De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Staat en Maatschappij.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Staat en Maatschappij.

26 minuten leestijd

De Landsfinanciën.
Er zijn nog altijd heel wat menschen die meenen, dat het met den financiëelen toestand van het land nog zoo erg niet is gesteld en die, als men het heeft over bezuiniging en over het in evenwicht brengen der Staatsfinanciën, van oordeel zijn, dat de zaken te donker worden ingezien.
Voor dezulken kan het niet kwaad zijn eens van de cijfers, die onlangs verschenen over de gesteldheid, waarin de Nederlandsche schatkist verkeert, kennis te nemen.
In de eerste plaats de Staatsschuld.
Deze bedroeg in het jaar 1914 ruim 1100 millioen gulden, in het jaar 1918, 't tijdstip, waarop de oorlog eindigde, 1600 millioen gulden, drie jaar later in 't jaar 1921 ruim 2550 millioen gulden, terwijl voor 't jaar 1923 de Staatsschuld steeg tot op een bedrag van meer dan 2700 millioen gulden.
Van deze Staatsschuld behoort over 1924 aan renten betaald te worden een som van niet minder dan 80 millioen gulden. Voegt men daarbij het bedrag, dat voor amortisatie en aflossing voor hetzelfde dienstjaar wordt uitgetrokken van ruim 20 millioen gulden, dan krijgt men een totaal-som van meer dan 100 millioen gulden, die op den staat der uitgaven moet worden geplaatst.
Van het totaal aan uitgaven van ruim 765 millioen guldfen over 1924 moet dus voor renten en aflossing worden gereserveerd bijna 14%.
Voor een goed begrip hebben wij er op te wijzen, dat in de schuld van 2700 millioen gulden natuurlijk begrepen zijn de gelden, welke voor de crisis-uitgaven werden geleend.
Maar met deze 2700 millioen gulden Staatsschuld zijn we er nog niet.
Behalve geconsolideerde schuld, d.i. schuld, welke in vaste leeningen is omgezet, is er ook nog z.g.n. vlottende schuld, waarvoor tijdelijke leeningen werden gesloten.
Deze vlottende schuld in de tweede plaats is te stellen op ongeveer 700 millioen gulden.
Bij al deze schulden tot een gezamenlijk bedrag van circa 3400 millioen gulden, komen nu nog de ongedekte uitgaven op de Staatsbegrooting voor 1924.
Blijkens hetgeen in de Nota der regeering betreffende den toestand van 's Lands financiën (de z.g.n. Millioenennota) wordt medegedeeld, zal, wanneer geen bijzondere maatregelen getroffen worden, op een tekort op den gewonen dienst voor 1924 van rond 116 millioen gulden voor 1924 moeten worden gerekend.
Uit de hierboven genoemde cijfers zal het, naar wij meenen, ook voor de optimisten zijn duidelijk geworden in welken hoogst ernstigen toestand de Lands financiën verkeeren.
Meer dan ooit is het voor ons volk zaak om zich rekenschap te geven van de moeilijkheden, welke zullen moeten worden overwonnen, wil er in de geldmiddelen van den Staat evenwicht komen. Geen offer mag ons, om dat doel te bereiken, te zwaar zijn.

Ons kerkelijk standpunt
I
De Commissie van Advies, die indertijd op initiatief van de algemeene ledenvergadering van onzen Bond door het Hoofdbestuur benoemd werd om de oplossing van het kerkelijk vraagstuk in studie te nemen, heeft haar taak volbracht.
Na een rapport en advies inzake het Synodale Reglement op de Predikantstractementen, dat tot het ontstaan van het Convent van Gereformeerde Kerkeraden aanleiding gaf, en een rapport en advies inzake het Vrouwenkiesrecht in de Kerk, dat op de laatste jaarvergadering een punt van bespreking was, zond de Commissie bij het Hoofdbestuur in een „Ontwerp van een regeling tot reformatie van de Kerk der belijdenis onder de Synodale Organisatie", (dat, hoewel het reeds vroeger in ons blad werd opgenomen, ter herinnering hieronder nog eenmaal een plaats erlangt).
Het doet ons leed, dat, alvorens dit ontwerp een punt van bespreking was geweest tusschen de Commissie van Advies en het Hoofdbestuur, deze zaak behandeld werd op het Convent van Gereformeerde Kerkeraden en van daar uit reeds bij de Synode van het afgeloopen jaar aanhangig werd gemaakt.
