leeft en zichzelf zoekt. Als Bileam en Judas zal zulk een goddelooze bode in het kwaad vallen.
Daarentegen „een trouw gezant is medicijn."
De Dienaar des Woords moet een trouw gezant zijn, die met God, zijn Zender, in levensgemeenschap staat, Zijn wil nauwkeurig zoekt te kennen en zijn taak getrouw begeert te vervullen. Dan is zijn arbeid medicijn, omdat Gods Woord onder bedauwing des Heiligen Geestes medicijn is voor de krankheid der zonde.
Een drievoudige plicht stelt onze tekst den Dienaar des Woords voor oogen :

I. Wees een gezant Gods.
II. Wees een trouw gezant.
III. Dat uw arbeid inGQods hand alzoo medicijn zij !

I. Wees een gezant Gods !
Een gezant Gods vervult een gewichtige taak, moet wettig geroepen zijn, zelf kennis toonen in bet besef van eigen onbekwaamheid, zich laten onderwijzen door zijn hoogen Zender en in voortdurende betrekking staan met den Koning der Kerk.
Dat wil ik nader toelichten :
In het staatkundig leven vervult een gezant een gewichtige taak. Hij is vertegenwoordiger van zijn vorst en regeering in een vreemd land, dat soms vijandig gezind is. Daar heeft hij de belangen van zijn vorst en vaderland voor te "staan. Uit zijn handelingen en woorden kunnen oorlog en vrede, voorspoed en diepe ellende voortvloeien.
Zoo ook staat het met de Dienaren des Woords. Zij zijn Gods gezanten in een land der Godvervreemding, vol vijanden van den Heere en Zijn dienst, 't Heeft Gode behaagd, door den dienst van menschen, vijanden om te scheppen tot gewillige onderdanen. Zijn Koninkrijk uit te breiden en tot heerlijkheid te brengen. Daarom, besef uw gewichtige taak : Wees een gezant Gods en geen dienstknecht van menschen !

Tot die gewichtige taak moet de Dienaar des Woords wettig geroepen zijn.
Wanneer een staatkundig gezant op zijn post komt, toont hij aan de regeeling van dat land zijn geloofsbrieven, die bewijzen dat hij de wettig benoemde gezant van zijn koning is. Maar behalve die uitwendige bewijzen heeft hij meest ook eenpersoonlijk mandaat van zijn vorst en regeering, hetzij ter bemoediging of onderrichting in de te volbrengen taak.
De Gemeente des Heeren heeft ook recht, u naar uw geloofsbrieven te vragen, of gij een wettig gezant zijt van uw Koning. Maar zij kan en mag daarin slechts oordeelen, of gij op wettige wijze zijt beroepen efii of uw prediking en arbeid is overeenkomstig Gods onfeilbaar Woord en de Belijdenisschriften onzer Kerk.
Zelf hebt gij echter dieper te gaan. Dan pas zult gij met vrijmoedigheid als gezant des Heeren kunnen optreden, als gij in uw hart een roeping van God hebt ontvangen door Zijn Geest en Woord. Dat Hij Zelf tot u gesproken heeft als eenmaal tot Ezechiël: Menschenkind ! Ik heb u tot een wachter gesteld over het huis Israels; zoo zult gij het woord uit Mijnen mond hooren, en hen van Mijnentwege waarschuwen" (Ez. 3 : 17)

