Stichtelijke overdenking.
„Maar Jeruzalem, dat boven is, dat is vrij, hetwelk is ons aller moeder." Galaten 4 vers 26.
Geestelijk Slon.
Dat zijn woorden vol zalving. Ze klinken den vermoeiden pelgrim als engelenmuziek in de ooren. In waarde zijn zij goud, in schittering diamant, in kracht aan staal gelijk.
Jeruzalem.
De plaats, waar de tempel stond en het olfer gebracht werd, waar de Heere met Zijne tegenwoordigheid het Heilige der Heiligen vervulde, waarin de Ark des Verbonds met het verzoendeksel gevonden werd, zinnebeeld der verzoening met zondaren, beeldspraak der rijke ontferming Gods. Wie Jeruzalem noemt, denkt onwillekeurig aan de rijen feestgangers, die zich telkens opmaakten met verheuging des geestes, opkomend van alle oorden des lands, om den grooten God te aanbidden en te danken, en de talrijke offers Hem te brengen. Onwillekeurig zingen we hunne liederen mee, en heffen we aan
„Jeruzalem, dat ik bemin,
Of Wij treden uwe poorten in." „Bidt met een algemeene stem. Om vrede voor Jeruzalem Het ga hun wel. die u beminnen.
Ook het uiterlijke van den eeredienst heeft zijne bekoring. Hoe kan van den rustdag onder ons een gewijde stemming uitgaan ! Dat luiden der klokken, die geopende deuren der bedehuizen, de samenstroomende schare, dat opzingen der psalmen, dat uitbazuinen der deugden Gods, doet ons instemmen met den profeet (Jes. 52 vers 7) : „Hoe lieflijk zijn op de bergen de voeten desgenen, die het goede boodschapt, die den vrede doet hooren ; desgenen die goede boodschap brengt van het goede, die heil doet hooren ; desgenen die tot Sion zegt: Uw God is Koning !"
Doch onze tekst heeft dieper zin. Paulus toornt op de Galatiërs. Ze onderhielden dagen, maanden, tijden, jaren, het wettische deel van den godsdienst, zooals de Joden in den tempel te Jeruzalem, alsof het Voorhangsel niet reeds lang gescheurd was, zooals de Parizeen, die .dankten voor hun eigen braafheid. Het Jeruzalem van vroeger, hoe heerlijk het toen ook was, was in Jezus' dagen verworden, zoodat de Heiland moest uitroepen : „Jeruzalem, Jeruzalem, gij, die de profeten doodt, en steenigt, die tot u gezonden zijn, hoe menigmaal heb Ik u bijeen willen vergaderen gelijk eene hen hare kiekens onder de vleugelen vergadert en gij hebt niet gewild." (Lukas 13 vers 34). De Judaïsten) betooverden de Galatiërs. Zij waren uitzinnig. Door de werken der Mozaïsche wet, wilden ze zalig worden. Paulus predikte echter, dat de wet den vloek werkt, maar, dat Christus van dien vloek verlost. Daarom bracht hij de prediking des geloofs in Jezus. Door dat geloof toch worden zondaren Abrahams kinderen. In de plaats van het Jeruzalem, dat beneden is, is door Christus gebracht het Jeruzalem, dat boven is, d.w.z. het geestelijke Sion, in plaats van het uiterlijke, het innerlijke. Het Jeruzalem van beneden had in Paulus' dagen rijke zondaren en een dooden Jezus, het geestelijke Jeruzalem bezit arme zondaren en een levenden, rijken Christus.
Paulus wil zeggen : het gaat niet om doode steenen, om vleeschelijke werken. Gods Woord zegt dan ook: „Gij wordt als levende steenen gebouwd tot een geestelijk huis, tot een heilig priesterdom, om geestelijke offeranden op te offeren, die Gode aangenaam zijn door Jezus Christus." (1 Petrus 2 vers 5).
Het gaat niet om onze gerechtigheden, welke geene zijn. Niemand is rechtvaardig, of wordt rechtvaardig door zichzelf. Jezus Christus is het. Die, al weder naar het woord van den apostel, „eens voor de zondaren geleden heeft. Hij rechtvaardig voor de onrechtvaardigen, opdat Hij ons tot God zou brengen." (1 Petrus 3 vers 18).
Och, dat dit meer beseft wierd.