Daardoor toch heeft, naar het ons voorkomt, bedoeld ontwerp het hoofdstation bereikt. Had de Commissie in dezen den normalen weg bewandeld en het oordeel van het Hoofdbestuur eerst afgewacht, dan zou zij in ieder geval op den weg naar dat hoofdstation een wissel gevonden hebben die op onveilig stond.
Waar echter een terugkeeren op den ingeslagen weg niet meer mogelijk is, daar meende het Hoofdbestuur daf het dienstig kon zijn zijn oordeel over het genoemde ontwerp thans in ons Bondsorgaan weer te geven.
En voor wij dan onze gedachten over het genoemde „Ontwerp van een regeling tot reformatie van de Kerk der belijdenis onder de Synodale Organisatie" gaan uiteenzetten, meenen we hier een woord van dank niet te mogen onthouden voor de moeite die de Commissie van Advies zich getroost heeft en voor den arbeid dien zij gepresteerd heeft om het doel te benaderen, waartoe zij was samengesteld. Al bleek het Hoofdbestuur meermalen van haar in meening te verschillen en niet het minst wat betreft het laatste ontwerp dat door haar werd ingediend, dat neemt niet weg dat wij overtuigd zijn dat het de Commissie niet heeft ontbroken aan goeden wil om het kerkelijk probleem nader tot oplossing te brengen en dat zij dus als zoodanig den dank van den Gereform. Bond en van zijn Hoofdbestuur ten volle verdient.
Wat echter inzonderheid het ontwerp tot reformatie betreft, meenen we ernstige bedenkingen te moeten inbrengen tegen de wijze waarop de Commissie zich de oplossing van 't kerkelijk vraagstuk heeft voorgesteld. Met de beschouwing die de Commissie aan haar ontwerp doet voorafgaan, kunnen we ons ten deele vereenigen. Zoo gaan we accoord met de opvatting aangaande het wezen der Kerk, en met den eisch dat de openbaring der Kerk in het Instituut met haar wezen in overeenstemming moet zijn.
Ook wij stemmen toe dat de organisatie voor de Kerk tot een knellenden band kan worden, gelijk dat het geval is met de Synodale Organisatie die in 1816 de Gereformeerde Kerken van Nederland werd opgelegd. Wij gelooven dus ook dat deze Synodale Organisatie zoodanig behoort gewijzigd te worden, dat de plaatselijke Kerken zich weer in presbyteriaal verband kunnen organiseeren en er dus ook practisch weer een handhaven van de Gereformeerde Belijdenis zal kunnen zijn.
Maar naar onze bescheiden meening mogen wij als Kerk der belijdenis niet slechts hen beschouwen die zeggen op den bodem der Gereformeerde belijdenis te staan. Veeleer lijkt het ons in overeenstemming met de beginselen der Heilige Schrift en met het daarop gefundeerde Gereformeerd Kerkrecht te wezen, wanneer wij beweren dat een knellende organisatie wel het welwezen der Kerk aantast naar het wezen der Kerk als zoodanig niet raakt. Het wezen der Kerk kan, naar het ons voorkomt, alléén geschonden worden door het ondergraven of het algeheel wegnemen van haar belijdenis. En nu schijnt het ons toe, dat, hoe onze Kerk door de onwettige Synodale 0rganisatie van 1816 ook bekneld en gedrukt werd, haar Belijdenis haar nooit ontnomen en zelfs nimmer aangetast is. Wij stemmen natuurlijk aanstonds toe, dat, dank zij de bestuursinrichting onzer Kerk eenerzijids en dank zij de slappe houding die de leden der Besturen ten opzichte van de Belijdenis vaak aangenomen hebben anderzijds, die Belijdenis niet gehandhaafd wordt en het tot op zekere hoogte zelfs ondoenlijk is haar te handhaven, aangezien er bij de tegenwoordige inrichting onzer Kerk een kerkelijke macht is om deze Belijdenis naar haar eigen bedoeling, zoo noodig, te herzien. Maar dat neemt het feit niet weg dat de historie het bewezen heeft dat de bestuursinriching onzer Kerk, gelijk haar dat bij het ontstaan der Synodale Organisatie ook uitdrukkelijk was voorgeschreven, de leer der Kerk nooit gewijzigd heeft, en krachtens het bekende artikel 11 van het Algemeen Reglement der Ned. Hervormde Kerk de handhaving der leer nog steeds mede beschouwd wordt als het hoofddoel van allen, die in onderscheidene betrekkingen met het kerkelijk bestuur zijn belast.