Hoe gewichtiger de lastbrief van een gezant is, des te meer zal de rechte ambassadeur niet hooggevoelend zijn, maar vreezen. Zoo hebben alle ware gezanten Gods zelfkennis getoond in het besef van eigen onbekwaamheid. Alle gezanten Gods, als Mozes, Jesaja, Jeremia, ze hebben gesidderd, als God hun Zijn opdracht gaf, wetende, dat zij nietig stof en asch waren, onbekwaam in zichzelf, om het groote werk te doen dat de Heere hun opdroeg. In hun hart leeft dan, wat Jesaja uitsprak : „Wee mij, want ik verga ! dewijl ik een man van onreine lippen ben, en ik woon in het midden eens volks, dat onrein van lippen is." (Jes. 6 vers 5).
Zij dat de gestalte van ons hart ; dan zullen wij ons gaarne laten onderwijzen door onzen hoogen Zender.
Als God een zondaar ontdekt aan eigen verlorenheid en diepe ongerechtigheid, aan zijn wandelen op den weg des verderfs, dan leert hij eigen onbekwaamheid en onkunde ten goede zien en wordt zijn smeekgebed : „Heer', ai maak mij Uwe wegen, door Uw Woord en Geest bekend. Leer mij, hoe die zijn gelegen en waarheen Q' Uw treden wendt. Leid mij in Uw Waarheid, leer ijvrig mij Uw wet betrachten."
Hoeveel te méér zal een Gezant des Heeren die ootmoedige gebedsgestalte noodig hebben. Een staatkundig gezant behoort op de hoogte te zijn van alle staatkundige verwikkelingen en belangen van zijn koning en diens koninkrijk en van het volk, waaronder hij heeft te arbeiden.
Waar nu een gezant Gods de roeping heeft om een volk, dat van nature vijandig is tegen zijn Koning en in opstand leeft, te roepen tot terugkeer en verzoening met den hoogen God, zal hij in dubbele mate de onderrichting des Heeren noodig hebben. Eigen hart en verstand zijn niet betrouwbaar en verduisterd, zoodat in Gods Koninkrijk inzonderheid voor de gezanten gelden de woorden uit vers 14 tot 16 : „Des wijzen leer is een sprlngader des levens, om af te wijken van de stukken des doods. Goed verstand geeft aangenaamheid ; maar de weg der trouweloozen is streng. Al wie kloekzinnig is, handelt met wetenschap, maar een zot breidt dwaasheid uit."

Daarom dat de Godsgezant in voortdurende betrekking sta met den Koning der Kerk. Op hem is van toepassing het woord van de koningin van Scheba-ten opzichte van Salomo's knechten : „Weigelukzalig zijn zij, die gedurig voor Zijn aangezicht staan en Zijn Wijsheid hooren." Dat de verborgen omgang met God gekend worde, om de verborgenheden van het Koninkrijk Gods te kennen én het hart des volks te doorgronden. Dat 'gij als Daniël een opperzaal moogt hebben met open vensteren tegen Jeruzalem aan, waar ge het hart kunt uitstorten voor den Heere en eigen nooden en die van het volk, u toebetrouwd, kunt neerleggen voor den troon der genade.

„Dat op uw klacht de hemel scheme! Dat zich de Heer' ontdekk! De God van vader Jacob beure U in een hoog vertrek. Hij doe in gunstrijk welbehagen. Uit Zions tempelzalen. Om u te helpen en te schragen. Zijn zegen nederdalen." .(Psalm 20 vers 1).