Wat is er weinig geestelijk leven, weinig strijd voor het beginsel! Wat wordt het nog dikwijls, ook onder de gedoopte christenen, gezocht bij het Jeruzalem, dat beneden is. Rijkdom aan vorm en menschelijke meeningen is er te over, maar evenzeer armoede aan inhoud. Ontevredenheid prikkelt zoovelen om dit af te keuren en dat aan te hangen. De Kerk der vaderen en predikers verguist men, andere bijeenkomsten begeert men, waar men eigen voorgangers aanstelt, maar, waar het op aankomt, dat wordt al te vaak verzuimd. O, ik weet wel, dat er toestanden zijn, dat de Waarheid niet kan beluisterd worden, omdat de Judaisten van vroeger nog niet zijn uitgestorven. Maar óok is het waar, dat menige Judaïst meende zuiverder te zijn, dan Paulus. Zijn er niet menschen, die het woord gereformeerd gebruiken in den comparatief en superlatief, en spreken van gereformeerder en gereformeerdst ? Zij onderzoeken en beproeven, zooals de Schriftgeleerden en Farizeërs in Jezus' dagen Hem verzochten. Zij vragen ook : „Heere, zijn er ook weinigen, die zalig worden ? ", maar zij overpeinzen blijkbaar 's Heeren antwoord weinig : „strijdt gij om in te gaan door de enge poort." (Luk. 13 vers 23 en 24). Lezers, laten wij toch strijden tegen dat eigengereohtige, dat ons, menschen, zoo eigen is, tegen dat berusten in het behaaglijke van den vormendienst.
Onze gebogen hoofden moeten gevolg zijn van een verbroken hart.
Onze betraande oogen moeten uitdrukking zijn van een verbrijzelden geest.
Geen langgerekte gebeden, geen spreken in de taal van Kanaan, baat ons ; de Heere eischt geloof, overgave des harten. „Indien gij met uwen mond zult belijden den Heere Jezus, en met uw hart gelooven, dat Hem God uit de dooden opgewekt heeft, zoo zult gij zalig worden." (Rom. 10 vers 9).
Wij komen niet door de poorten van Jeruzalem, hoeveel daar ook te genieten valt, maar door de enge poort ten hemel in. Als doemschuldige zondaren, als zulken, die den dood hebben leeren schrijven op ons eigen „'ik", als armen, blinden, kreupelen, melaatschen in onszelf, alles verwachtend van 's Heeren geld hebt, komt, koopt en eet genade in Jezus Christus, moeten we verschijnen voor de voetbank van den troon der genade Gods.
*** Van dat geestelijke Sion, van dat leven op genade wordt gezegd, dat het vrij is.
Wat is deze vrijheid?
Wat eischt deze vrijheid?
Wat geeft deze vrijheid ?
Deze vrijheid is niet die van den revolutiegeest, maar gebondenheid aan Gods wil. Het wil niet zeggen, dat ieder zijn eigen heer en meester is, om te doen, wat hem behaagt. In dit opzicht kent Gods volk geen vrijheid. Immers Eén is hun Meester en zij zijn allen broeders. (Matth. 23--vers 8). Zij zijn geen Rabbi's, geen heeren, maar dienaren. De meeste onder hen moet aller dienaar zijn. (Matth. 23 vers 11).
De vrijheid, hier bedoeld, zouden we kunnen vergelijken met de positie van staatsburgers, die gaan en staan mogen, waar zij, willen, mits zij de wet niet overtreden.
Zoo is er ook geesteiiike vrijheid, maar gebonden aan 's Heeren wil en ordinantiën. De vrijheid van den christen is gebonden aan de wet van Gods Koninkrijk, welke gehoorzaamd moet worden.
Deze vrijheid sluit bijvoorbeeld leervrijheid uit. Gods Woord leert: „Al de Schrift is van God ingegeven, en is nuttig tot leering, tot wederlegging, tot verbetering, tot onderwijzing, die in de rechtvaardigheid is." (2 Tim. 3 vers 16).
Deze vrijheid gaat niet gepaard met geloofsvrijheid, die leer en geloof plooit naar eigen inzicht en God dient naar eigen lusten. De wet van Gods Koninkrijk in dezen is : „Geloof in den Heere Jezus Christus, en gij zult zalig worden, gij en uw huis." (Hand. 16 vers 31). „Tot de Wet en de Getuigenis ! Zoo zij niet spreken naar dit woord, het zal zijn, dat zij geenen dageraad zullen hebben." (Jes. 8 vers 20).
