De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Verschoppelingen

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Verschoppelingen

Feuilleton.

6 minuten leestijd

EEN OORSPRONKELIJK VERHAAL DAT AANVANGT ONGEVEER 1870

De baas kniikte goedmoedig met het hoofd en na een poosje zwijigen zei hij
„Er is veel van waar, wat je zegt ; maar je moet ook je menschen aanzien. Als ik als ouderling bij sommige menschen kom, denk ik vaak : arme stakkerds, wat moeten jullui je met een beetje tevreden stellen ! — Want jij weet misschien even goed als ik, dat er genoeg menschen zijn, die elgenlijk geen andere Nederlandsche woorden kennen, dan die ze zoo dageilijks gebruilken, en dat zijn er weinige. Laatst trof ik nog een vrouw, die aan de woonden feit en fei1 dezelfde beteekenls hechtte. Een andere las : naar de wijze der vrouwem alsof er stond: naar de wijze vrouwen; en niet maar bij verglssing, nee, nee, ik had groote moeite om 't haar anders aan 't verstand te brengen. Met den besten wil kunnen zulke menschen niet goed lezen. Gelukkig voor hen — voor ons ook — dat Gods Geest met o n u i t s p r e k e l ij k e gedachten in ons werkt en met o n u i t s p r e k e 1 ij k e verzuchtingen in ons bidt."
Paul had dit met hooge belangstelling aangehoorid Nu zweeg hij en — dacht na, wat er voor die onkundige menschen kon gedaan worden, opdat ze meer en beter zouden kunnen genieten uit den rijken schat van Gods Woord, dat voor dezen als in een nauweilijks half gekende taal tot hen sprak.

Minstens een paar maal in een jaar schreven Paul en Marie elkander een brief, gewoonlijk een heel langen brief, waarin al het vermeldenswaardige van een half jaar behandeld werd. Meestal las Paul den brief van Marie overluid aan zijn huisgenooten voor, en Marie deed hetzellde met Pauls brief voor de freule. Die brieven deden immer denken aan een verhouding als van broer en zuster.
Den vorigen zomer had Paul eens — tot zijn onuitsprekelijke verrassing — freule Virginie en Marie in de Zondagssdcool te Delberg aangetroffen. Eerst zag hij er erg tegen op, om voor de kinderen te vertellen in tegenwoordigheid van de freule.
„Och, frenle ! als 't u belieft ! ik zou zoo gaarne u eens hooren spreken tot de kinderen !"
„Maar ik kom nu juist hier, om u eens te hooren, Dilleman ! Doch ik weet raad ; wij spreken elk de helft van den tijd. Dan kan ons beider verlangen bevredigd worden. Begin u maar, dan kunt u mij zooveel of zoo weinig tijd laten, als u verkiest."
Wat was Paul verlegen met zich zelf ! Waarom noemde de freule hem maar niet Paul, en zei ze niet jij of jou tot hem. Hij voelde zich in hare nabijheid toch zoo geheel de verschoppeling van vroeger, de jongen uit de heide. Doch zij deed dat misschien om de kinderen ; straks, als ze met hun drieën alleen waren, zou ze zeker wel anders doen !
De freule had verbazend veel schik in Pauls spreken tot de kinderen, omdat hij geheel in hun taal sprak, en zoodra hij vermoedde, dat zijn leerlingen niet allen een of ander Nederlandsch woord zouden verstaan, zei hij 't op z'n Delbergsch.
En Paul was vol bewondering voor de freule. Dat hoogfijn beschaafde in de keuze der woorden en in de uitspraak er van ! Hij merkte, dat het den kinderen evenzeer bekoorde als hem zelf. Ook zij kon Bijibelsche woorden, die voor de leerlingen nog te hoog waren, niet ontgaan, doch zij omschreef ze, maar zij deed het zóó eenvoudig mooi, dat hij wensohte, 't zóó te kunnen. Hem bleek ook uit haar spreken, dat zij een hooger verwachting had dan hij van de bevatting der kinderen aangaande geestelijke zaken. Hij kreeg den indruk, dat zij de kinderen veel beter kende dan hij.
Toen de kinderen waren heengegaan, elk met een leesboekje van de freule, vroeg hij haar :
„U houdt zeker ook altijd Zondagsschool, freule ? "
„Ja, Dilleman ! al zes jaar; maar om zóó tot-de kinderen af te dalen, als u dat doet, zal ik nooit leeren. U hebt zelf onder en met hen geleefid : u weet precies, hoe ze denken en spreken. Hun wereld is veel beperkter, in elk geval heel anders, dan ik mij die kan denken."
„Hun wereld is ruwer, freule ! — grover, plomper, platter, lager. En als ik nu tot hen spreek, zijn Wij terstond met elkaar thuis.
„Juist!"
„Wacht even, freule ! — als ik tot hen spreek, zijn ze als in hun eigen huis en op hun land, in de schuur of bij hun vee ; allies zoo eigen, zoo gewoon, zoo alledaagsch. Maar als u tot de kinderen spreekt, gaat er voor hen een poort open, de poort van een wereld, die ze niet kennen : een mooie wereld, fijn en edel, rein en lieflijk. Iets uit een hooger wereld komt tot hen en hun jonge zielen voelen zich opgeheven. Terwijl u sprak, heb ik de bewondering vóór, en de, misschien onbewuste, hunkering naar het verhevene op het gelaat van sommige kinderen gelezen."
„Van sommige, Dilleman ! — van sommige !"
Ze legde zulk een eigenaardigen nadruk op dat „sommige". Paul dacht, dat ze meer wilde zeggen : iets bijzonders ; doch ze zweeg.
Hij keek Marie aan. En dat merkte de freule, die naast haar stond en haar nu op den schouder klapte en zei :
„Marie ! zeg ook eens wat!"
Marie glimiacihte.
„Ik zal zeker moeten zeggen, wie van u beiden het best de Delberger kinderen onderwijst ? "
„Dat zou niemand beter kunnen beoordeelen dan jij, Marie. Jij bent een Delberger kind." „En als ik 't moest doen, zou ik 't doen, zooals we gewoon waren te antwoorden op de vraag : wie heb je liever ? je vader of je moeder ? "
De freule lachte lachte. „Beiden even lief! — Zóó ontspringt men den dans !
De freule begaf zich naar de deur, terwijl Marie en Paul enkele woorden met elkander wisselden, doch dan gingen ook zij naar de deur om het gebouw te verlaten. Een eindje liepen ze naast elkander tot hun wegen zich splitsten, en Paul van de freule en Marie afscheid nam.
Zoodra hij alleen liep, voelde hij zich zeer eenzaam ; misschien als terugwerking van de blijdschap door de ontmoeting van de beide dames. Van de beide ! — Indien hij of Marie, of de freule alleen had aangetroffen in de Zondagsschool, zou hij — dacht hem — maar half zoo blij zijn geweest. En indien nu één van die twee nog naast hem had geloopen, zou hij toch nog voor de helft die drukkende verlatenheid hebben gevoeld.
Aan beiden dacht hij ; maar als aan een eenheid. Diie twee waren voor zijn bewustheid onsoheidbaar. De freule zou kunnen trouwen, maar Marie zou bij haar blijven ; en Marie zou niet kunnen trouwen, want ze kon de freule niet meenemen. Maar die twee behoorden ook bij elkander : God had haar samengevoegd in den voor hem zoo hangen, onvergetelijken naoht. Slechts de dood zou die twee scheiden !

(Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 december 1923

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Verschoppelingen

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 december 1923

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's