De belijidenis van het Instituut der Ned. Hervormde Kerk is dus voor ons nog altoos die ongewijzigde leer ligt dus voor ons nog altoos in de Drie Formulieren van Eenigheid, zooals zij op de Synode van Dordrecht in 1618/19 ten grondslag aan de Gereformeerde Kerken dezer landen zijn gelegd.
Deze beschouwing dat de Gereformeerde belijdenis als zoodanig ook onder de onwettige organisatie .die haar drukt, nog steeds de belijdenis is van onze in menig opzicht gedeformeerde en diep gezonken Kerk, was de reden dat wij de Ned. Hervorrnde Kerk nooit beschouwd hebben als de valsche Kerk, waarvan wij geroepen waren ons af te scheiden. In dat opzicht hebben de Gereformeerden binnen de Ned. Hervormde Kerk zich nooit kunnen vinden met de Afgescheidenen, die in 1834 met het kerkelijk Instituut der Ned. Hervormde Kerk gebroken hebben, en evenmin met de Doleerenden, die eerst in 1886 wel verklaarden dat het hun niet te doen was om te komen tot een nieuwe Kerkformatie, omdat zij toen ook nog een oog hadden voor het belijdend karakter der Hervormde Kerk, die de Gereformeerde Belijdenis nooit ofte nimmer had afgeschaft, maar die na de vereeniging met de Afgescheidenen blijkbaar dat belijdend karakter uit het oog hebben verloren en in hun Gereformeerde Kerken thans wel terdege een eigen Kerkformatie bezitten.
Het komt ons voor dat als de Ned. Hervormde Kerk werkelijk haar belijdenis verloren had, de kenmerken van de valsche Kerk dan inderdaad op haar van toepassing zouden zijn en dat het dan dus volkomen in de Gereformeerde lijn zou liggen om ons van haar af te scheiden en ons dan te voegen bij de Gereformeerde Kerken óf bij een andere Kerkformatie die naar ons oordeel dan de meest zuivere openbaring van het lichaam van Christus zou zijn.
Eén van beide kan toch maar waar zijn. Of de Ned. Hervormde Kerk in haar tegeniwoordigen gedeformeerden vorm is voor ons de valsche KerK, maar dan mogen wij, krachtens onze belijdenis ook geen oogenblik langer in haar blijven ; óf de Ned. Hervormde Kerk is met al haar gebrek en met haar op de Synodale Organisatie gegronde, in menig opzicht verderfelijk werkende bestuursinrichting, krachtens haar belijdenis in haar wezen voor ons nog de ware Kerk, maar dan is ook alle afscheiding geoordeeld en zijn wij ook schuldig ons bij haar te voegen en met haar te vereenigen en alzoo de eenigheid der Kerk te onderhouden.
Nu kunnen wij niet anders inzien, of dit laatste is het geval. Krachtens haar belijdenis is de Ned. Hervormde Kerk ondanks haar onwettige organisatie en ongereformeerde Bestuursinrichting voor ons nog de openbaring van het lichaam van Christus. Voor ons is dus de Ned. Hervormde Kerk als zoodanig, nog .de Kerk der belijdenis of wilt ge liever, niettegenstaande de vele niet-belijders die wederrechtelijk tot haar behooren, nog altoos een belijdende Kerk.
Maar dan volgt daaruit ook als vanzelf dat wij haar niet alleen den scheidbrief niet mogen geven, maar dat wij ons ook niet vereenigen kunnen met de gedachte die de Commissie van Advies in haar regeling tot reformatie van de Kerk der belijdenis onder de Synodale Organisatie heeft ontwikkeld, als .zouden alleen diegenen in een gemeente die zulks begeeren tot de Kerk der belijdenis gerekend moeten worden, en als zou alléén dat deel uit haar verval moeten opstaan om weer tot een eigen organisch leven te komen.
Deze opvatting zou natuurlijk practisch leiden tot het loslaten van een zeer breede groep die door zijn Doop als door het teeken des Verbonds in de Kerk des Heeren is ingelijfd.
