Stichtelijke overdenking.
Daarom zie. Ik zal ze lokken en zal ze voeren in de woestijn, en Jk zal naar haar hart spreken en Ik zal haar geven hare wijngaarden van daar .ai. en 'het dal Achor tot een deur der hope. Hozea 2 vers 13 en 14a.
in de woestijn een deur der hope!
Hoewel Hozea menigmaal ook den blik naar Juda richtte, gold zijne zending toch in de eerste plaats het rijk van Efraïm, hetwelk onder de krachtige heerschappij van den tweeden Jerobeam de grenzen des lands weer had uitgebreid van de poorten van Hamath tot Berseba toe. Zeker, er was groote welvaart in de landpalen Efraïms. De handel bloeide en de zegeningen werden Israël in den schoot geworpen. Maar helaas, deze Jerobeam de Tweede wandelde in de voetstappen van den eersten koning van dien naam. Om Israël maar verre te houden van den schoonen tempel in Jeruzalem, die heilige stad Davids, werden nog steeds de kalverendiensten van staatswege in stand gehouden.
Ja, zelfs beelden van Baal werden weer opgericht, waaraan op schitterende wijze werd gewierookt. Bij het gemis van ware vreeze Gods werd de welvaart de bron van de verschrikkelijkste zedeloosheid.
Tegen dat alles moest Hozea getuigen. Hij moest den huize Jerobeams den ondergang aanzeggen. De troon van Jerobeams nakomelingen zou maar korten tijd meer waggelen, om straks door Assur's koning te worden omvergeworpen.
Zacharia, Jerobeams zoon, valt, na zes maanden te hebben geregeerd, door het moordtuig van Sallum. Op Sallum volgt na één maand Menahem. Aan het hof te Samaria blijft men heulen met de wedijverende machten van Egypte en Assur, totdat het eindelijk met Israël gedaan is, als koning en volk in smadelijke ballingschap worden weggevoerd.
En al heeft Hozea dit einde niet beleefd, met stoute taal, in stormachtige beeldspraak heeft hij toch van het naderend einde gesproken. Als 'n verschrikkelijk onweder zijn zijne bedreigingen tegen 't wederspannige volk van Israël.
Alzoo ook in het tweede hoofdstuk, waaraan wij de tekstwoorden van onze overdenking ontleenden. De profeet vergelijkt Israël met eene overspelige vrouw, die aan haar man ontrouw geworden is ; Israels afgoderij is overspel. Maar Jehova zal haar sieraad van haar wegnemen, zoodat ze even naakt als bij hare geboorte en even dor als eene woestijn, hulpeloos zal versmachten moeten.
„En Ik zal over haar bezoeken de dagen des Baals, waarin ze dien gerookt heeft, en zich versierd beeft met haar voorhoofdsiersel en haar halssieraad en is hare boeleerders nagegaan, maar heeft Mij vergeten, spreekt de Heere.
Zoo luidt het vers, dat aan onze overdenkingswoorden vooraf gaat. En nu zoudt ge toch zeker verwachten dat de volgende woorden met het voorafgaande een climax zouden vormen. Waren de voorafgaande verzen als de dreigende wolken van een onheilspellend onweder, nu zoudt ge in vers 13 en 14 zeker toch denken aan de losbarsting.
Maar neen, het is den profeet gegaan als den bruisenden bergstroom, die tusschen de rotsen door, met oorverdoovend geraas en geklater zich naar beneden een weg baant, maar die, eenmaal in de vlakte gedaald, nu met zacht kabbelende golfkens zich door de weiden kronkelt.
Weer spreekt hij de trouwelooze overspeelster toe. Neen, nog wil hij haar niet verstooten. Met den geest der liefde en der zachtmoedigheid zal hij haar weer tot zich lokken. Maar de hemelsche Bruidegom weet het, dat de trouwelooze bruid, het overspelig Israël, slechts dan naar die lokstem zal luisteren, als ze zich eenzaam en verlaten gevoelt. Daarom zal Hij ze lokken en zal ze voeren in de woestijn der ballingscliap. En daar in de woestijn zal ze zich bekeeren tot haren man. Daar zal ze aan hare zonden ontdekt worden en roepen om ontferming.
