De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Verschoppelingen

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Verschoppelingen

Feuilleton.

6 minuten leestijd

EÉN OORSPRONKELIJK VERHAAL DAT AANVANGT ONGEVEER 1870

In zijn redeneeren met Wüsting was hij nooit een stap geweken, doch inwendig voel de hij zich wankelen. Eerst schermutselde met hem de vraag : als eens niet alles in den Bijbel Goddelijke waarheid was ? — Nu, wat zou dat dan nog ? — Er bleef waarheid genoeg over ! — Maar wat was dan wèl, en wat was niet waar ? — Wie besliste daar over ? Men moest letter en geest in den Bijlbel onderscheiden ! — Doch wat was dan letter? en wat geest ? Indien eens juist dat, wat voor hem altijd de groote waarheid was geweest — Jezus Christus de volkomen zaligmaker voor den zondaar, die in Hem gelooft — indien eens juist dat niet waar was ? — Als 't nu eens zóó was, dat de mensch — en dan iemand als hij, die zooveel te worstelen had tegen het kwaad, de zonde, die altijd op hem aandrong, als hij nu eens zelf zich moest opwerken tot smetlooze heiligheid, wilde hij ooit het eeuwige leven kunnen beërven ? O, dan werd het hem zoo bang. Dan zag hij duidelijk in, dat al zijn worstelen en hopen vergeefsch zou zijn.
Soms lag hij lang wakker in zijn bed. Als eens werkelijk wonderen onmogelijk'waren, dan was Christus niet opgewekt, en dan was al zijn geloof ijdel ! En — aoh ! — dan bestomd ook zijn Heiland niet en had hem niet lief. Dan — ach ! — had hij iemand zoo wonderlijk lief, iemand, die nergens, nergens op aarde of in den hemel was ! Maar als Die er niet was, zou hij niet meer kunnen, niet meer willen leven !
Soms was hij heel den Bijbel kwijt : 't was dan voor hem niets meer dan een gewoon boek. En 't was hem, of de zon aan den hemel was uitgedoofd en 't leven van gansch de aande geweken. Dan waren de menschen voor hem de raadselachtigste wezens, en 't bestaan van alles grijnsde hem toe als een doolhof van de voleindigde onzinnigheid.
Eens was hij zoo raddoos, dat hij zich op weg begaf naar zijn vriend Mark Mons, dien hij wel meer bezocht. Zijn oude trouwe vriend zou hem misschien kunnen opbeuren ! Hij kwam juist bij de brug, toen die opgehaald werd, om een schip door te laten. Aan den overkant kwam een rammelende varkenswagen en hield daar voor de brug stil. De ruwe taal en 't gevloek van den voerman trok Pauls aandaciht : die voerman was — Koen !
„Heere ! ik zie het nu in eens ! Uw Woord is de waarheid !" zei Paul binnensmonds, maakte terstond reohtsomkeert en alle twijfel en ongeloof was in eens geweken.
Wie er de aandacht op gevestigd had, zou 't gezien hebben, hoe er, als op slag, een blijde glans over zijn wezen kwam.
Een ander maal miste hij niet alleen den Bijbel, maar ook God. Er was geen God. 't Was hem, of de wereld onder hem weg­ zonk en hij zelf in een peillooze duizeling verslonden werd. Het was hem onmogelijk te werken en daarom liep hij naar buiten ; niet om iets te zien of té hooren, want binnen in hem was 't zoo angstwekkend leeg, dat er uitwenidig niets voor hem bestond. Er was geen God'!
Daar riep iemand :
Paul Dilleman !"
Nauwelijks had hij zijn naam gehoord, of hij hief het hoofd naar den hemel en zei :
„Heere God ! waart Gij niet, dan zou Paul Dilleman niet zijn !"
En weer riep het:
„Paul Dilleman !"
„Kerel ! ben je suf ? 'k Heb al voor den vierden keer geroepen ! Of mag ik niet met je meeloopen? "
„Ik heb je maar ééns gehoord ! Neem me niet kwalijk !"
Maar Paul had God terug.
Wanneer later soms de twijfel aan het bestaan van God in hem weer opdook, duw de hij dien onder met de woorden :
„Ik besta : dus bestaat God. Bestond Hij niet, dan bestond ik niet."
Zijn eigen geschiedenis was voor hem een groot Goddelijk wonder, een lange, lange keten, waarvan elke schakel een wonder was.
De Bijbel bleef voor hem het waarachtige Woord Gods. Alles wat daarin voor hem van persoonlijke beteekenis was geworden, had hij in zich en om zich de waarheid gezien. En was er veel, dat hij niet begreep, toch kwam hem dat onbegrepene nooit onredelijk voor.