Maar daarom kan een dergelijke beschouwing die de Ned. Hervormde Kerk als zoodanig prijsgeeft om alléén dat deel van de Kerk te organiseeren, dat naar vrije wilskeuze bepaalt tot de Kerk der belijdenis te willen behooren, de onze niet zijn. Deze beschouwing lijkt ons zóó individualistisch, dat zij inzonderheid met de Gereformeerde opvatting van het wezen der Kerk niet alleen ten eenemale onvereenigbaar is, maar daar ook diametraal tegenover staat.
Het komt ons dan ook voor, dat de gedachten die in het Ontwerp tot reformatie zijn ontwikkeld — en vandaar dat het Hoofdbestuur er zidh in geenendeele mee vereenigen kan — in den diepsten grond in strijd zijn met het wezen der Kerik en bovendien met de overtuiging dat de Ned. Hervormde Kerk krachtens haar belijdenis en krachtens haar historie nog steeds is een belijdende Kerk, van welke wij ons juist om die reden niet mogen afscheiden en wier herstel om die zelfde reden door ons niet als hopeloos mag worden beschouwd.
Bovendien schijnt ons de beschouwing van de Commissie van Advies inzake de reformatie van de Kerk der belijdenis, behalve aan dat principiëele bezwaar ook nog aan allerlei practische bezwaren onderhevig te zijn. Immers gesteld eens dat de Synode der Ned. Hervormde Kerk op 't voorstel van het Convent van Gereformeerde Kerkeraden ware ingegaan óf, nu zij dat ditmaal terzijde legde, ooit op een dergelijk voorstel zou ingaan, en gesteld eens dat het oordeel der Kerk gunstig was en het dan door de eindbeslissing der Synode en door de eindstemming der Provinciale Kerkbesturen aan de Gereformeerde elementen in de Ned. Hervormde Kerk zou toegestaan worden zich als Kerk der belijdenis zelfstandig te organiseeren, welke zouden daarvan dan de gevolgen zijn ? In de eerste plaats dat er naast de Ned. Herv. Kerk in onderscheidene plaatsen van ons Vaderland een Kerk der belijdenis zou ontstaan, onder den naam van Ned. Gereformeerde Gemeente, maar dat natuurlijk ook de Ned. Hervormde Kerk als zoodanig zou blijven voortbestaan. In vele gemeenten was dan dus een nieuwe Gereformeerde Gemeente ontstaan naast de wellicht reeds bestaande Geref. Kerken (A en B), de Chr. Geref. Kerk en de een of andere Vrije Gereform. Kerk. Die nieuwe Gereformeerde Gemeente zou dan alleen hierin van de reeds bestaande Gereformeerde Kerken of Gemeenten londerscheiden zijn dat zij uit de inkomsten der kerkelijke goederen overeenkomstig haar ledental een evenredig deel zou ontvangen en in de lasten van de Ned. Hervormde Kerk een evenredig deel zou moeten bijdragen — Afgezien van de vrees, dat deze bepaling tot eindelooze kibbelarijen aanleiding zou geven en een bron van voortdurende twisten over wederzijdsche rechten en verplichtingen zou blijken te zijn, gelooven wij dat de invloed die er van een dergelijke nieuwe Gereformeerde Gemeente zou uitgaan, al heel gering zou wezen. We weten toch hoe huiverig ons Gereformeerde volk over het algemeen is van alles wat ook maar eenigszins lijkt op afscheiding van de Nederl. Hervormde Kerk. — Ook al ligt het heelemaal niet in de bedoeling om de Ned. Hervormde Kerk als zoodanig prijs te geven, dan nog moet ge o zoo voorzichtig zijn om zelfs den schijn daarvan te wekken. We hebben dat als leden van den Gereformeerden Bond gedurig ondervonden en ondervinden het nog telkens hoe vatbaar onze menschen onze Gereformeerd denkende en voelende menschen zijn voor wat men van zekere zijde bij voorkeur de afscheidingsbeginselen belieft te noemen.
