De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

10 minuten leestijd

Immanuël.
28 Febr. 1547 werd in de Westminsterabdij, Londens wereldvermaard heiligdom, een kind van nauwelijks tien jaren, tot koning over Engeland gekroond. Geweldig groot was de menigte menschen, zoowel in als buiten 't huis Gods, schitterend de hofstoet, eenvoudig het kind ter kroning, dat reeds zoo vroeg geroepen werd zijn gestorven vader, Hendrik den 8sten, op te volgen. De jonge Eduard de 6de (aldus heette hij) leefde in de dagen der Kerkhervorming (uitwendig), inwendig ging bovendien reeds vroeg het licht der genade op in zijn ziel. Aangrijpend kwam zulks uit op het oogenblik, waarop wij hem u voorstellen. Thomas Cranmer, mede een pionier der Hervorming op Engelschen bodem, plaatste de kroon op Eduards hoofd en toen de hofstoet zich gereed maakte om uit het Godshuis naar het paleis te trekken, werden den jongen vorst drie zwaarden gebracht, als zinnebeeld van de drie rijken, over welke hij den scepter had te zwaaien.
„Eén zwaard ontbreekt er nog, merkte de Koning daarop aan ; en op de vraag der edelen, welk dit was, antwoordde hij: „de BIJBEL ; dat boek is het zwaard des Geestes en het moet boven de anderen worden geschat. De Bijbel moet ons in alle gerechtigheid leiden. Wij zijn niets, en kunnen niets zonder den Bijbel. Wie zonder hem regeert, mag geen dienaar Gods en geen Koning worden genoemd." Een Bijbel werd op dit woord voor den dag gehaald en met diepen eerbied mede in den ommegang rondgevoerd
Helaas! Eduard, de jonge „Josia" van Engeland, gelijk hij in den volksmond werd genoemd en geroemd, mocht slechts korten tijd mede met het zwaard des Geestes over zijne drie rijken heerschen ; 6 Juli 1553 nam de Heere hem, nauwelijks 16 jaren oud, tot Zich, klagelijk door zijn onderdanen beweend. „Het gras verdort, de bloem valt af, maar het Woord onzes Gods bestaat in der eeuwigheid !"
Tekst : Psalm 45 vers 4 :
„Gord uw zwaard aan de heup, o held ! uwe majesteit en heerlijkheid."
a. O held ;
b. Uw zwaard;
c. Gord het aan.

