De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Verschoppelingen

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Verschoppelingen

Feuilleton.

6 minuten leestijd

EEN OORSPRONKELIJK VERHAAL DAT AANVANGT ONGEVEER 1870

Hillebrand sprak er nu met de eigenaars der schapen over en allen vonden het goed. De nieuwe herder zou dan weer kost en onderdak vinden bij de verschillende belanghebbenden. Slechts de vier eerste dagen zou hij nog bij den kuiper thuis zijn.
Met de komst van Pauls vader kwam er nieuw leven in 't stille dorp. leder verlangde er naar, om den Amerikaan een paar weken thuis te hebben en van zijn avonturen te hooren. Spoedig hielden allen van hem en hij was overal goed thuis.
De enkele weken, die Paul en zijn vader samen in 't veld doorbrachten, verschaften beiden een zeldzaam, zoolang ontbeerd genot. Paul had zijn breiwerk reeds afgeschaft, en daar zijn vader in zijn bijzijn het toezicht over de schapen kon houden, studeerde hijzelf wat in de natuurkunde. De onderwijzer van 't dorp hielp hem daarbij, evenals voor reken-en wiskunde.
Toen Paul er zich van verzekerd had, dat hij de kudde aan de zorg van zijn vader kon toevertrouwen — de oude man had zich daartoe zeer beijverd — ging hij niet meer mee naar 't veld en begaf zich naar Stevelaar, om opgeleid te worden in 't timmervak.

