Ingezonden.
Wij ontvingen uit Amsterdam onderstaand schrijven, dat wij, gedachtig aan het „hoor en wederhoor", gaarne een plaats gunnen in ons blad.
AMSTERDAM. 10 Oct. 1923.
Hooggeachte Redactie.
Naar aanleiding uwer mededeeling onder het opschrift „Beroepingswerk" in uw nummer van 5 October 1.1., veroorloof ik mij de vrijheid u nog eenige nadere bijzonderheden betreffende deze treurige zaak ter opname in uw geëerd blad te doen toekomen.
Ten einde mij eerst even aan u voor te stellen, moge de opmerking voorafgaan, dat ik de eer heb voorzitter van den Vriendenkring „Westerkerk" te zijn en dat ik als zoodanig deel uitmaak van het Centraal Comité. Dit Comité wordt namelijk gevormd door de bestuursleden der diverse Vriendenkringen. In mijne beide functiën heb ik dus den geheelen loop der verkiezing medegemaakt.
Het is alleen uit liefde voor onze Kerk en haar belijdenis en voor de levende gereformeerde prediking van het dierbaar Woord des Heeren dat ik deze regelen tot u richt.
Een paar kleine onjuistheden, door u overgenomen uit „De Rotterdammer", moet ik even aantoonen. Er zijn geen 7, maar 8 Vriendenkringen, terwijl de voorzitter van het Centraal Comité, de heer Hagen, niet meer als Kamercandidaat van de Hervormde Staatspartij zal gesteld worden. Hij is namelijk als voorzitter van de afdeeling Amsterdam zelfs als lid van de Hervormde Staatspartij afgetreden. Een en ander is met groote strubbelingen en zeer veel onaangenaamheden gepaard gegaan.
Wat de vraag : „Zit daar Rome niet achter? " in „De Rotterdammer" betreft, zoo moet ik verklaren, dat deze mij geheel onbegrijpelijk is. Ik zou wel eens willen weten, wat Rome met deze treurige beroepingszaak te maken zou kunnen hebben.
Overigens zijn de mededeelingen, aan „De Rotterdammer" gedaan, zeer juist. In bijna alle Vriendenkringen werden Gereformeerd Hervormde predikanten gesteld. Er waren kringen die er 3, 4, zelfs 5 van de 6 hadden opgegeven. Vooral de predikanten Pott, Lammermk en Holland mochten zeer veel stemmen in de verschillende Vriendenkringen op zich vereenigen.
Toen nu de candidaatverkiezing op 't Centraal Comité zou plaats hebben, had de voorzitter, de heer Hagen, ziende dat op de groslijsten der diverse kringen zooveel namen van Gereformeerd Hervormde predikanten voorkwamen, den euvelen moed het voorstel te doen om de candidaatstelling. d.w.z. de keuze van twee drietallen uit de verschillende groslijsten der Vriendenkringen tot eene volgende vergadering uit te stellen, onder het voorgeven, dat men niet voldoende voorbereid was geweest en dat nog 1 of 2 kringen hunne groslijsten niet hadden ingezonden. Ik kan u verz'ekeren dat de candidaatverkiezing wel degelijk zou hebben plaats gehad, indien er niet zoovele Gereformeerde predikanten op de groslijsten hadden gestaan ! De voorzitter gaf daarop een afbrekende critiek op den Gereformeerden Bond en in het algemeen op de „Bondspredikanten" en trachtte hun voor de Hervormde Kerk zoo gevaarlijk (!) streven toe te lichten.
Op de volgende vergadering had de voorzitter zijn speech, waarop hij in de eerste vergadering niet voldoende voor bereid was geweest, nog beter verzorgd en herhaalde ook nu zijne verdachtmakingen en lasteringen tegen de Gereformeerd Hervormde predikanten, wegens hunne verhouding tot den „Bond", welke laatste hij beschuldigde de verscheuring der Hervormde. Kerk te beoogen, doch om zichzelf vrij te kunnen pleiten, dat werk aan het ., Convent" had overgedragen, om het als het ware buiten den Bond om ten uitvoer te kunnen brengen. Hij hield daarop eene geduchte philippica tegen het door hem gehate Convent. Daarna had de verkiezing der twee drietallen plaats met het gevolg, dat de Gereformeerde predikanten vielen als baksteenen.
In de eerste vergadering werd een brief van mij voorgelezen met het dringend verzoek om bij beroepingswerk recht te doen aan alle drie de groepen in de Hervormde Kerk, die op den bodem der belijdenis staan en hare handhaving eischen, n.l. de Gereformeerden, die door den Gereformeerden Bond worden bijeengebracht, de Confessioneelen en de vrienden van dr. Kohlbrugge. Ik heb dit verzoek nog breedvoerig mondeling toegelicht ; het werd echter verworpen. Zelfs werd een voorstel van den voorzitter aangenomen om nimmer een predikant, die deel uitmaakt van het Convent of daarmede instemt, candidaat te stellen ! !
Vóór de tweede vergadering gehouden werd heb ik tegen dat voorstel een schriftelijk bezwaar ingediend, hetwelk echter pP de tweede vergadering niet werd voorgelezen, maar tot eene volgende vergadering uitgesteld !