II. „Een trouw gezant is medicijn."
Wees dan een trouw gezant !
Op staatkundig gebied zal een trouw gezant de boodschap zijns konings onvervalscht overbrengen, zijn taak trouw vervullen, aan de zaak zijns konings zich naar lichaam en ziel verpanden en vasthouden, hoe het ook ga.
Niet anders is uw roeping hier in de gemeente. Ge hebt de boodschap uws Konings onvervalscht over te brengen. Niet eigen gedachten hebt ge over te brengen, niet beter te weten, dan Hij die u zendt. Niet aan uw lastbrief, Gods getuigenis, af te doen of toe te voegen, maar getrouw u te houden aan de boodschap uws Konings.
Al den Raad Gods omtrent onze verlossing, die in Christus Jezus is, hebt gij bekend te maken. Als getrouw gezant hebt ge op te komen voor de eere Gods : de heiligheid en gerechtigheid des Heeren te prediken en aan te zeggen de schuld en zonde van het verdorven Adamskind. Gij zult voor oogen stellen de diepe ellende des menschen, verzonken onder Gods vloek en toorn, gebonden in banden van onmacht, onwil en vijandschap. Maar daartegenover moet ook uitgeroepen het Jaar van het Welbehagen uws Konings en hebt ge een getuige te zijn van Gods vrijmachtige en verkiezende genade, hoe God in Christus van eeuwigheid met ontferming bewogen is geweest over een schuldig volk. Gij zult spreken van den weg der verlossing in wedergeboorte en bekeering, waarop een rijke algenoegzame Zaligmaker zich neerbuigt over den doemschuldige, om hem met den  Heilige te verzoenen.
Gij hebt te zorgen, dat in uw prediking voor de poorten van de stad menschenziel de witte vlag des vredes ontrold is op den heuvel der Genade en moet de bevrijden des Heeren oproepen tot den heiligen oorlog.
Kortom, getrouw hebt gij den goddelooze aan te zeggen, dat het hem kwalijk zal gaan, en den rechtvaardige dat het hem wèl zal gaan. Leven en dood, zegen en vloek verkondigen. De gemeente stellen tusschen Ebal en Gerizim. In één woord, al den Raad Gods verkondigen !
Die taak hebben wij trouw te vervullen !
Aanhouden, tijdig en ontijdig, in onze roeping, door Paulus aldus beschreven: „Zoo zijn wij dan gezanten van Christus' wege, alsof God door ons bade : wij bidden van Christus' wege, laat u met God verzoenen." (2 Cor. V vers 20).
Wees een trouw gezant, zonder aanzien des persoons.
Een staatkundig gezant moet onomkoopbaar zijn, ook door de machtigsten der aarde niet te verleiden om zijn vorst en vaderland ontrouw te worden.
Zoo zij de gezant van Christus' wege wars van menschendienst, om zelfs een haarbreed af te wijken van den last zijns Konings, bedenkende, dat Christus eenmaal op de wolken des hemels als Rechter zal zitten en rekenschap zal vragen ook van Zijn gezanten. En wanneer de lokstem of bedreiging der menschen, of de listen van Satan en wereld zoeken te verleiden tot ontrouw, dat 't besef dan steeds levendig zij, dat het oog van den alwetenden God de gansche aarde doorwandelt en niets bedekt is voor Zijn aangezicht. Veelmeer, moge de liefde van Christus dringen, om den Koning der Kerk trouw te blijven. Bovendien zal 't oordeel der ontrouwe en luie dienstknechten vreeselijk zijn, terwijl het genadeloon, dat de Heere Zijn getrouwe dienstknechten geven wil groot zal zijn. Mozes wilde liever met het volk Gods kwalijk behandeld worden, dan een tijd lang de genietingen der wereld te hebben, achtende de versmaadheid van Christus meerdere rijkdom te zijn, dan al de schatten van Egypte, want hij zag op de vergelding des loons.
Daarom dat wij als trouwe gezanten naar lichaam en ziel verpand mogen zijn en vasthouden aan de zaak des Konings, hoe bet ook ga !
Daniël in den leeuwenkuil en zijn drie vrienden in den vurigen oven, ze zijn opgenomen in de wolk der getuigen van Hebreen XI, om Gods gezanten aan te sporen tot trouw, ook al wordt de last zwaar en de strijd moeilijk.
Soms schijnt het, of het Rijk der duisternis zal triumpheeren, maar de poorten der hel zullen, naar 's Heeren belofte. Zijn Gemeente niet overweldigen. De Leeuw uit Juda's stam zal niet, maar heeft overwonnen.
Dat de tegenheden en druk, die niet weg zullen blijven, voor de getrouwe gezanten en Gods volk middelen mogen zijn, om hen dicht bij den Heere te drijven en het psalmwoord aan hen bevestigd worde :

„Als ik omringd door tegenspoed. Bezwijken moet. Schenkt Gij mij leven; Is 't dat mijns vijands gramschap brandt Uw rechterhand Zal redding geven."

