De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

10 minuten leestijd

Ik ellendig mensch ! Wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods ? Ik dank God door Jezus Christus, onzen Heere. Romeinen 7 vers 24 en 25.

Eene Klacht en eene dankzegging.
Gods kinderen op aarde zijn een wonderlijk volk. Droevig en toch blijde. Dikwijls arm naar de wereld en toch rijk. Zij moeten gedurig klagen over zichzelf, en toch zijn ze gelukkig. Zij moeten zichzelven diep schuldig erkennen, en toch zijn ze zoo rechtvaardig in Gods oog, alsof ze nooit eenige zonde gedaan hadden. Zij zijn zondaren, en toch heeten ze Gods heiligen, die op de aarde zijn. Zij worden in de Schrift dan ook genoemd teekenen en wonderen van den Heere der heirscharen, Die op den berg Zion woont. Tot dat eigenaardige volk behoort ook Paulus; hij klaagt en hij dankt.
Hij zucht: Ik ellendig mensch. Ellendig. In het oorspronkelijke beteekent het: Rampzalig, jammerlijk, ongelukkig. Het Nederlandsche woord ellendig is inderdaad zeer leerzaam. Oudtijds schreef men elendig, dat is : uitlandig, balling, zwerveling. Immers, dat zijn we juist van nature. Vanwege onze zonde en afval van God zijn we uit het paradijs gebannen, en mitsdien zwervelingen op aarde. Ongelukkig, omdat we God verlieten.
Dat geldt van nature alle menschen. Maar daarom wéten allen het nog niet. En dit maakt juist hunne ellende zoo groot. Ongelukkig zijn is bedroevend, maar dan nog daarbij voor zijn ongeluk blind te wezen, is wel dubbel treurig. En dit toch is de toestand van elk mensch van nature. Arm, en in eigen schatting nog rijk. Blind, terwijl men zich ziende waant.
Doch Paulus was zich zijne ellende bewust; en met hem allen, wier oogen de Heere geopend heeft. Deze leeren hier hunnen droevigen en deerniswaardigen toestand kennen en beweenen.
En waarin die ellende bestaat ? Wat hen zoo ongelukkig maakt ? De apostel zegt het: het lichaam dezes doods.
Bij de Romeinen bestond eene schrikkelijke, we mogen wel zeggen, afgrijselijke straf. Aan een misdadiger werd somwijlen een lijk vast gebonden, en dan moest deze dat kille, doode lichaam altijd met zich omdragen, terwijl het tot ontbinding overging.
Aan die straf is hier, naar sommiger meening, de spreekwijze des apostels ontleend.
Hij klaagt daarom dan ook : Ik weet, dat in mij, dat is in mijn vleesch, geen goed woont. Het willen is wel bij mij, maar 't goede te doen, dat vind ik niet. Het goede, dat ik wil, doe ik niet; maar het kwade, dat ik niet wil, dat doe ik. Ik heb een vermaak in de wet Gods naar den inwendigen mensch, maar, ach helaas ! ik zie eene andere wet in mijne leden, welke strijd voert tegen de wet mijns gemoeds, en mij gevangen neemt onder de wet der zonde, die in mijne leden is.
Eene taal, die wereldlingen wel eens uit onkunde en zich zelven misleidend, naspreken, maar die in waarheid de ge­durige en smartelijke klacht is van elke levendgemaakte ziel.
Ja in die mate weegt het den apostel, dat hij uitroept : Wie zal mij verlossen ? Hij wil kennelijk zeggen : Ik kan het zelf niet. Geen enkel kan het. Alleen een almachtige helper kan mij redden.