Maar ziet, als dan haar hart wordt verscheurd door smart vanwege hare zonden en zij niet anders kan verwachten dan voor eeuwig om te komen, ziet, dan zal Hij naar haar harte spreken. Hij zal zich over haar ontfermen en de wildernis voor haar weer veranderen in een land van wijngaarden.
Vlak bij de woestijn toch lag Kanaan, en het dal Achor werd toch ook voor Israël in Jozua's dagen weer de deur der hope.
In het dal Achor werd immers Achan gesteenigd. Hij had tegen het bevel des Heeren van den buit te Jericho heimelijk gestolen. Er rustte nu een ban op het leger. De gevolgen bleven niet uit. Want bij Ai werden de Israëlieten verslagen. Maar het lot wees Achan aan als de schuldige. Hij moest sterven. In het dal Achor werd hij gesteenigd. Maar ziet, toen aan de gerechtigheid Gods was voldaan, mocht Israël weer zegevierend optrekken tegen Ai.
Dat sombere dal van Achor met Achans graf, het werd de deur der hope om Kanaan verder binnen te gaan.
O, zeg mij, is het u een wonder, dat wij van die trouwelooze, doch nochtans weer begenadigde, mogen lezen in de verdere woorden, dat zij aldaar zingen zal als in de dagen harer jeugd en als ten dage toen zij optoog uit Egypteland ?
De Heere zal immers opnieuw een verbond met haar maken. Hij zal zich opnieuw in ondertrouw begeven met het trouwelooze Israël. En als Hij tot Lo Ammi (dat wil zeggen : gij zijt Mijn volk niet) zal zeggen : „Gij zijt Mijn volk", zoo zal ze zinkend in eeuwige armen het uitroepen, vol aanbidding : „O, mijn God."
O, zeg mij, spreken ons deze gangen der historie niet van namelooze ontfermingen Gods tegenover een diep schuldig, wegzinkend volk?
Dat woord van de teederste lokkingen, hetwelk Hozea tot het overspelige Israël sprak, heeft een draagkracht voor alle eeuwen. Het is daarom ook een woord voor onzen tijd.
Van de vele lijnen van vergelijking van Jerobeams tijd met onze eeuw, trekken we er slechts enkele.
Het geestelijk verval onzer dagen, zou het minder groot wezen dan in Jerbeams tijd ? Al geven we onmiddellijk toe, dat men onder het Protestantsche deel onzer natie wel niet meer bukt voor beelden van hout en steen, toch wordt er in figuurlijken zin zoo gewierookt aan de afgoden dezer eeuw.
Hét ongeloof neemt verbazend toe. Velen verlieten de oude paden onzer vaderen en zochten tevergeefs zielevoedsel bij allerlei moderne stroomingen van het moderne religieuse leven.
En de eenvoudigen dan, die van Spiritisme of Theosophie ternauwernood hebben gehoord?
Ik antwoord met een wedervraag.
Zou er één mensch te vinden wezen, wiens natuurlijk hart niet gelijkt op één groote beeldengalerij van afgoden ?
Denk eens aan den Mammon, den afgod van het geld ; den hoogmoed, de hartstochten.
En is het eigen „ik" des menschen ten slotte niet de hoofdgod, aan wien gewierookt wordt ? Van den mensch der laatste dagen wordt geprofeteerd, dat hij zal zijn geldgierig, en een liefhebber van zichzelf.
O, wat al afgodendienst! En zou het met de zedeloosheid in onze dagen nog niet droeviger zijn dan in Jerobeams tijd ? Ja, als wij zien op de zonden dezer eeuw, als wij bovenal ingeleid worden in eigen zonde en schuld, dan zal het moeten worden beleden, dat de oordeelen Gods niet konden uitblijven.