III. „Een trouw gezant is medicijn." Als beeld uit het dagelijksch leven hebben wij Eliëzer genoemd, wiens zending naar Paddan-Aram medicijn was voor het gewonde hart van Abraham.
Wanneer uit onzen tekst den Dienaren des Woords wordt toegeroepen : „Uw arbeid zij medicijn !", doelt dat niet op hun Zender, als bij Abraham. God de Heere heeft geen medicijn noodig. Hij kan niet lijden of gewond worden. Daar is Hij verre boven verheven. Lijden en wonden vindt men daar, waar de zonde heerscht en haar ellende wordt ervaren.
De Heere vraagt onzen dienst niet, als iets behoevende, maar toont in dit woord den rijkdom Zijner ontferming voor Zijn Kerk. Hij wil dat de zegen van onzen arbeid haar ten goede kome. Medicijn heeft iedere, dus ook deze gemeente noodig, omdat zij met gansch de strijdende Kerk mede-lijdt onder de ontzettende gevolgen der zonde.
Hoe ons tekstwoord bedoeld wordt ?
Denkt aan de getrouwe gezanten, ons in Gods Woord geteekend, wier arbeid medicijn was in den kring, waar zij arbeidden. Zooals Jesaja, Jeremia, Daniël, Ezechiël. Zij waren geen zachte heelmeesters in het midden van het goddelooze, afgodische volk, dat vergiftigd door de zonde, ten doode en ondergang neigde. Als zij Gods oordeelen aanzeiden en 's Heeren heiligheid en gerechtigheid uitriepen, waren hun woorden als donder en bliksem in een verpeste atmospheer. Maar troostend medicijn was hun arbeid voor het neergebogen Sion, als zij de boodschap overbrachten: „Troost, troost Mijn volk, zal ulieder God zeggen. Spreekt naar het hart van Jeruzalem en roept haar toe, dat haar strijd vervuld is, dat hare ongerechtigheid verzoend is, dat zij van de hand des Heeren dubbel ontvangen heeft voor al hare zonden." (Jes. 40 vers 1 en 2).
Hoe was de arbeid van Johannes den Dooper medicijn in Gods hand, tijdens zijn optreden. O zeker, die prediking was een reuke des doods ten doode voor de eigengerechtige Farizeën en ongeloovige Sadduceën, die hun hart verhardden. Maar wijzend op het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt, was hij medicijn voor de schuldverslagenen en gebrokenen van hart.
En Jezus Christus Zelf, hoe was Hij als trouw gezant des Vaders volkomen medicijn, vervullende het woord der profetie, dat Hij gezonden was om te verbinden de gebrokenen van hart, om de treurigen te troosten, om de treurigen Zions te beschikken, dat hun gegeven worde sieraad voor asch, vreugdeolie voor treurigheid, het gewaad des lofs voor een benauwden geest. (Jes. 61)
Zoo zij ook uw arbeid hier medicijn. En evenals bij den geneesheer verschillend medicijn wordt aangewend, zoo zal ook het Woord Gods, door u te brengen, nu eens bijtend scherp, dan weer balsem uit Gilead, op een anderen tijd opwekkend en ook verzachtend zijn, al naar de krankheid der zonde zich openbaart.
Soms bijtend scherp. Daar waar het vergif der zonde zijn doodelijke werking aan de ziel en in de gemeente openbaart. Jezus Sirach, sprekende over de zonde, zegt: „hare tanden zijn leeuwentanden en dooden de zielen der menschen." Bij zulke doodelijk kranken kan naar Spreuken 12 vers 18b „de tong der wijzen medicijn wezen", scherp in het bestraffen der zonde, maar tot genezing.
In het natuurlijk leven baat geen medicijn meer voor een doode, In het geestelijke is dat anders. Daar openbaart zich de wondermacht Gods ook in het levend maken van doode zondaars door Zijn Geest en Woord. Daarom moet ook in het dorre doodsbeenderendal geprofeteerd, moet in het midden van zondaren, dood in zonde en misdaden, gepredikt gerechtigheid en genade, oordeel der verdoemenis en ontferming in Chris tus Jezus. Dat Woord kan medicijn ten leven zijn, als Christus, de Opstanding en het Leven, er in werkt met Zijnen Geest.
De leeraar moet ook balsem uit Gilead weten te gebruiken uit de apotheek van Gods Woord. Als een zondaar, verbroken onder Gods Recht, zijn eigen verdoemenis onderteekent, dan is 't balsem uit Gilead voor dezen gebrokene van hart, waneer hij door 't Woord der prediking gevoerd wordt aan de voeten van den grooten zielearts Jezus Christus, en hij uit Zijn doorboorde handen mag ontvangen verzoening en vrede met God.
De Gemeente des Heeren hier op aarde, leeft in de woestijn der wereld. Daar schuifelen slangen der zonde voort durend rond, om, kon het zijn, het leven uit God te dooden en in alle gevallen krank te maken tot stervens toe. Uit het Woord heeft de trouwe gezant aan te wijzen de bladeren van den Boom des Levens ter genezing. Sluimerziekte komt onder Gods volk veel openbaar, waardoor het gemakkelijk de prooi der giftslangen zou worden. Door 't Woord heeft de gezant des Heeren wakker te schudden en op te wekken tot voortdurenden strijd tegen de machten des doods, die alom zich openbaren. Temeer waar het oude leven naast het nieuwe een besmettingsbron is. Uw arbeid zij medicijn voor de geestelijk kranken.
De Kerk des Heeren heeft zich hier op aarde te openbaren in kerkelijk leven. Zienderoogen blind is degene, die niet ziet de doodelijke krankheid onzer Kerk. Mocht naar Spreuken 15 vers 4 ook in deze „de medicijn uwer tong zijn een boom des levens."
Ook van den droeven toestand der Kerk maakt Satan soms gebruik, om tegen elkaar in het harnas te jagen, wat bijeen hoort. Dan wordt menigeen gewond en gekwetst door een ergdenkend hart en kwaadsprekende tong, door haat, nijd en twist.
Moge God u als trouw gezant, ook medicijn doen zijn, om in liefde verzachtend te werken bij zulke wonden. In woord en leven handelend als Jonathan, die goed sprak voor David, of als Gamaliël, die door zijn raad de verhitte gemoederen tegen de apostelen aanmerkelijk bedaarde.