Zoo zucht de apostel. We zouden schier geneigd zijn uit te roepen : Beklagenswaardige man !
En toch is hij gelukkig. Hij mag er bijvoegen : Ik dank God door Jezus Christus, onzen Heere.
Hij weet het: God is met Zijn schepsel niet bedrogen. Deze wist, wat van Zijn maaksel was te wachten. Hij heeft van eeuwigheid den val van Adam voor zien, maar ook een weg van verlossing beraamd, en van voor eeuwig besloten. Zijnen Zoon tot eenen Zaligmaker in de wereld te zenden.
Neen, niet om God tot liefde te bewegen kwam Christus op aarde; uit liefde juist heeft Hij Zijnen Zoon voor zondaars gegeven. En die Zoon heeft eveneens uit enkel liefde voor vijanden van Hem en Zijnen Vader den heerlijken hemel verlaten. Hij legde vrijwillig Zijne goddelijke heerlijkheid af, kwam op aarde in dienstknechtsgestalte, en was den Vader gehoorzaam tot in den bitteren dood des kruises, waardoor Hij aan Gods recht heeft voldaan, en voor zulken, die den dood hebben verdiend, het leven verworven ; voor vervloekten den vloek gedragen, opdat deze gezegenden des Vaders zouden worden.
En hiervoor dankt de apostel, waar hij mag weten, dat dit alles ook persoonlijk voor hem is geschied. Voor hem, „den minste van al de heiligen" ; den voornaamste der zondaren"; en dat enkel uit genade ; uit souverein vrije ontferming.
Geliefden ! Weten ook wij daar iets van bij eigene ervaring ? Kennen wij iets van des apostels klacht en dankzegging ? Hebben ook wij onze diepe en schreiende ellende leeren kennen? O ! er zijn er, die van droefheid weinig weten ; die, evenals in de dagen van Asaf, „geene beiden hebben tot den dood toe, wier kracht frisch is, en die niet in moeite zijn als andere menschen.'* Maar, waarlijk ! deze zijn niet te benijden, en hun tegenwoordig geluk is hun niet te misgunnen. De dichter was eerst wel jaloersch op hen. Doch toen hij straks in Gods heiligdom inging en op hun einde merkte, toen was hij niet afgunstig meer. Hij zag dat God hen op gladde plaatsen gezet had, en hen deed vallen in verwoesting. En zooals het toen was, zoo is het nog. Geen grooter oordeel, dan voorspoed in den weg der zonde !
Er komt straks een dag van afrekening.
„Ach ja !" zoo hoort men menigeen zeggen, „in de gezonde dagen wordt daar gewoonlijk zoo weinig aan gedacht." Helaas ! dat is, vrees ik, in den regel maar al te waar.
Doch is het niet een in-droevig iets ? Want, als we het in de gezonde dagen niet doen, wanneer moeten wij het dan ? Op het ziek-en sterfbed misschien, als we wellicht — zooals dikwijls geschiedt ~ te veel met ons lichaam te doen hebben, om ernstig aan onze ziel te kunnen denken ? Of in den ouden dag, wanneer de lust is vergaan ? Uitstel is zoo gevaarlijk. Wij weten niet eens of we een ziekbed zullen hebben, of we den ouden dag zullen bereiken. Hoe menigeen wordt plotseling uit dit leven weggenomen. Dat kun u toch ook gebeuren, lezer! O, stel daarom toch niet uit! Val nu ootmoedig den Heere te voet, en vraag Hem om redding. Smeek Hem, dat gij uw gevaar en uwe schuld recht moge zien. Waar we kinderen hebben, willen we immers niet, dat zij met vuur spelen, welnu, laten wij het dan zélf niet doen met het helsche, eeuwige vuur. Dat is toch al te gevaarlijk.
Daarbij toont dat uitstellen van gebed en bekeering zulk eene af keerigheid des harten. Want bekeerd worden, wat is 't anders dan van vijand vriend worden. En moet dat uitgesteld worden ? Is daar reden voor ? Wat zoudt gij denken van iemand die tot u zeide: Ik wil uw vriend wel worden, maar nóg niet. In latere dagen. Ik wil eerst nog een tijdlang uw vijand blijven. Zou u zulk eene taal bevallen ? Zeker wel niet. Maar handel gij dan zoo niet met den Heere! Wat kwaad heeft Hij u gedaan ?
Gij zegt misschien wel. Maar er staat toch : Hij kan en wil en zal in nood. Zelfs bij het naadren van den dood, Volkomen uitkomst geven.
Ja zeker, dat staat er. Maar de vraag is : Staat het er voor u ? Het staat er voor degenen, die den Heere ernstig en in ootmoed zoeken, maar niet voor hen, die de bekeering moedwillig uitstellen.
Weet gij, wie dat woord u in het oor blaast? Satan, die menschenmoorder van den beginne.
Want de vijand onzer zielen komt ook wel met Gods Woord. Dat kunnen we zien, waar hij den Heere Jezus ver zoekt. Tot Dezen zegt hij ook: Er staat geschreven.
Tot degenen, die Hem ernstig zoeken, zegt niet Satan, maar de Heere : Hij kan en wil en zal. Dan zal hij hun liefelijk toefluisteren, zelfs in doodsnood.
Maar Satan doet juist andersom. Nu zal hij u dat woord in 't oor sissen, om u gerust, en van den Heere af, te houden, en u op uw doodsbed in uw stervensuur te kunnen benauwen ; en om u, als God het niet verhoedt, tot wanhoop te brengen en u toe te krijschen : Zoudt gij in den hemel willen komen, gij, die in uw geheele leven naar God niet hebt gevraagd ?
Misschien ook zien wij wel in, dat we ellendige menschen zijn, en klagen wij wel.. Echter niet over de zonde zelve, maar over hare bittere gevolgen. Wellicht ook gaat het ons wel als een Ezau, die geene plaats des berouws vond, hoewel hij die met tranen zocht, of schreeuwen wij met een Kaïn in booze woede en vertwijfelende wanhoop : Mijne misdaad is grooter dan dat zij vergeven worde.
Dat alles, gij gevoelt het, is niet zaligmakend.
Het is noodig dat wij de zonde, onze eigene zonde, leeren beweenen, en dat niet slechts om hare rampzalige gevolgen, maar om haar eigen vloekwaardig wezen. Dat wij ze leeren beweenen uit liefde tot God. Ze leeren haten, omdat God ze haat. Er een afkeer van krijgen om haar Godonteerend karakter.
Farao zegt: Doe die kikvorschen weg, doe die sprinkhanen weg, doe dien hagel weg; maar David zegt: Doe die zonde weg. Ik heb gedaan, dat kwaad was in Uw oog. Dies ben ik, Heer, Uw gramschap dubbel waardig. Hij zegt niet : Het zwaard is steeds voor mij; maar mijne zonde is steeds voor mij de broedermoord, en van Esau zijne dwaasheid verfoeide ; maar Job verfoeide zichzelven. En hierop komt 't juist aan. Een kenmerk van allen, die den Heere leeren kennen, is juist dat zij eene walging van zichzelven krijgen.
Als we zoo onze zonde en ellende mochten leeren zien, dan leerden we ook iets verstaan van de taal van den psalmist:

'k Wou vluchten, maar kon nergens heen Zoodat mijn dood voor oogen scheen ;
En alle hoop mij gansch ontviel. Daar memand zorgde voor mijn ziel.

Dan leerden we ook roepen met een vaderlandsch dichter :

Is er dan o, Groote Ontfermer! Is er voor een arm kermer. Voor een smeeker, nog gehoor ? Is er nog een open oor ?

Dan, in één woord, leerden wij met den apostel zuchten : Ik ellendig mensch ! wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods? En dat is allereerst noodig. Wanneer we dat niet eerst leeren, dan zullen we ook nooit met dien zelfden apostel kunnen juichen : Ik dank God door Jezus Christus onzen Heere.
Maar ook, waar wij iets van die klacht bij eigen ervaring leerden kennen, daar leeren we ook te Zijner tijd iets van des apostels roemtaal verstaan.

Nu zal dit altijd gebrekkig zijn. We zullen het hier op aarde, zooals de uitnemende oefenaar Floor het uitdrukt, met het oog op ons zelven, nooit verder brengen dan „deze ellendige." Wie het verder brengt, zegt hij, klimt een trap te hoog en valt.
zich zelven als een arm zondaar leeren kennen.
En daar komt het juist op aan. Hoe meer verlichting door den Heiligen Geest, en hoe meer geestelijk leven, hoe meer zelfveroordeeling.
Maar dan, hoe gebrekkig ook, leeren we een Paulus nazeggen : Ik dank God ; en met een Johannes betuigen : Wij hebben Hem lief, omdat Hij ons het eerst heeft liefgehad.
Wel hoogst gebrekkig, zeker! maar toch in waarheid leeren we dan den Heere voor Zijne ontfermende liefde en erbarming danken en prijzen.
En dat danken is een recht hemelsche bezigheid. Want bidden is het werk van Gods kinderen, ja, doch alleen hier op aarde. In den hemel geschiedt dat niet meer. Daar wordt alleen gedankt.
Daar wordt ook de klacht: Ik ellendig mensch ! wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods niet meer gehoord. Daar wordt alleen en onafgebroken vernomen de taal: Ik dank God door Jezus Christus onzen Heere.
Mocht dat door genade straks ook onze roemtaal zijn.

Neerlangbr.

Z.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 oktober 1923

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 oktober 1923

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's