Staat en Maatschappij.
Principiëele politiek.
Van verschillende kanten verneemt men de klacht, dat waar de Vlootwet en het in evenwicht brengen van de landsfinanciën zoo allerwegen in woord en geschrift de aandacht bezig houden, de geestelijike en zedelijke vraagstukken, waarvan er in onzen tijd zoovele aan de orde zijn, steeds verder op den achtergrond raken.
Er is, zoo beweert men dan, wel tijd en gelegenheid om over de verdediging van Indië en over de veiligstelling van den gulden te spreken, maar met al dat gepraat vergeet men, dat allerlei problemen, welke de beginselen raken en die om oplossing roepen, er bij inschieten.
Zelfs gewaagt men van een voorop schuiven van de materiëele zaken ten koste van het geestelijk goed.
Is er nu wel — zoo zouden wij willen vragen voor deze klacht grond ? Bestaat er aanleiding om zich hier bezwaard te gevoelen ? Wij zouden deze vragen niet gaarne zoo zonder meer bevestigend beantwoorden.
Zeker, er was iets waars in, dat de principiëele politiek in de huidige tijdsomstandigheden wordt veronachtzaamd, nu onderwerpen als de bevordering van .de Zondagsrust, maatregelen tegen het overtreden van de begrafeniswet, de Staatsloterij, de vaccinedwang, het bioscoopgevaar, de stemplicht en zoo vele andere tevergeefs op afdoening wachten, maar daarbij is toch niet voorbij te zien, dat ook de vraagstukken betreffende het nakomen van onze internationale verplichtingen en 't zorg dragen voor bet behoud van de economische kracht van ons volk, een geestelijken kant bezitten.
Wie, die naar christelijke levensopvatting leeft, zal bet durven ontkennen, dat de landsverdediging miet een eisch en plicht is van Godswege ons gesteld ?
God gaf ons ons vaderland en onze koloniën.
Hij bepaalde onze grenzen, bestelde onze plaats te midden van de volkeren en schreef onze historie.
Hij vertrouwde Indië. als een kostelijk goed, Nederland toe ; leide op ons volk de dure en ernstige roeping om voor Indië's belangen in geestelijken, zedelijken en stoffelijken zin op te komen en belastte ons met het rentmeesterschap om daarvan eenmaal Hem rekenschap te doen.
Nederland heeft te beschermen, te verdedigen en te bewaren het vaderlijk erfdeel, dat God in Zijn voorzienig bestel aan ons volk gaf.
Een gelijke geestelijke kant, welke zich aan het vraagstuk der landsverdediging zoowel ten opzichte van Nederland als van zijn grondgebied over zee bevindt, bestaat ook ten aanzien van dat andere probleem, dat zich richt op het in stand houden van de economische kracht van ons volk.
Want met het behoud van de economische en financiëele kracht van ons volk hangt toch onmiddellijk samen de toekomst van Vaderland en Vorstenhuis, van Kerk en Gezin en van School en Zending.
Wij behoeven dit niet nader uit te werken, waar wij allen dag het waarschuwend voorbeeld voor oogen hebben van de geestelijke schadee, welke in landen als Rusland, Oostenrijk en Duitschland wordt geleden.
Doch wij geven toe, dat dit alles de noodzakelijkheid niet wegneemt van het voeren van een principiëele politiek.
Er is, zooals wij hierboven aangaven, op dit punt nog heel wat te doen.
Zelfs is er bij de afdoening van verschillende onderwerpen groote haast, wil ons volk niet het gevaar loopen om geheel in het stoffelijke op te gaan.
De vrijzinnigen en sociaaldemocraten vinden, dat 't tegenwoordig goed gaat.
Maar hun jubel moet voor óns een baken in zee zijn. Wij leven in donkere, zeer donkere tijden.
Het ongeloof grijpt, waar het maar even kans van slagen heeft, om zich heen.
Daarom is het noodig, dat wij het vaandel der beginselen méér dan ooit omhoog steken.
Want alleen in het opkomen voor Gods eere, ook in het staatkundige leven, is er redding voor ons volk te verwachten.
De kosten der eerediensten.
Bij de begrooting van de kosten der eerediensten voor het dienstjaar 1924 werd bij het afdeelingsonderzoek In de Tweede Kamer een tweetal onderwerpen ter sprake gebracht.
Het eerste onderwerp betreft de nieuwe predikantstractementen, welke de regeering in de begrooting heeft voorgesteld, namelijk één ten behoeve van de Nederduitsch Hervormde gemeente te Charlois ca., en één bestemd voor de Nederduitsch Hervormde gemeente te Delfshaven. Beide predikantstractementen vinden hun grond in de belangrijke uitbreiding dier gemeenten als gevolg van den aanleg van uitgebreide havenwerken.
Over het algemeen zijn wij maar matig met de vermeerdering van predikantstractementen ingenomen, omdat zij instede van den financiëelen band tusschen de Kerk en den Staat losser te maken, deze vaster aanknoopen. Bovendien maakt het den indruk, dat de Ned. Hervormde Kerk niet in staat is voor haren eigen eeredienst te zorgen.
De vestiging van de beide hierboven genoemde predikantsplaatsen geeft ook ditmaal weer aanleiding om op nog sterker uitbreiding aan te dringen. Wij lezen in het Kamerverslag, dat thans reeds gevraagd werd of op een volgende begrooting een tractement voor een nieuwe predikantsplaats te Amsterdam kan worden uitgetrokken. Zoo de regeering daartoe mocht overgaan, zal dit aanleiding moeten geven dat de R.-Katholieken ook weer een geestelijke meer krijgen, die uit de Staatskas zal worden bezoldigd.