In het hart van den mensch is voor alles plaats, behalve voor God en goddelijke dingen. Gods Woord leert 't ons als op iedere bladzijde, de practijk van het menschelijk leven bevestigt het dagelijks. Het mag dus wel een wonder heeten als de ons bij name onbekende dichter van Psalm 45 zijn profetisch bruiloftslied aanvangt met het aandoenlijk schoone : „Mijn hart geeft eene goede rede op, ik zeg mijne gedichten uit van eenen koning ; mijne tong is een pen eens vaardigen schrijvers." Uit dit laatste „mijne tong" zien wij ook reeds aanstonds naast de geestelijke blijmoedigheid des harten de niet mindere geestelijke vrijmoedigheid des dichters om te belijden wat hij mocht beleven. Of zou het ook hier niet waar zijn : „Waar het hart vol van is, loopt de mond van over !" En, zoo dezen niet spreken, de Heere zou immers uit de steenen Abraham kinderen verwekken. „Belijden" en „beleven", in den waren zin des woords, het is ééne genadedaad Gods. Niet, dat zij altijd samengaan, ach neen, ook hier strijdt de duisternis maar al te vaak met en tegen het licht en toch, zij blijven beide eisch des Heeren. (Lukas 12 vers 8). Zoo vindt de rechte 'belijdenis dan ook haren levenswortel eenig en alleen in 't waarachtige beleven der dingen Gods of in het leven des geloofs. 'De dichter van Psalm 45 is in geestelijke verrukking ter bruiloft, ter bruiloft van zijnen Koning Jezus Christus, met zijn lieve bruid, Gods strijdend en. triumfeerend erfdeel.
Welk een gunst; wat een eer !
Spraken onze vaderen van een vierderlei vereeniging der ziel met Christus, te weten : de betrekkelijke-, de genootschappelijke-, de bevindelijke-en de gestaltelijke vereeniging, geen twijfel of de bruiloftszanger in onzen Psalm kent ze en zeker is het toch niet te veel gezegd, dat hij van de vier genoemde trappen des geestelijken levens hier op de derde en vierde als met beide voeten in de bereidheid des Evangelies wandelt en huppelt voor het aangezicht zijns Konings. Hoort hem nu zingen : Gij zijt veel schooner dan de menschenkinderen, genade is uitgestort in uwe lippen ; daarom heeft U God gezegend in eeuwigheid." Christus leeft in zijn ziel, Hij stond als voor hem, opgetrokken als hij werd boven de wolken, die wij voelen, boven de sterren, die wij zien, tot in den derden hemel, dien hemel des geloofs. Zijn Borg had een gestalte uit hem. Hij ziet twee dingen : den schoonste der menschenkinderen en de andere kinderen der menschen, helaas, van alle schoon ontbloot.
Hij ziet zijn Koning in Zijn vrijwillige vernedering, in Zijn weergaloos lijdenen strijden om der zonden wil, maar ook blikt hij door de lantaarn Zijner menschheid op Zijn Goedheid, op Hem, het schoonste Menschenkind, den tweeden, den beteren Adam, wederom een vrucht der aarde, uit een vrouw geboren, onder de wet, in Wien de Godheid lichamelijk zou wonen. Ja, meer dan Salomo is hier ! Bij het trekken door den Jordaan droegen de Levieten de ark Gods, zij mochten haar niet aanraken, haar aan de handboomen dragend op de schouderen. Zij mochten haar niet hebben voor hunnen adem, niet in 't oog. En Israël ? Het mocht de ark niet dan op 2000 ellen naderen. Hier nochtans openbaart zich de tegenbeeldige ark Christus, dragende de wet in Zijn ingewand, in het hart van Zijn kind !
„God is zóó groot", riep eens eene vrome vrouw uit, „dat de hemel Hem niet kan bevatten en ook zóó klein, dat Hij wil wonen in mijn hart."
Ja, dat kan God alleen, de Held, Die op Zijn tijd het Jericho in ons door het geloof doet vallen tot aanbidding.. Dit is het werk van den Man uit duizend, die door lijden zal gaan tot heerlijkheid. Hij, de machtige Jacobs, die zal hebben maar ook weten te dragen den vollen last des toorns Zijns Vaders in het roode kleed van Bozra tegen de zonde. Die zal vallen, maar ook weder opstaan om eens Zijn bruid Zijnen Vader voor te stellen als een gemeente zonder vlek of rimpel.
b. Uw zwaard.
Wat kan er troostvoller zijn voor een godvreezende ziel, dan de teekenen van Gods tegewoordigheid ? Het is eene groote vreugde van Gods goedertierenheid te hooren, maar de kenteekenen van Zijn goedheid te zien en te voelen is een onuitsprekelijk genot. Hierom waren Gods kinderen niet tevreden met hun geloof, maar hebben altijd gebeden, dat zij het zien en genieten mochten en hebben geweend als zij zulks niet konden verkrijgen. De Heere toch werkt middellijk. Middellijk door Zijn Woord, middellijk door Zijn Geest. De dichter, ziende op het eerste, noemt dit een zwaard. En, terecht ! Paulus verklaart het in zijn brief aan de Efeziërs als 't zwaard des Geestes : „En neemt het zwaard des Geestes, hetwelk is Gods WoorcJ." (Ef. 6 vers 17).