Kennen wij deze vrijheid ? De vrijheid naar het Evangelie ?
Hebben wij met de ervaring onzer ziel gezongen : „Hoe zalig is het volk, dat naar Uw klanken hoort" ? Wat een voorrecht, als wij bij het ontdekkend licht van 's Heeren Geest mogen wandelen en het uitroepen mogen : „Uw Woord is mij een lamp voor mijnen voet." — Dan spreekt niet de wet alleen, maar Christus, die slavernij en vrees voor dood en hel wegneemt.
Wat deze vrijheid eischt ? We letten hier vooral op het feit, dat aan Jezus Christus deze vrijheid te danken is. Hij is de bewerker, de vader, de oorzaak er van. Hem komt de eere er voor toe.
En nu is dat beeld van onzen tekst zoo schoon. De Apostel zegt, dat het geestelijke Sion, dat vrije Jeruzalem, ons aller moeder is.
De moedernaam is de liefste naam op aarde, voor het kind niet alleen, maar ook voor degenen, wier haren reeds vergrijsd zijn. Wee dengene die onze moeder aanrandt, we zullen voor haar weten op te komen ! Geen wonder ! Goed en bloeid heeft een moeder voor haar kind over. Haar leven heeft ze er voor veil. Ze mint het kind tot in den dood. Als haar kind maar gelukkig is, het komt er dan voor haar zoo nauw niet op aan. Ze heeft haar khid zoo hartelijk lief. De teederste zorg, de trouwste opoffering, de kostelijkste troost, de reinste liefde zijn de karaktertrekken van eene ware moeder, die zelfs menigen booswicht de tranen in de oogen doet springen.
Welnu, die vrijheid van het geestelijke Sion eischt, dat we, gelijk het kind voor zijn moeder, voor de eere des Heeren dus zullen opkomen. Niet lauw er tegenover zullen staan, wetend, dat de Heere in Zijn Woord zegt, dat Hij de lauwen uit Zijn mond zal spuwen, (Op. 3 vers 16).
Die vrijheid, gelijk gezegd, heeft de Heere Jezus Zijn volk gebracht. Hij nam de vreeze des doods weg, Hij beschut de Zijnen tegen den vijand. Hij stelt Zijn leven voor de schapen. Hij droeg de straf aan het vloekhout en volbracht deze eeuwige straf in een spanne tijds. Dat is het dierbare kleinood van 's Heeren volk. Daaraan danken ze hunne vrijheid. De banier heffen de kinderen Gods daarom hoog op, houdend in de eene hand het zwaard en in de andere den troffel, niet, om in eigen kracht te strijden en te bouwen, maar gedrongen door de liefde van Christus (2 Cor. 5 vers 14), in Zijn kracht te strijden en te bouwen, wetend, dat God van den hemel het dan zal doen gelukken. (Neh. 2 vers 20). Mijn lezer, hebt gij God al voor de vrijheid gedankt ? In woord en daad getoond, dat de Heiland u dierbaar is ? Hebt ge met Paulus (Rom. 1 vers 16) ingestemd, als hij zegt: „Want ik schaam mij des Evangelies van Jezus Christus niet; want het is eene kracht Gods tot zaligheid een iegelijk, die gelooft, eerst den Jood, en ook den Griek" ? Dan heeft de Heere u ook laten zien, dat wij ons wel te schamen hebben om onze verfoeilijke zonden en ongerechtigheden, waarom wij den eeuwigen dood verdiend hebben, maar dat Hij ook is een barmhartig en genadig God, die onze krankheden geneest, omdat Hij Zich onzer ontfermt om Christus' wille
Wat geeft deze vrijheid ons ?
Hier komt het beeld van een moeder, in onzen tekst gebezigd, juist goed tot zijn recht. Een moeder geeft het leven aan hare kinderen, baart ze onder de wondere bestiering Gods. Zoo ook brengt het Jeruzalem, dat boven is, vrijheid voort. Onafgebroken ook is die vrijheid het bezit van alle burgers dier stad, van alle kinderen Gods.