Het tweede onderwerp, dat ons echter meer belang inboezemt, behandelt de bekende kwestie van de financiëele verhouding tusschen Kerk en Staat. Daarvan wordt in 't verslag gezegd :
Wederom werd gepleit voor de algeheele losmaking van den financiëelen band tusschen Kerk en Staat.
De vraag werd gesteld of de minister instemt met de thans geldende regeling ten aanzien van de predikantstractementen. Of — vroeg men --
is de Minister van oordeel, dat naar de totstandkoming van een nieuwe regeling moet worden gestreefd ? En zoo dit laatste het geval is, is de Minister dan bereid, zijn voornemens te dezer zake aan de Kamer mede te deelen?
De opmerking, die hier gemaakt wordt en de principiëele vraag, welke wordt gesteld, blijven voor de toekomst van onze Kerk van groote beteekenis.
Daarom zien wij ook ditmaal met groote belangstelling uit naar de antwoorden, welke de regeering zal geven.
Nu de zaak eenmaal aan de orde werd gesteld, moet ze, zoolang ze geen oplossing heeft gekregen, een punt van de agenda blijven.
Het onderwijsbeleid.
In het Voorloopig Verslag over de onderwijs-begrooting voor 't aanstaande jaar worden verschillende bedenkingen geopperd tegen de schoolpolitiek, welke in den laatsten tijd door het Departement van Onderwijs wordt gevoerd.
Wij laten er hieronder een drietal volgen.
In de eerste plaats gaat een klacht tegen de hoogstbelangrijke stijging van het bedrag, dat jaarljjks door het Rijk voor het onderwijs wordt uitgegeven. De verwachting was, dat, tengevolge van de herziening, welke die wet op het Lager Onderwijs dit jaar heeft ondergaan, en waarmede bezuiniging werd beoogd, de uitgaven voor het lager onderwijs zouden verminderen. Niettemin worden voor 1924 weer eenige millioenen méér uitgetrokken dan voor dit jaar het geval was.
Algemeen wordt het als de eenige weg, waarlangs belangrijke vermindering van de kosten van het lager onderwijs te verkrijgen is, noodzakelijk geacht, dat de Lager Onderwijswet in radicalen zin wordt gewijzigd.
Zulk eene wijziging zal gericht moeten zijn op eene vereenvoudiging van het lager onderwijs over de geheele lijn ; ook zullen de exameneischen lager moeten worden gesteld en de leerstof worden, ingekrompen ; en eindelijk zal meer vrijheid van beweging moeten worden gelaten, zoodat de gemeenteen schoolbesturen niet meer met allerlei kleinigheden worden lastig gevallen.
In de tweede plaats wordt de opmerking gemaakt, dat, ter sparing van kosten in onze onderwijswetgeving, het meer en meer noodzakelijk gaat worden, om met het beginsel te breken, waarbij het openbaar onderwijs als regel en het bijzonder onderwijs als aanvulling wordt beschouwd.
Zooals de toestand op dit oogenblik is, blijven openbare scholen met 8 en 12 leerlingen nog altijd mogelijk, zelfs nadat de stichtingsvoorwaarden voor de bijzondere scholen aanzienlijk zijn verzwaard.
Van een zelfde gedachte als bij het openbaar lager onderwijs wordt ook bij de oprichting van de openbare Gymnasia en Hoogere Burgerscholen uitgegaan. Telt een gemeente 20.000 inwoners, dan moet zij, volgens artikel 6 der Hooger Onderwijswet, een Gymnasium stichten, tenzij zij vrijstelling vraagt en deze verkrijgt. Het gevolg daarvan is, dat met den bouw van dure openbare Gymnasia en Hoogere Burgerscholen door de gemeenten onbelemmerd wordt voortgegaan, terwijl die van de goedkoopere bijzondere wordt stopgezet.
En van niet minder belang is de derde bedenking : „dat de Overheid het door haar gestichte onderwijs met het geld uit de openbare kas veel te hoog opvoert, ten gevolge waarvan het bijzonder onderwijs oo.k meer ontvangt dan het geval zou wezen, indien bij het openbaar onderwijs de noodige soberheid werd betracht. Op deze wijze leggen openbaar-en bijzonder onderwijs tezamen onnoodig zware lasten op de belasting betalende burgerij.
De weg om uit deze impasse te geraken is, dat de Overheid zich, en vooral ook haar organen, den gemeentebesturen, beperking moet opleggen in het op-en inrichten van openbaar onderwijs, om vervolgens de kosten van dit vereenvoudigde openbaar Onderwijs tot maatstaf te nemen voor de aan het bijzonder onderwijs toe te kennen vergoedingen. Daardoor zal afdoende bezuiniging worden verkregen, zonder dat aan de rechtvaardigheid wordt te kort gedaan.
De Overheid vange de bezuiniging aan bij het onderwijs, door haar zelf of hare organen beheerd, en bepale daarnaar de vergoeding aan het bijzonder onderwijs. De verdere uitbouw van het onderwijs kan dan voor zooveel noodig aan het particulier initiatief worden overgelaten.
Dit alles zal mogelijk zijn, zoo de Overheid overtuigd wordt, dat de zorg voor het onderwijs in de eerste plaats tot de taak der ouders behoort en dat de Overheid eerst geroepen wordt scnolen te stichten, indien de ouders daarin op zoodanige wijze tekort schieten, dat het algemeen welzijn wordt bedreigd.
Dat de regeerinig nog niet overtuigd is van de noodzakelijkheid van versobering van ons onderwijs, daarvan levert de onderwijsbegrooting bij schier alle posten het bewijs.
In het Voorloopig Verslag is men niet in gebreke gebleven dit met voorbeelden aan te toonen.
Een krachtig ingrijpen is beslist noodzakelijk.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 december 1923
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 december 1923
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's