Nu realiseere men zich de idee dat er naast de Ned. Hervormde Kerk weer een nieuwe Gereformeerde Gemeente ontstaat. In verreweg de meeste plaatsen blijft de Ned. Hervormde Kerk dan de Groote Kerk. En dat blijft zij niet slechts in de oogen van Confessioneelen, Ethischen en Modernen, maar — laten de mannen van het Convent het zich maar niet verhelen — ook in de oogen van vele, wij durven wel zeggen van de meesten van onze Gereformeerde menschen. Want zeker, als het om de kwestie van de predikantstractementen gaat, dan zijn onze menschen er wel tegen dat „de Modernen gesteund worden", en als het om het Vrouwenkiesrecht gaat, dan zijn onze menschen er wel voor dat „de vrouw in de gemeente zwijgen" moet. maar dat neemt niet weg dat het kerkelijk bewustzijn in den regel zoodanig is ontwikkeld dat men in onze kringen bitter weinig er voor gevoelt — ook al was het principieel te verdedigen — om aan de Groote Kerk den scheldbrief te geven en dat men er veeleer alles voor gevoelt om trouw te blijven aan de Hervormde Kerk, die men met al haar gebreken toch de Kerk .der Vaderen acht.
Gesteld dus dat in een Gereformeerde Gemeente van onze Hervormde Kerk de namen verzameld moesten worden van hen, die zich bij de Kerk der belijdenis wenschen te voegen, dan komt het ons voor dat juist om genoemde reden zelfs in zulk een Gemeente dat getal dier namen bitter klein zou blijken te zijn. Als onze Gereformeerde menschen dan moesten kiezen tusschen een nieuwe Gereformeerde Gemeente en de oude Hervormde .Kerk, dan behoeft men waarlijk geen profeet of eens profeten zoon te zijn om te beseffen dat hun keuze zich niet op het nieuwe richten, maar wél tot het oude bepalen zou.
De ervaring heeft dat immers duidelijk geleerd. Want zeker, de mannen van het Convent zullen ons hier tegenwerpen dat juist hun nieuw georganiseerde Gereformeerde Gemeente dan de wettige voortzetting zou wezen van de oude Gereformeerde Kerk, dat de organisatie van de belijdenis-Kerk dus volstrekt geen afscheiding bedoelt, maar alleen een zoodanige reformatie van de Kerk der Vaderen dat de Belijdenis weer meer wordt dan een doode letter. Maar dan willen we hen toch herinneren dat dat in 1886 ook de redeneering van dr. Kuyper Sr. is geweest, en dat dat nog vaak de bewering is die soms niet zonder schijn van recht in de gescheiden Kerken verkondigd wordt. Ook daar immers doet men het voorkomen alsof niet de Hervormde Kerk maar wèl de Gereformeerde Kerken wars van alle afscheidingsgedachten de voortzetting zijn van de aloude Gereformeerde Kerk, omdat men dan z.g.n. niet met de Kerk, maar alleen met de Synodale Organisatie gebroken heeft. Maar feit is, dat men in onze Gereformeerde kringen hetzij meer bewust of meer onbewust, voor die redeneering niet vatbaar bleek. Vandaar dat, afgezien nog van het beginsel, ook de Doleantie in dien zin een mislukking is geweest dat zij, in plaats van de Kerk te reformeeren, slechts een gedeelte daarvan uit de Synodale windselen heeft losgewikkeld, maar een nog grooterdeel daarin gebonden achterliet.
En zoo zou het weer gaan als het ooit kwam tot het organiseeren van de Kerk der belijdenis, zooals de Commissie van, Advies het zich heeft gedacht en zooals het Convent van Gereformeerde Kerkeraden daartoe reeds een poging bij de Synode dezes jaars heeft aangewend. Wij kunnen niet anders zien dan dat men zelfs in onze Gereformeerde Gemeenten slechts een zeer klein deel zou. losmaken uit het Synodaal verband, terwijl een groot deel daardoor des te vaster gebonden zou worden, zoodat daardoor de reformatie der Kerk opnieuw tot een mislukking zou zijn geworden.
In dat opzicht zou dus de verwerkelijking van de gedachte in het ontwerp tot reformatie van de Kerk der belijdenis ontwikkeld, volkomen gelijk staan met wat indertijd de Doleantie heeft bereikt. Een klein deel van het Gereformeerde volk zou z.g.n. vrijgemaakt worden, maar een veel grooter deel zou gevangen blijven in de banden door de Synodale Organisatie gesmeed.
Juist daarom lijkt ons deze Modus Vivendi, die alléén den Gereformeerden in onze Kerk de gelegenheid zou openen om kerkelijk naar eigen beginsel te kunnen leven, nog minder aan te bevelen dan de Modus Vivendi, zooals die indertijd onder de auspiciën van prof. Visscher door de Utrechtsche Hoogleeraren was voorgesteld. Wanneer die Modus Vivendi toen in toepassing was gebracht, dan had men bereikt dat de Ned. Hervormde Kerk als zoodanig in onderscheidene Kerken van verschillende richtingen zou opgelost zijn. Dan was er dus van een blijven bi] de groote Kerk geen sprake geweest en hadden de Gereformeerde elementen dus uit de verschillende nuanceeringen een keus weten doen. Door die Modus Vivendi werd dan ook geen afscheiding, .maar eene radicale scheiding beoogd.
