Stichtelijke overdenking.
maar dit is geschied, opdat de werken Gods in hem zouden geopenbaard worden. Johannes 9 vers 3b.
De werken Gods.
Alle levensopenbaring is een sprake van de werken Gods. Overal in 't heelal klimt die omhoog. Weinigen echter zijn er, die haar verstaan. De menschen zijn zoo druk met zichzelf en het hunne, gaan zoo op in hun eigen werken, dat voor Gods werken oog en oor gesloten zijn.
Toch zijn ze er, de werken Gods. Hun openbaar worden rust niet. In de schepping met haar veelheid en rijkdom van vormen, met haar ontroerende tegenstellingen en onbegrijpelijke contrasten, is niets of het werk Gods staat er op te lezen. Ieder verschijnsel is de openbaring van een gedachte Gods !
Ook de geschiedenis van ons geslacht is er vol van. In haar beroeringen en conflicten, in haar verwarring en ontknooping, in haar ruïnes en reconstructies is ze eigenlijk ééne aaneenrijging van de werken Gods. Zijn merkteeken staat op al het gebeuren geschreven. Ja waarlijk, alle levensopenbaring is een sprake van de werken Gods !
De rijkste en heerlijkste openbaring van Gods werken echter is niet die, waarvan Zijn schepping en de historie van ons geslacht in zichtbare en hoorbare sprake gewagen. Neen, die kunnen wij vinden in het heilsproces der eeuwen. Er golft door onze bedeeling heen een stroom van heil. Hij vloeit neer uit het Vaderhart Gods in deze donkere wereld, die geketend ligt onder den vloek. Menschenharten worden er door gegrepen, om op te waken uit den dood in zonde en misdaad, en de levenskracht te verkondigen van Hem, Die is de bronwel des levens. Dat heilsproces Gods werkt zich uit in het kader van schepping en historie.
Zoo vloeit de heilsstroom Gods voort, de eeuwen door in verborgenheid en openbaar worden ; nu eens als een ondergrondsche, dan weer als een bovengrondsche stroom. En zijn genadewerken moeten deze wereld vervormen tot de nieuwe hemelen en de nieuwe aarde, die God bezig is te scheppen. Zijn genadestroomen moeten haar met de herboren menschheid heenstuwen naar die bedeeling des lichts, waarin alle macht van zonde en jammer en vloek en dood zal zijn gebannen.
In den Heere Jezus Christus, in Hem, Die is het licht der wereld, vloeide de stroom van Gods heil voor den armen zondaar, uit de verborgenheid in het
klare licht van den nieuwen dag. Maar de menschen zagen het niet, wilden het niet zien, want zij hadden de duisternis liever dan het licht. Gods openbaring van Zijn zondaarsliefde, van Zijn zalige werken van redding en verlossing, ging echter door ! Rijk en mild! Zoo verscheen de blindgeborene voor den Christus. En, opdat Gods werken van redding uit den zondenacht in hem zouden aan den dag treden, greep de Heiland dezen deerniswaardige aan met Zijn machtig erbarmen. Hij genas hem van zijn lichamelijke blindheid, en wat nóg zaliger is, van zijn geestelijke verblindheid tevens. Ontroerend heerlijk werden Gods liefdewerken openbaar. Zoo verschijnt daar de blindgeborene, wanneer hij voor zijn Heiland, nu zijn Licht en zijn Leven ligt neergeknield in aanbidding, als een lichtend monument van begenadiging, als een statuut der hope voor arme en verblinde zondaren, als een profetie van wat eens in de eindontknooping van dit werelddrama Gods kinderen zullen genieten in de stad des lichts, die God in Christus hun bereidt.
„Opdat de werken Gods in hem geopenbaard worden." Dat was de reden waarom die blindgeborene voor Christus verscheen. In zijne genezing traden Gods werken als het ware machtig uit de verborgenheid te voorschijn. Maar wie hem zagen bleven voor dat zichtbaar worden dier werken blind. Ze sloten hun oogen nog dichter toe.
Ontzettend !
En wij ? Ach, wij doen uit onszelven niet anders. Wij zijn een volk van blindgeborenen. Wij zijn schuw voor het licht der wereld. Ook wij hebben de duisternis.
Is dit reeds uwe zelfaanklacht voor God geworden, neergehurkt in uw ellende ? Bedolven onder uw schuld ? Is bij u de schijn verbroken, als zoudt gij niet blind zijn ? Leerdet gij zien uw zonde, uw ellende, en ook uw redding ? Het kwam alles omdat de Heiland ongevraagd uit de aandrift Zijner eeuwige zondaarsliefde u vond, u aangreep met machtig erbarmen en u zoo de werken Gods deed kennen, dat zij de grond uwer eeuwige hope werden.
Doch indien gij zoo tot het licht mocht komen, verlost, gered, gezaligd, zwijg dan niet van Gods werken ! Bidt, dat gij moogt staan als een levende openbaring daarvan ! Dat de nood u opgelegd wierd om van die werken te getuigen : „Eén ding weet ik, dat ik blind was en nu zie !"
Wie weet, misschien wil God het zóó zegenen, dat van uw arme, verblinde medereizigers naar de eeuwigheid, daar door nog leeren kennen Gods zalige werken in Christus ; ja, gelokt worden tot een bestraald worden met de liefde van Hem, Die is en was en blijft en zijn zal het Licht der wereld.
Hoogeveen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 november 1923
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 november 1923
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's