De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Eenvoudige Bijbellezing

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Eenvoudige Bijbellezing

1 Timotheus.

7 minuten leestijd

Paulus, een Apostel van Jezus Christus, naar het bevel van God. onzen Zaligmaker en den Heere Jezus Christus, die onze hope is, Aan Timotheus, mijnen oprechten zoon in het geloof: Genade, barmhartigheid, vrede zij u van God, onzen Vader, en Christus Jezus, onzen Heere. 1 Timotheus 1 vers 1 en 2.

Aan Timotheus, mijnen oprechten zoon in het geloof. Hier hebben wij het adres van dezen herderlijken brief. De schrijver en de geadresseerde zullen er wel meer aan gehad hebben dan de bezorger. Immers er wordt eene zeer innige verhouding in uitgesproken, waardoor van weerszijden het vertrouwen vernieuwd werd. „Ik ben uw geestelijke vader, gij zijt mijn zoon, die mij diende in bet Evangelie." Dit wil Paulus vóór alles even vastleggen. In het eerste vers sprak hij over beider verhouding, in hun ambt, tegenover God. Nu zegt hij hoe zij in hun herderlijk werk tegenover elkander staan. Vader en zoon ! Paulus was het middel geweest van de bekeering van Timotheus. Ja zeker, alleen door de genade van den eeuwigen Vader is Timotheus uit den dood in het leven overgezet. Maar de Heere heeft er Paulus voor willen gebruiken. Wat kan de eene mensch toch veel voor een ander zijn ! Wij kunnen elkander tot een eeuwigen zegen gesteld worden. Menigeen is voor een ander tot een ramp en tot een vloek ook bij de meest hechte vriendschapsbanden. Zij sleuren elkander mee naar hun ondergang, ook al dienen zij vaak elkander in liefde. Zij verdubbelen, vermenigvuldigen hun reeds zoo zware schuld. Maar 't is een zegen, een veelvoudige zegen als wij voor elkander tot een geestelijk en eeuwig heil mogen zijn. Welk een heerlijk ambt is dan het leeraarsambt! Welk een voorrecht, zielen te mogen winnen voor Christus ! Paulus noemt hem zijn oprechten zoon. Hij mag in Timotheus zijn eigen trekken zien. Zooals een echte zoon op zijn vader gelijkt, zoo vertoont Timotheus dezelfde geestelijke hoedanig heden te bezitten als Paulus. Geen hoogmoed doet de apostel zoo spreken. Maar ootmoedige dank vervult hem, wijl het God behaagde het in hem gebrachte leven in een ander te doen overvloeien. En wel in iemand, die door zijn werk wederom anderen tot veel zegen kon zijn. Mijn oprechte zoon ! Let wel, Paulus heeft een heel anderen bekeeringsweg gehad dan Timotheus. En toch zegt Paulus : gij zijt mijn echt kind ! Dit heeft ons veel te zeggen. Als wij voor anderen iets willen zijn, mogen wij nim­ mer onze bijzondere ervaringen aan een ander opdringen. Alleen hetzelfde Evangelie der genade moet gekend worden. Verder mogen wij nooit gaan. God is vrijmachtig in al Zijn wegen. Maar toch kan het zijn dat wij van iemand die ons tot een middel was, zeer veel overnemen. Dat behoeft nog niet altijd afgekeurd te worden. Wèl, wanneer wij een ander slechts napraten. Maar het kan zijn dat een ander door zijn geloof, geestelijk leven en wandel zoo'n grooten invloed op ons uitoefent, dat zijn persoonlijkheid een stempel op de onze legt. Dat hebt ge ook onder de predikanten. Daar kunnen wij ons nu eenmaal niet van losmaken. En dit kan samengaan met strikte zelfstandigheid. Een echte zoon heeft wel de trekken van zijn vader, maar hij zal die vertoonen op zijn eigene zelfstandige wijze.
Paulus wil dus tot Timotheus zeggen: „ik mocht veel voor u zijn ; gij zijt ook veel voor mij ; gij zet in mijn trant mijn arbeid voort; laat dat zoo blijven en ontvang wat ik u schrijf uit hetzelfde vaderhart" O, wat zou het onze Kerk tot heil zijn als de leeraars vertrouwen in elkander hadden. En al was er niet de verhouding als van vader en zoon, dat zij dan maar broeders zijn mochten ; niet slechts in naam, maar inderdaad ; wijl zij uit hetzelfde Evangelie der genade hun ambt willen vervullen, hun werk willen doen.
Genade, barmhartigheid, vrede zij u van God, onzen Vader en den Heere Jezus Christus! Hier is al dadelijk sprake van eenen anderen Vader, van eenen anderen Zoon. Van deze goddelijke huishouding, en van die eeuwige betrekking tusschen God en Jezus Christus moeten deze vader en zoon beiden het hebben !
Het valt ons op, dat de barmhartigheid hier genoemd wordt, terwijl de apostel meestal alleen van genade en vrede spreekt, als hij zijn lezers met een heilgroet tegenkomt. Barmhartigheid ! Die hebben de ambtsdragers dan in het bijzonder noodig. Niet alleen Timotheus, maar allen die in den herderlijken arbeid bezig zijn. „Ulieden", staat er eigenlijk. Barmhartigheid drukt een gevoel en een handeling uit van medelijden met iemands ellende. Leeraren hebben hun bijzondere ellende, hun ambtsellende. Het is een heerlijk ambt, een heilig ambt, maar dan doet het onheilige waarmede het in aanraking komt ook zooveel pijn. Op een wit laken valt elk vuiltje in het oog. Dat onheilige vinden zij, als zij nauw met Qod leven, allereerst in eigen levensbestaan. Zij moeten vaak het rijke Evangelie uitdeelen, terwijl hun hart ni«t tot uitdeelen gezind is. Soms van dag tot dag, van uur tot uur. Vooral in groote gemeenten. 'O, dat kan zoo benauwend zijn ! Dat móéten en eigenlijk niet kunnen. En dat vaak op de klok af. Het wordt dan toch maar van hen verwacht dat zij voor de vergaderde gemeente het Woord Qods ontvouwen, in bet sterfhuis troostwoorden spreken, aan de ziekbedden het licht der genade laten schijnen, huis aan huis hun vermaning doen hooren, de jeugd in de Schrift onderwijzen, dat zij huwelijken inzegenen en vergaderingen leiden, enz. enz.
En dat moet een mensch doen, een zondig mensch, die toch ook niet anders van nature doen kan dan het heilige bederven. Zie, dit maakt de ellende uit der ambtsdragers. Juist van hen, die 't goede van het Huis des Heeren mochten ervaren, die wel eens met Christus op den heiligen berg waren. Het heerlijkste kan wel eens 't zwaarste zijn. Daarom weet Paulus dat allen die in den weg van Timotheus wandelen, het medelijden van God den Vader en van Jezus Christus noodig hebben. Het is een groet, waarmede alle leeraren elkander maar veel in den geest begroeten mochten ! Ambtsellende ! Wat is zij groot! Als men b.v. stuit op onverschilligheid, traagheid, koele eenzijdigheid. Wat komt er van al dat preeken, leeren en vermanen terecht ? Men zet zich om de uitgesproken gedachten te beoordeelen. De preek was goed, zegt men dan. Of er breekt een minder gunstig oordeel los. Er zijn soms menschen, die het goed meenen, maar die vaak toonen uit hun woorden, dat zij niets begrepen van wat gepredikt werd. Een oordeel, dat dan vaak als een koud waterbad op den prediker neervalt. O, er is zooveel ambtsellende ! Door wat van binnen is, maar óok door wat van buiten komt! En het woord van den dichter kan den prediker wel eens tot troost zijn, als hij zegt: die met tranen zaaien, zullen met gejuich maaien. Paulus wist het wel, dat Timotheus genade noodig had, genade, dat is vergevende liefde ; ook barmhartigheid, medelijden van een getrouwen, almachtigen Vader ; maar tenslotte ook vrede, dat is het gevoel van geluk, waar in een arme en hulpelooze zich overgeeft aan Hem, Die alles doet wat tot verheerlijking van Zijn Naam noodig is. Een herder groet hier een anderen herder. Hij doet het met een vaderlijk hart. Maar hij laat dan ook allen zegen op het herderlijke werk afdalen van den eeuwigen Vader en van den Zoon van Diens oneindige liefde.

