De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Eenvoudige Bijbellezing

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Eenvoudige Bijbellezing

6 minuten leestijd

Maar het einde des gebods is liefde uit een rein 'hart sa uit een goed sreweten, en uit een ongeveinsd geloof. Van welke sommigen afgeweken zijnde, zich .gewend hebben tot ijdelspreking ; Willende leeraars der Wet zijn. niet verstaande .noch wat zij zeggen, noch wat zij bevestigen. 1 Timotheus 1 vers 5, 6 en 7.

(1 Timotheus),

Maar het einde des gebods is liefde uit een rein hart en uit een goed geweten, en uit een ongeveinsd geloof. Van welke sommigen afgeweken zijnde, zich .gewend hebben tot ijdelspreking ;
Willende leeraars der Wet zijn niet verstaande noch wat zij zeggen, noch wat zij bevestigen. 1 Timotheus 1 vers 5, 6 en 7.

Liefde moet er zijn, geen ijdele praatjes ! Het eerste dus, waarop de apostel in dezen herderlijken brief wijst, is de zuiverheid der prediking. Diê moet er vóór alle dingen zijn. Zij is het voornaamste in de orde van de huishouding der Gemeente. Als het daarmede niet goed is, dan is het alles mis. Al Zfou er overigens een „geest van liefde en verdraagzaamheid" wonen in de Gemeente, terwijl de predikant, de ouderlingen en diakenen trouw hun werk doen en het kerkbezoek niet te wenschen overlaat, als het met het Evangelie des Kruises niet nauw genomen wordt, deugt de kern der zaak niet. Als het fundament wankelt, wat baat mij dan het sierlijkste gebouw dat er op staat ? Beveel dus, Timotheus, dat zij geen andere leer leeren ! Het zijn ook maar beuzelachtige praatjes, waarmede zij zich bezig houden, die op niets anders dan op twist en gekibbel uitlóopen.
Het doel van de Goddelijke opdracht is heel iets anders. Dat doel is liefde. Als iemand een lastbrief van den Heere heeft om het Evangelie te prediken, om te arbeiden in Zijn wijngaard, dan heeft hij te bedenken welk doel de Heere Zelf daarmede op het oog heeft. En dat doeleinde is, dat er liefde geboren wordt in het hart des menschen. Het tegenovergestelde van twist en gekibbel. Als wij dus hierboven lezen van „het einde des gebods", moet hier niet gedacht worden aan een gebod van de Wet. Van zulk een gebod is tot nog toe geen sprake geweest en het woord, dat er in 't Grieksch voor staat, heeft ook die beteekenis niet. Het gebod van Evangelieprediking is hier bedoeld, de opdracht die een ieder hebben rnoet die werkzaam wil zijn voor de goede huishouding der Gemeente.
Liefde uit een rein hart, en uit een goed geweten, en uit een ongeveinsd geloof ! Al de arbeid die er gedaan wordt tot uitbreiding van 's Heeren Koninkrijk moet dit doel hebben. Wel een bewijs, dat God menschen tot groote dingen gebruiken wil. In den natuurlijken mensch toch is er geen rein hart, maar een totaal door de zonde bezoedeld hart ; geen goed, maar wèl een verslapt geweten : geen ongeveinsd geloof, maar wèl ongeloof, ook al doet men zich voor de menschen als geloovigen voor. En wat deze onzalige fontein oplevert is geen liefde tot God en tot de menschen. Wel het tegenovergestelde. Er moet dus heel wat aan den mensch gebeuren. Een machtige verandering moet er plaats vinden, zooals er een bovennatuurlijke, ingrijpende werking geschiedt bij een doode, die tot het leven opstaat. Daartoe heeft God den herderlijken arbeid aangewezen, opdat deze het middel zou zijn van Zijn oneindig-groot werk.
Daar gaat het dus om, dat de menschen God lief krijgen en als gevolg daarvan hun naaste. Een ambtsdrager, die zijn Goddelijke opdracht verstaat, weet wel, dat dit Gods werk is, maar hij zal toch arbeiden alsof het van zijn eigen werk afhangt. Hij zal voor Gods aangezicht leeren zeggen : „alles van mij is tevergeefsch als Gij, o Heere, het niet doet." Maar hij zal arbeiden alsof de huishouding der Gemeente zonder hem in de war ziou loopen. Dit is een heilig zelfbedrog. Het zou in menige Gemeente er beter uitzien, als dit heilig zelfbedrog velen bezielde.
Er worden drie gaven des Heiligen Geestes genoemd waaruit de liefde als een heldere waterstroom voortkomt. Het ongeveinsd geloof is wel de derde in de rij, maar het vormt de grondslag waarop de beide voorafgaanden steunen. Nooit te veel kan de prediking er op aandringen dat het zaligmakend geloof er zijn moet ; zij moet ook zeggen waarin dit bestaat, wat de eigenschappen daarvan zijn. Dit gegronde geloof gaat saam met een goed geweten, een onergerlijk geweten bij God en de menschen. Zulk een geloovige mag eerlijk voor God zeggen : ik heb geen schuld ; alles is mij vergeven. Hij kan ook eerlijk met de menschen omgaan, zoodat zij uit zijn woorden en levenswandel niét. anders mogen lezen dan waarvoor hij zich uitgeeft, n.l. voor een geloovige. En zoo kan er ook alleen sprake zijn van een rein hart. Niet alleen rein door de schuld vergeving, maar ook rein in bedoeling om voor God en zijn naaste te leven. Zie hier dus de zalige fontein genoemd, die God door de wedergeboorte in den mensch brengt. Maar de herders van de kudde moeten arbeiden alsof zij zelf de schapen in die grazige weide kunnen voeren. Dat is het doel dat heel de arbeid van het Evangelie op 't oog hebbe. Immers zóó zal er liefde komen ; zoo zal de liefde groeien, zoo zal zij bloeien in den hof 'des Heeren en als de blanke lelie heel de omgeving versieren. Zóó zal er een vermaak zijn in de wet Gods naar den inwendigen mensch. En met het gansche hart zingt men : God heb ik lief, want die getrouwe Heer, hoort mijne stem, mijn smeeken en mijn klagen. Een liefde die mededeelzaam is, zoodat men, als het mogelijk ware, wèl de heele wereld zou willen meenemen in den dienst des Heeren Mocht de Goddelijke opdracht en het doeleinde daarvan maar velen van groote beteekenis zijn in onze dagen.
Daarom gaat het. Om de liefde !
Sommigen waren van dat doel afgedwaald. Waren er slechts „sommigen" in onze dagen ! Zij houden, zich bezig met ijdele praatjes. Er zit niets in hunne woorden. Zij zoeken zichzelf. En daarom draait al hun werk. Het is niets anders dan eigenliefde, waardoor velen zich nog met vroomheid tooien. Zij zetten een grooten mond open. Zij willen leeraars der Wet zijn. Dat is geen kleinigheid. Maar zij begrijpen niet waarom het gaat. Zij verbeuzelen den tijd met woordentwist. Uit dè klem waarmede zij spreken zou men opmaken, dat zij er alles van wisten. En zij weten er niets van. Het gaat om de liefde. Die moet bloeien. Dan zal het alleen goed gaan in de huishouding der Gemeente. De apostel zegt de waarheid hier scherp. Laten wij het ons gezegd weten. Opdat wij ons benaarstigen en biddend arbeiden alsof het van ons afhangt dat de liefde er is in 't midden van de Gemeente des Heeren.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 november 1923

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Eenvoudige Bijbellezing

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 november 1923

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's