HOOFDSTUK XXI.
Vader Dilleman was trotsch op zijn Paul ; en Hillebrand werd het hoe langer hoe meer. Met welgevallen merkte hij op, dat sedert Paul studeerde, de trekken in zijn gelaat zich verfijnden, de blik van zijn oogen veel scherper werd en het denken meestal van zijn gelaat was te lezen. Als hij Pauls teekeningen zag, begon het hem te duizelen van den lijnenwirwar. En 't dacht hem, dat, gelijk de jonge bouwkundige in die lijnen even zoo thuis was als vroeger in 't midden der groote kudde schapen, hij ook in den Bijlbel veel helderder zag, dan hij, de kuiper zelf. Want vroeger had Paul altijd maar aangenomen, wat de baas hem leerde; maar nu — noodzaakte hij den baas, om zijn beweren te aanvaarden. Niet dat hij 't den kuiper opdrong, maar de heldere redeneering zelf deed het.
„Studeeren jullui daar in de teekenzaal in den Bijibèl ? " vroeg Hillebrand hem eens. Paul lachte.
„Mijnheer Diedriks (de architekt) zou er liever een vuurtje van stoken ! Foei, wat is die man fenijnig tegen den Bijbel ! Maar waarom vraag je dat zoo, baas ? "
„Omdat ik de handen aan jou vol begin te krijgen, sedert je daar gaat. Of lees je geleerde Bijbelverklaringen ? "
„O, nu begrijp ik je. —Nee baas, ik lees nu minder in en minder over den Bijbel dan toen ik herder was, omdat ik er zooveel tijd niet voor mag afnemen. Ik kon toen lezen zooveel ik wilde, en ik las liefst in den Bijbel, en dat zou 'k nog doen : doch vroeger las ik maar, en er was zóó overvloedig veel in, dat regelrecht inging in verstand en hart, dat, als er iets was, dat ik niet goed begreep ik er maar overheen las. Dat doe ik nu niet meer ; ik kan het niet meer. Als de Bijbel een romannetje was, of een sprookjesboek, dan zou ik over veel dingen eenvoudig heen lezen. Maar in den Bijbel spreekt God tot mij ; ik moet, ik wil weten, wat Hij mij te zeggen heeft. In een wiskundige constructie of bouwkundige teekening moet ik mij van elk lijntje de beteekenis bewust zijn, ik wil dat ; ik kan 't niet laten. En zoo sta ik nu ook voor den Bijbel. En nu weet ik wel, dat er heel wat in den Bijbel staat, dat op 't oogenblik niemand zal kunnen oplossen, maar er is nog meer dan genoeg, waarvan beslist zeker kan gezegd worden : Dat staat er, en zóó staat het er. En nu begrijp ik niet, hoe zooveel menschen den Bijbel lezen, als ze 'm lezen. Op z'n allenbest hebben z' er een oogenblikje, terstond verdwijnende aandoening van ; meer niets. Er beklijft niets van in 't verstand en daarom ook niet in 't hart : 't lezen is bijna enkel sleurwerk."
(Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 december 1923

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Verschoppelingen

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 december 1923

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's