De gevolgen van den geesel van een verschrikkelijken wereldkrijg drukken al de volkeren der aarde tot op den huldigen dag. De staatslieden dezer eeuw zoeken tevergeefs naar een oplossing van zoovele problemen, die nog veel ingewikkelder zijn dan de politieke vraag stukken van vóór den grooten wereldkrijg. Het Roerprobleem schreeuwt om oplossing. Bloeiende Japansche steden werden door aardbevingen verwoest. De regeering van Rusland, aan zelfverdwazing overgegeven, gaat voort den Almachtigen God te tarten en te bespotten. Op den Balkan gist en kookt het. In Spanje maar neen, ik houd op.
Nog even een blik op ons eigen volk, dat zucht onder schuldenlast en werkeloosheid en handelsmalaise.
Maar nu moeten we wel ophouden, want we weten het einde niet.
Doch hoor nu naar het getuigenis van Hozea. Het is de Heere, die bezig is de volkeren der aarde te voeren in de woestijn van kommer en druk. Zeker, het zijn Zijne oordeelen en gerichten, maar ook Zijne lokstemmen, waarmee Hij de volkeren der aarde lokt, opdat ze tot Hem zouden wederkeeren en Hij naar hunne harten zoude spreken.
Zullen de volkeren der aarde op Zijne lokstemmen achtgeven? Zullen ze nog weer gaan vragen naar de oude paden ? Zal met ootmoed worden beleden : Wij zijn van het heilspoor afgegaan, wij en onze vaderen tevens ?
Wee de volkeren der aarde, zoo ze op Zijne lokstem geen acht geven ! Want men moge droomen van hoopvolle verwachtingen, van wereldvrede, wereldwelvaart en wereldgeluk, de deur van den waren tempel der hope zal door god gesloten worden.
Wat voor de volkeren der aarde in 't algemeen en in zijn geheel geldt, dat geldt ook voor den enkeling in het bijzonder.
Hoe menigmaal kwam de Heere ook u, lezers en lezeressen, te lokken. Hij lokte u met zegeningen, maar ook onder den rampspoed en de tegenheden weerklonk Zijne lokstem. En de tegenspoeden des menschen zijn vele. Maar ach, wierd het toch eens bedacht, dat de Heere de moeite en het verdriet aanschouwt, juist daarom, opdat men het in Zijne hand zou leggen.
Als zelfs uw dierbaarste panden zijn grafwaarts gedragen en gij stom van smart bij de tafel nederzit, dan laat Hij nog weer naar binnen boodschappen : de Meester is daar, en Hij roept u.
Maar o, welk een voorrecht dan ook, als onder al de roepstemmen de oogen mogen open gaan bij ontdekkend geesteslicht. Dan zal het met schrik worden beleden : „ik ben een woestijnbewoner, een arm zondaar, geschapen voor die ontzaglijke eeuwigheid. Ik heb tegen al de geboden gods zwaar en menigmaal gezondigd, en daarom heb ik niets anders verdiend dan voor eeuwig te moeten verloren gaan."
Gelukkig de mensch, dien de schellen mogen vallen van de oogen en die de ernst van zijn toestand begint op te rierken. Van nature toch slaat die woestijnbewoner de pinnen van zijn levenstent maar vast in de aarde. En hoewel de goddelooze mensch geen waren vrede hebben kan, toch wil hij zich in deze woestijn zoo thuis gevoelen.
Maar ach, als in den nacht van zonde 't licht van ontdekkende genade opgaat, dan zal met smart moeten worden beleden : „ik deed nog erger dan Achan, ik heb mij vergrepen aan de eer en het goed van den Heere. In Adam, mijn bondshoofd, greep ik naar de verboden vrucht en ik kan niet anders belijden, dan dat de wet gebiedt dat ik worde gesteenigd."