Er werd alzoo geen enkele Gereformeerde predikant op de twee drietallen geplaatst, hoewel er velen door de on derscheidene Vriendenkringen waren opgegeven. Hieruit blijkt zonneklaar dat de belangen, die de leden der Vriendenkringen aan het Centraal Comité toevertrouwen, door dit laatste geheel onvoldoende behartigd worden, zoodat 't Centraal Comité geenszins als een zuivere vertegenwoordiging der gezamenlijke Vriendenkringen kan beschouwd worden.
Thans is door mij een voorstel ingediend aan den Vriendenkring „Westerkerk" om namens dezen kring aan het Centraal Comité te verzoeken de candidaatstelling van predikanten, ouderlingen en diakenen voortaan niet meer door het Centraal Comité, maar door eene algemeene vergadering der gezamenlijke Vriendenkringen te doen plaats hebben. Een gelijk verzoek zal ook door andere kringen aan het Centraal Comité worden gedaan. Het wordt toch hoog tijd, dat de leden niet langer in een staat van onmondigheid gehouden worden.
Zooals aan „De Rotterdammer" terecht geschreven is, was de verontwaardiging over deze verkiezing onder Gereformeerd Hervormden zeer groot. Vandaar dat zij besloten met eigen candidaten uit te komen. Dit wordt hun door het bestuur van het Centraal Comité zeer kwalijk genomen. Het is tegenover mij zelfs als verraad en duivelswerk gequalificeerd. Die fanatieke, bekrompen drijvers schijnen zulk werk goed te kunnen onderscheiden. Toch zal het blijken, dat zij zich deerlijk vergist hebben. De sterke God Jacobs behoedt en redt Zijn arm en ellendig volk, dat op Zijnen Naam betrouwt. (Rijmpsalm 72 vers 7).
Wanneer men goed in het oog houdt dat vele Gereformeerd Hervormde predikanten met groote meerderheid door de verschillende Vriendenkringen gesteld waren, voornamelijk de bovengenoemde drie predikanten, en dat het Centraal Comité die opgegeven namen verloochende, zoodat veeleer deze laatste daad als verraad is te brandmerken, al moge zij dan reglementair gedekt kunnen worden, zoo volgt hieruit dat het stellen van eigen candidaten als een recht doen aan de leden der Vriendenkringen, die Gereformeerd Hervormde predikanten begeerden, beschouwd moet worden. De drie eigen candidaten waren geenszins willekeurig naar voren, geschoven, maar door de leden der Vriendenkringen en een zeer groot deel der gemeente uitdrukkelijk gewenscht. Een duidelijk protest tegen de rechtsverkrachting van het Centraal Comité en tegen de verloochening van de waarachtige belangen der gemeente mocht om des gewetens wille niet uitblijven. Ik geef u volkomen vrijheid om al dit geschrevene volledig in uw geacht blad op te nemen en mijn naam te vermelden. Ik dien een eerlijke en rechtvaardige zaak. Wij wenschen niet den openbaren onderwijzer Hagen, maar alleen den Heere te dienen.
U 's Heeren rijkste zegeningen toebiddende op uw in onzen duisteren tijd zoo uitnemend werk, teeken ik
Hoogachtend,
Uw dw. dnr. en br. in Chr.,
H. J. DE WIT.
Ook nu zij het ons vergund een paar opmerkingen hieraan toe te voegen.
1. Er blijkt, wat we de vorige maal schreven over den heer Hagen en de Herv. Staatspartij juist te zijn geweest. Wij nemen er nota van dat de heer H. deze partij, die hij aanvankelijk met zooveel vuur heeft verdedigd, nu reeds verlaten heeft en wachten af of misschien binnenkort weer de oprichting van een nieuwe Staatkundige partij hier van het gevolg zal zijn. Wij komen er net nóg één te kort en tegenstanders van de alscheidingsbeginselen op kerkelijk gebied blijken soms op staatkundig terrein voor verbrokkeling van kracht niet zoo bevreesd te zijn.
2°. Wat de vraag van „De Rotterdammer" betreft : „Zit daar Rome niet achter ? ", gelooven wij, dat „De Rotterdammer" dat meer schertsend bedoeld heeft dan in ernst. Het is bekend dat in sommige kringen Rome van alles en nog wat de schuld krijgt en nu heeft „De Rotterdammer" eenvoudig willen vragen : kan dit ook maar weer niet op het schuldenregister van Rome gebracht ? en
3°. komt in dat schrijven van iemand die uit den aard der zaak met bet werk der Vriendenkringen goed bekend is, duidelijk uit, dat de door het Kiescollege gestelde drietallen niet alleen geen getrouw beeld geven van de getalsterkte van de verschillende groepen in de gemeente, maar zelfs geen getrouw beeld van wat er in de Vriendenkringen zélve leeft. Het schijnt eenvoudig door enkele menschen, die toevalligerwijze buiten 't ambt om op het kussen zitten, uitgemaakt te worden wie er in Amsterdam als ouderling of diaken gekozen of als predikant beroepen wordt.
Wanneer zullen in onze Kerk de oogen opengaan voor den door en door ongereformeerden partijstrijd die inzonderheid door hen die zeggen dat er in de Kerk geen partijen zijn mogen, ge streden wordt?
Red.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 oktober 1923
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 oktober 1923
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's