HOOFDSTUK XIX.
Paul had in dienst van Koen de wereld te goed leeren kennen, om niet te vreezen, dat hij vooral onder het jonger dienstpersoneel van Stevelaar aan hun plaagzucht zou bloot staan. En daaraan was hij in Hillebrands woning en in de hei, alleen met schapen, geheel ontwend. Hij kende de gewoonte, dat elke nieuwe leeriing, bij welk ambacht ook, zooveel mogelijk voor den mal werd gehouden. Hij zou er nu wel niet de jongste zijn, maar — in elk geval voor zijn gevoel — van allen de minste. En hij zou zich — ook van de jongeren — alles moeten laten welgevallen.
Dat dreigde als donkerheid in zijn ziel, en met dat gevoel stapte hij de werkplaats binnen. Doch de baas, Stevelaar, was daar reeds, om hem zijn werk aan te wijzen en vóór te doen. En nu begreep de jongste terstond, dat Paul hier niet kwam om eerst krullejongen te zijn en alleriei karweitjes te doen, die met het timmervak niets hadden te maken, en hij dus niet afgelost zou worden, want dat Paul dadelijk zou leeren timmeren.
Dit was voor de jongeren, die allen krullejongen waren geweest, een grief tegen den baas en tegen Paul, maar waarvoor men — natuurlijk ! — alleen het domme onnoozele schaapherdertje zou laten boeten.
Maar ze wisten niet, dat hij bij den kuiper reeds goed het gereedschap, zagen, schaven, beitels, boren, had leeren hanteeren. En nu zagen ze dat aan zijn werk, waaraan hij onder 't oog van zijn baas doende was, die 't niet kon laten, nu en dan zijn bijzonder welgevallen in den nieuwen leerling te toonen. Zelfs een oudere knecht keek met een jaloersch oog schuin naar Paul, omdat deze door den baas werd toegesproken, alsof hij rijke familie van hem was.
Stevelaar was dan ook nauwelijks de werkplaats uit, of daar riep er een :
„Schaapherder, help even een handje !"
Gezwind hielp hij mee, en — kreeg een lat op zijn hoofd. Hun uitbundig gelach zelfs deed hem niet vermoeden, dat er opzet in 't spel was. En even later klonk het:
„Sokkenbreler, toe, help even !"
Weer sprong hij terstond bij, en — er viel een paal op zijn voet, zoodat zijn klomp barstte.
En alweer volgde groote vroolijkheid ; maar nu begon hij aan moedwil te gelooven, en toen 's middags nog eens zijn dienst gevraagd werd, keek hij telkens goed om zich heen. Nu zag hij hun knipoogen, en hoorde één zeggen :
„Maar je moet hem nu niet heelemaal voor onnoozel houden !"
Als ze maar niet vloeken en spotten — dacht Paul — hindert het alles niets : zij mochten zich wel over hem vroolijk maken. Hij vond allen al bijzonder vriendelijk, dat nog niemand hem verschoppeling had genoemd. Hij deed zijn best voor den baas en was jegens allen, tot den jongsten toe, vriendelijk en hulpvaardig.
Den derden dag, 's namiddags, toen 't uur van boterham eten had geslagen en elk naar zijn broodzakje greep, en Paul naar 't zijne, droop daar iets nattigs uit. En toen hij 't opende — barstte een luid gelach los. Een paar jongeren hadden er de boterhammen uitgehaald en 't zakje weer gevuld met dik geworden vleeschnat, dat in een potje bij de keukendeur had gestaan. Paul zag het aan voor lijm. Even voelde hij wrevel in zich opkomen, doch hij beheerschte zich, en zei goeds moeds :
„Dit is een vergissing ; 't is lijm, die in den iijmpot hoort!"
Hij zocht dadelijk den Iijmpot, ledigde daarin het vleeschnat, en begon aan zijn werk, zonder naar zijn boterhammen te vragen. En nu kwam juist Stevelaar op een drafje aanloopen, en ging recht op den Iijmpot toe. Hij was er reeds mee in de deur, toen hij er pas inkeek, daarop staan bleef en vroeg :
„Wat vieze rommel is daarin ? Wie heeft dat er in gedaan ? "
Paul sprong recht en zei :
„Ik, baas ! — ik dacht, dat het lijm was." De baas blikte hem donker toe, en zei :
„Hoe kom je daaraan ? "
Plots kleurde Paul ; hij was niet gewend, een leugentje te verzinnen, en in uitersten nood — omdat hij niemand verraden wilde — zei hij de waarheid.
„'t Was in mijn broodzak."
De baas keek nu ineens naar de knechts, omdat hij dadelijk alles begreep ; en toen hij — vreezende zeker, dat Paul nu geen boterham had gegeten — vroeg, waar zijn boterhammen waren, en een paar jongens daardoor zeer in de veriegenheid geraakten, zei Paul, na kort en scherp nadenken, met een lachend gezicht :
„Ze zijn op, baas !"
Met dit antwoord had hij de daders van 't kinderachtig bedrijf gered, en — hun genegenheid gewonnen. Men vond hem een veel te goeden kerel om hem te plagen. En naarmate ze gemeenzamer met hem werden, begonnen ze meer van hem te houden.
Intusschen begon meester Wans zich hier en daar uit te laten over Pauls bijzondere schranderheid. De onderwijzer was trotsch op dezen leeriing, die nooit school had gegaan, en door 't lezen en bestudeeren van allerlei boeken, door meester Wans hem geleend, zich een zeer algemeene kennis had verworven. Had de onderwijzerswoning al lang voor Paul steeds opengestaan, nu deze geen herder meer was, maar ambachts man werd, kwam hij meer overal in aanzien.
Niet alleen de baas, maar ook de knechts ondervonden hoe langer hoe meer, dat Paul veel meer van allerlei dingen wist dan gewone menschen, en de meesterknecht verzekerde het den anderen, dat Paul heel gemakkelijk schoolmeester zou kunnen worden. Daar in Winnewoud schoolmeester worden 't hoogst denkbare was, en Pauls gedrag respect afdwong, begonnen zijn makkers hem met — voor hun doen — bijzondere achting te behandelen. Want in heel zijn optreden verried hij, dat hij voor zijn gevoel de verschoppeling, de minste van allen bleef, en voor wien elke vriendelijkheid een bijzondere gunst was.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 oktober 1923

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Verschoppelingen

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 oktober 1923

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's