Zou er voor dezulken nog hope wezen ? Ja, de Heere belooft dat Hij zoodanigen verslagenen van geest naar het harte zal spreken. De barmhartigheid zal roemen tegen het oordeel. Hij zal tot de zulken niet langer van bedreiging, maar van vertroosting spreken. Van welke vertroosting ? hoor ik vol heimwee roepen.
Van vertroosting, dat Hij, de Heere, al het bedrevene wel door de vingers zal zien ? Zou dat de deur der hope wezen, dat God de Heere het ten slotte niet nauw met de zonde nemen zal ?
Ga dan in gedachte met mij naar het dal van Achor, waar het recht aan Achan voltrokken werd. Of neen, ga liever naar den kruisheuvel Golgotha. Daar hing Gods dierbaarste, eenige Zoon, om te sterven voor verlorene, schuldige Adamskinderen, die zich aan des Heeren goed vergrepen hebben. Hij betaalde tot den laatsten penning toe.
Maar dan moet daar ook uit volgen, dat Jezus alleen de deur der hope is, die den armen verloren zondaar nog met den Vader verzoenen wil door Zijn eigen borgtochtelijk Middelaarswerk.
Hij sprak het zelf uit: „Ik ben de deur der schapen !"
Van Hem zong de dichter :
Dit is, dit is de poort des Heeren, Daar zal 't rechtvaardig volk door treên Om hunnen God ootmoedig 't eeren. Voor 't smaken Zijner zaligheên.
Alleen het lijden en sterven van den dierbaren Heiland kan voor verlorenen de deur der hope wezen om als arme woestijnbewoners nog eenmaal door genade dat hemelsche Kanaan binnen te gaan.
Of is uw hoop nog gevestigd op eigen deugd en plicht en eigen vroomheid, om daarmede u te redden ?
O, weet dit, dat ge u zult bedriegen voor de eeuwigheid en zult komen aan die deur, waarboven Dante zag geschreven : „Die hier naar binnen gaat, late alle hoop varen voor immer."
In de plaats der rampzaligheid zal de ijdele hoop in wanhoop veranderd worden. Ontzettend, zich te bedriegen voor een eeuwigheid. De wereld lokt. De duivel lokt. Zijn lokstem is als het zoet gekweel van den vogelaar, maar met geen andere bedoeling, dan om u onder het slagnet te vangen voor eeuwig.
Hoort ge de lok-en roepstemmen des Heeren niet ? Zal dat alles tegen u moeten getuigen, al die arbeid, die de Heere aan u ten koste legt ? Is het geen tijd om zich te haasten en de knie te buigen en te bidden om genade en vernieuwing des harten ?
Zonder waarachtige wedergeboorte zal toch niemand het Koninkrijk Gods kunnen zien.
Verdrukte, door onweder voortgedrevene woestijnbewoners, als gij ziet op uw schuld, dan ziet ge niets dan geslotene poorten. Maar door geloof bij de vertroosting der genade des Heiligen Geestes kan ook Golgotha voor u, den grootsten zondaren een deur der hope worden.
O, gelukkig de mensch, die alle hoop op eigen redding verliest, om den klopper te laten vallen op die deur der hope. Want die zal ervaren wat het zeggen wil, dat de geweldhebbers 't Koninkrijk der hemelen nemen met geweld. Niet met geweld van wapens, maar met geweld van bidden en smeeken om genade en geen recht.
Maar waar dan ook de kruisheuvel Golgotha een deur der hope werd, daar kan het niet anders of de tongen zullen des Heeren lof vertellen. Die tot Lo Ammi zeide : Gij zijt Mijn volk.
Aanbidding is het einde, want het zal zeggen : o mijn God ! zich verwonderend over zooveel genade, dat de Heere nog naar zulken wilde omzien.
Erm.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 november 1923
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 november 1923
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's