Een woord nu is — zal het goed zijn — vertolking van een gedachte ; zoo is dan ook, ja, meer en beter dan bij den mensch, Gods Woord niets anders als de uitdrukking van de gedachte Gods, die, gelijk Hij Zelf eeuwig is, van eeuwigheid is en in den tijd aan menschenkinderen openbaart. Het is gevloeid uit Gods heilsgedachten ; uitgedrukt in de profetiën, verwachtende de vaderdern ; bevestigd door Jezus' eigen mond ; gestaafd door Paulus' ervaring ; bezegeld door duizenden harten Uw zwaard ! O, die reine radenen, gelouterd zilver, zevenmaal gezuiverd !
Eeuwenlang doorstond het, als de grootste „martelaar", het vuur en de instrumenten der hel en toch „wat vergaet, 't Woord bestaet!"
Het is 't zwaard van Immanuël, tweesnijdend, eenerzijds doodend, anderzijds levendmakend ; voor dezen een reuke des doods, voor genen tot een reuke des levens.
Toen Israël pas in de woestijn was, leed het gebrek, had het honger. Wat een scherp zwaard ! Tevoren was het aan hen verboden gezuurd brood te eten, doch welk brood is zoo zuur als gebrek ? Houden de middelen om te leven het uit, lichtelijk is men tevreden ; zoolang Israël deeg en toespijs had, zoolang het de dadelen van Elim' vergaren mocht, hooren wij niets nieuws van hen, is 't rustig. Wie zou ook niet voor zijn dagelijksch brood bidden, zoolang het voor hem staat ?
Maar wanneer onze spijze ophoudt en ons vertrouwen nochtans op God blijft staan, dan zien wij daarin den edelen proefsteen des geloofs.
In onzen Psalm hongert de dichter als 't ware haar Christus, naar Zijn zwaard. Hij bedelt om een teeken van Zijn goedheid, het anker zijner hoop, het teeken Zijner liefde. Zijn Woord. Hij heeft be­hoefte aan een zichtbaren, gevoeligen omgang met zijn God door Zijn Woord en door Zijn Geest, in welken toestand dan ook, ja, in leven en in sterven, immers zijn eenige troost gelegen is !
c. Gord het aan.
Het gorden ziet op het ondernemen van en het toerusten tot een overgroot en voortreffelijk werk, op alles wat tot uit-en volvoering van hetzelve vereischt wordt. Ook de Heere gordt zich, dat is, Hij maakt Zijn Woord door Zijn daad waarachtig : „Meent niet, dat Ik gekomen ben om de Wet of de Profeten, te ontbinden ; Ik ben niet gekomen om: die te ontbinden, maar te vervullen."
Meermalen is het de gewoonte der heilige Schrijvers, .dat zij van God smeeken, hetgeen zij zeker weten dat hun vergund zal worden. Ziet het in David (2 Samuel 7. vers 25—27) ; in Daniël (9 vers 2 en 3). Hoe klaarlijk blijkt hieruit, hoe nauw en teer Gods kinderen in bedoeling en wensch leven in overeenstemming met den Raad Gods. Dus gaan ook immer hunne gebeden aan Gods werk voorop en vooruit. Hij wil er van den huize Jacobs immers om gebeden zijn ! Welaan dan, Heere, draag Uw Woord uit, het Woord der blijde boodschap, het Evangelie; gord toch Uw zwaard aan de heup ! Aan uw heup, opdat het blijve bij de hand, opdat Gij leeren moogt als machtig in woorden en werken. Gij, ons Hoofd, wij, Uwe leden.
Aangrijpend was zeker het oogenblik, toen de oude patriarch Abraham den ouden Eliëzer liet zweren voor Izak zijnen zoon een vrouw te zoeken uit zijn land en maagschap. Wij lezen toch in Genesis 24 vers 9 : „Toen leide de knecht zijne hand onder Abrahams zijns heeren heup, en, hij zwoer hem over deze zaak." Maar, geef ons woorden om het uit te drukken, wat het is, als de meerdere-getrouwe, Christus, Zijn bruid zoekend, zweerf bij zichzelven, wiji mj niemand boven Zich heeft om bij te zweren ? Als Hij Zijn hand brengt aan Zijn zwaard en die legt op Zijn volk, uitroepende voor hemel en aarde : „Zeg tot hen : Zoo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE, zoo Ik lust heb in den dood des goddeloozen ! Maar daarin heb Ik lust, dat de goddelooze zich bekeere van zijnen weg en leve. Bekeert u, bekeert u van uwe booze wegen, want waarom zoudt gij sterven, o huis Israels ? " (Ezechiël 33 vers 11).
O, in die oogenblikken valt de bruid, gelijk eens weleer de koningin van Scheba bij Salomo, aan Iramanuëls voeten, O'pgetrokken als in den .derden hemel, stamelende 'in aanbidding : „Het woord is waarheid geweest, dat ik in mijn land gehoord heb van uwe zaken en van uwe wijsheid; en ik heb die woorden niet geloofd, totdat ik gekomen ben en mijne oogen dat gezien hebben ; en zie, de helft is mij niet aangezegd, gij hebt met wijsheid en goed overtroffen het gerucht dat ik gehoord heb."
De Heerlijkheid der eere Uwer Majesteit !
Amen.

Opheusden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 november 1923

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 november 1923

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's