Die gelooven, haasten niet.

Die gelooven, haasten niet,
Welk een blijde troost toch biedt
Mij dit woord, nu om mij henen
Alles bange duisternis.
Twijfel, strijd en droefheid is,
Nu 't vertrouwen is verdwenen.

Die gelooven, zou ik dan,
dat de Heere alles kan,
Niet gelooven, dat na 't strijden,
Hij, waar gij, mijn ziel, naar haakt
U zal geven, eenmaal maakt,
Dat ook gij u moogt verblijden ?

Die gelooven, haasten niet,
Wacht dan, mijne ziel, gij ziet.
Eenmaal zeker 't heil des Heeren Wacht op Hem, op Zijnen tijd.
Zult ook gij verheugd, verblijd, Hem in eeuwigheid vereeren.

Wacht, mijn ziele, haast u niet.
Want aan wie gelooven, biedt
Hij Zijn vree en vreugd na 't wachten
Wacht, mijn ziele, ongestoord,
Straks bevestigt Hij dat woord.
Na deez' bange, droeve klachten.

Wacht dan, mijne ziel, gewis
Wijkt deez' bange duisternis.
Voor degenen, die gelooven.
Haast u niet, wacht slechts op Hem,
Straks weerklinkt ook uwe stem
In des Heeren Huis daar Boven.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 oktober 1923

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Eenvoudige Bijbellezing

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 oktober 1923

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's