Wat de Heere geeft, blijft. Hij laat niet varen de werken Zijner handen. Bekommer u dus niet, o ziel, als uw nacht ook is aangebroken. De dag zal aangloren. „Daar is een oogenblik in Zijn toorn, maar een leven in Zijne goedgunstigheid, des avonds vernacht het geween, maar des morgens is er gejuich." Wie zal dat zalige lot rooven ? Laat de vijand u pijnigen, verbannen, dooden. Niets kan Gods volk scheiden van de liefde Gods, welke er is in Christus Jezus den Heere. Dat is vrijheid, nimmer gegrepen te kunnen worden.
Zalige vrijheid ! Gebondenen, gevangenen, hoor !
De Heere roept u. O, alle gij dorstigen, komt tot de wateren, en gij, die geen zonder prijs, wijn en melk. (Jes. 55 : 1). Hij zegt: Zoo is er dan geene verdoemenis voor degenen, die in Christus Jezus zijn."
Het is een vrijheid, als die van het wettige kind, dat recht op het vaderlijk erfdeel heeft.
Dat kind mag rechtstreeks tot den vader komen met al zijn nooden en behoeften. Arme zondaren, weet het, gij zijt Koningskinderen, en ge moogt recht streeks met al uw hooden en behoeften komen tot den Koning der Koningen, voor Gods genadetroon.
Dat is de vrijheid, door Christus gebracht. Werpt alle uwe bekommernissen toch op Hem, en Hij zal het maken.
Het kind wordt in de geheimen van den vader ingeleid. Zoo ook is de vrijheid van het geestelijke Sion, ingeleid te worden in den verborgen Raad Gods, doordat God de Heere zich openbaart in Zijn Woord, en dat Woord het richtsnoer voor het leven van Gods kind is. Dat Woord, dat rijke beloften bevat, die in Christus Ja en Amen zijn.
Zweert de Heere niet met een eed, geen lust te hebben in den dood des goddeloozen, maar daarin, dat hij zich bekeere en leve ? Zegt Hij niet, dat wie zijn zonden belijdt en laat, barmhartigheid zal verkrijgen ?
En nu anders dan de Judaïsten, dan de menschen, die de Mozaïsche wet met al haar ceremonieel willen naleven, leest de christen het uit dat Woord, dat: „Christus het einde der wet is tot rechtvaardigheid, van een iegelijk, die gelooft. Zijn vrijheid is, dat hij om niet gerechtvaardigd wordt uit Zijne genade, door de verlossing, die in Christus Jezus is, niet uit de werken, opdat niemand roeme ! O, Gode dank, dat het niet gaat om onze waardigheid en gerechtigheden. Wie zou dan voor God bestaan ? Als van Israël weleer, geldt het van ieder „uwe handelingen en uwe geboorten zijn uit het land der Kanaanieten; uw vader was een Amoriet, en uwe moeder eene Hethietische." De Heere verkiest om geen andere reden dan om Zijn souverein welbehagen, Omdat Hij zondaren liefheeft.
Het leven in die vrijheid is het leven onder genade. Een leven van verrassingen en uitreddingen. Een leven, waar in men bemint, wat eerst weggeworpen werd, en wegwerpt wat eerst bemind werd. Een leven, waarin men verzoend wordt met Gods wil en leert bidden : „Uw wil geschiede !"
Lezer, zijt gij een burger van dat geestelijk Slon ?
Lezer, kent gij die vrijheid, haar eisch, haar zegen ?
Lezer, weet gij het, dat het ieder burger geldt, want onze tekst spreekt van „ons aller moeder? " Daar is dan ook maar één weg ten hemel. Dat is de smalle weg. Moeilijk voor het vleesch, maar kostelijk voor den geest. Zeg, zijt gij een van de feestgangers naar het hemelsch Jeruzalem, met het lied op de lippen, met het gebed in het hart, met het offer in de handen, met tranen van zondeberouw en blijdschap over uw Zaligmaker Jezus in 't oog ?
In ieder geval, luister : „Hij is gekomen om te zoeken en zalig te maken, wat verloren is."
Amen.
Dirksland.
^) Judaïsten waren lieden, die de Mozaïsche wet handhaafden en deze ceremoniëele wet niet vervuld zagen in Christus,
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 november 1923
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 november 1923
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's