En nu, Gemeente, ontvang uwen leeraar, als een, die als trouw gezant, medicijn wil zijn in uw midden. Ontvang hem niet met vooroordeel, maar dat ge doen moogt als de menschen in Berea, die Paulus' prediking hoorden en thuis gekomen, de Schriften onderzochten, om te zien, of deze dingen alzoo waren. Gij hebt recht zijn prediking en arbeid te toetsen aan Gods Woord, met de belijdenis onzer Kerk, maar vergeet uzelf niet, bedenkende, dat Tyrus en Sidon in het oordeel tegen oan zullen getuigen, zoo wij onbekeerd leven en sterven.
Worde Gods goedertierenheid erkend dat, waar, zoovele gemeenten vacant zijn de Heere u weer een leeraar zendt, die u den vollen Raad Gods wenscht te prediken.
En Gods volk heeft de roeping, gelijk Aaron en Hur Mozes steunden in het opheffen van den staf Qods, zoodenooden en behoeften van uw leeraar te dragen op het hart en te brengen voor Gods troon, opdat hij als gezant van Christus' wege, medicijn moge zijn voor deze gemeente.
Ik eindig met een waarschuwing, dat de Gemeente om den boodschapper de boodschap niet vergete !
Wat ik bedoel ?
Wanneer reizigers in den zomer Zwitserland bezoeken, is een der dingen, die zij zien moeten, den zonsopgang temidden der bergen. Op den bepaalden morgen komt een gids in nationale kleederdracht de gasten wekken en geleidt ze naar een bepaald punt, waar de zonsopgang het best kan worden gezien.
Stelt u die wachtende schare voor den geest. De eerste morgenschemering begint. Ze zien enkele flauwe lichtstrepen, die door het duister heenbreken. Langzamerhand verspreidt zich reeds meer licht en zij beseffen, dat de zon haar ommegang reeds is begonnen, hoewel hun oog de zonneschijf nog niet ziet. Daar omhoog aanschouwen zij echter, hoe eerst der bergen toppen zich baden in een zee van gloed en stralen. Dan verrijst de zon in haar onbeschrijfelijke pracht boven de toppen der bergen en zendt haar stralen naar beneden in de dalen. Ook daar wordt dan de duistere sluier, die nog lag op veld en dalen, gescheurd en ook de diepste hoeken staan in het volle morgenlicht.
Ge begrijpt, dat de reizigers op die momenten een en al oog zijn voor den zonsopgang, dat zij wel hooren, waarop de gids opmerkzaam maakt, maar niemand let op zijn persoon. Soms is echter zulk een tocht in den vroegen morgen een mislukking, als er bijvoorbeeld zware mist hangt in het gebergte. Dan wacht men vanzelf, op hope, dat na korter of langer tijd de zon door de nevels zal heenbreken. Hoe langer dat wachten echter, duurt, des te minder aandacht blijft er voor het luchtruim en de natuur. Dan wordt met teleurstelling in het hart menigmaal de persoon van den gids opgenomen. Iemand, die de zon heeft zien opgaan in haar pracht, weet misschien niets van den gids te vertellen. Maar degenen, die een vergeefschen tocht deden, zij weten precies, hoe die nationale kleederdracht van den gids er uitziet. Slecht geluimd hebben zij al­ licht aanmerking op zijn persoon, kleeding, hoorn of manier van blazen. En waardoor eigenlijk? De mist hield de zon verborgen.
En daarom, Gemeente, ik wensch u en uw leeraar, in geestelijken zin, vele zonnige dagen, dat de Zon der Gerechtigheid, Jezus Christus, in heerlijkheid aanschouwd wordt, dat uw leeraar de schoonheid moge aanwijzen, maar zelf in het niet zinken bij haar heerlijkheid. En zij het de begeerte van uw leeraar, dat van hem gelde, wat van den Dooper geschreven staat : „En er was een mensch van Qod gezonden, wiens haam was Johannes. Deze kwam tot een getuigenis, om van het licht te getuigen, opdat zij allen door hem gelooven zouden." (Joh, I vers 6 en 7), — Amen.

Z,

B, B.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 oktober 1923

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 oktober 1923

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's