Maar deze Modus Vivendi, in beginsel niet van de andere ondersoheiden, zou alléén een aderlating zijn waardoor aan de Ned. Hervormde Kerk nog wat meer Gereformeerd bloed ontnomen zou worden, terwijl het lichaam dier Kerk zelf, zij het met wat verdund bloed, zou blijven voortbestaan.
En als zulks het geval zijn zou in onze Gereformeerde Gemeenten, hoeveel te meer dan in gemeenten waar men eene Confessioneele of Ethische prediking begeert of waar de Modernen ide overhand hebben. En dan denken we inzonderheid aan onze groote steden. Als bijv. in Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht de namen eens verzameld moesten worden van meerderjarige leden en doopleden, die zich bij de Kerk der belijdenis wenschten te voegen, de namen van hen dus, die zich van de Groote Kerk wilden losmaken om nu voortaan te behooren tot de Gereformeerde Gemeente van Amsterdam, van Rotterdam, van Den Haag of van Utrecht ; laat men zich dan in gemoede eens afvragen wat daarvan anders .de gevolgen zouden zijn dan dat men zich in de voortbestaande Hervormde Kerk misschien verblijden zou dat men op deze wijze goedkoop van wat lastige elementen verlost was geworden.
Gevoelt men niet dat de vaak kleine Gereformeerde groep, die nu in de Hervormde Kerk van onze steden niet het minst door de prediking des Woords vaak grooten invloed heeft, als zij zich in een afzonderlijke belijdenis-Kerk ging organiseeren, met machteloosheid geslagen zou zijn, en niet den minsten reformatorischen invloed meer oefenen zou ?
Beseft men dus niet dat een dergelijk zich loswikkelen uit de Synodale Organisatie practisch gelijk zou staan met een nieuwe afscheiding, en als men dat niet wil toegeven, dat het dan toch in ieder geval door de groote massa van belijders, ook door Gereformeerde belijders, als zoodanig zou beschouwd worden ?
Gevoelt men niet dat wat de onkosten van den eeredienst, de armverzorging en niet het minst wat de regeling van het gebruik der kerkgebouwen betreft, de Gereformeerden verreweg aan 't slechtste eind zouden trekken? Men denke het zich toch eens even in dat b.v. in Rotterdam of in Amsterdam één kerkgebouw aan de Kerk der belijdenis werd toegewezen, waarvan zij nog niet eens iedere week één keer gebruik zou mogen maken. Of men denke het zich toch eens in dat b.v. in Veenendaal of in Lunteren of in Zeist het kerkgebouw aan de Kerk der belijdenis zou afgestaan worden, maar dat die Kerk der belijdenis b.v. 10 of 15 Zondagen per jaar maar ergens een goed heenkomen zou moeten zoeken omdat de Kerk onder het Synodaal verband alsdan volgens den opgemaakten rooster beslag op het Godshuis zou hebben gelegd.
Wij kunnen dan ook niet anders inzien dan dat een eventuëele realiseering van de gedachten van het Ontwerp van een regeling tot reformatie van de Kerk der belijdenis zou moeten leiden tot de meest grenzenlooze verwarring, waardoor de doorwerking van ons Gereformeerd beginsel ten zeerste zou geschaad worden.
En al deze aan de practijk ontleende argumenten, zij zouden, o zeker, moeten zwichten, als het beginsel het eischte dat het kerkelijk vraagstuk op deze wiize moest opgelost worden. Immers wij stemmen het gaarne toe, dan was God machtig om met een kleine schare, als het een Gideonsbende was, groote dingen te doen. Maar nu wij meenen aangetoond te hebben dat ons beginsel eischt dat wij de Hervormde Kerk, die krachtens haar historie, in haar wezen nog altoos de Kerk der belijdenis is, niet mogen loslaten, nu zijn deze practische bezwaren voor ons een prikkel te meer om, met alle waardeering van de pogingen door de Commissie van Advies aangewend, de oplossing van het kerkelijk vraagstuk niet in dezen weg te zoeken, maar wèl in een weg, die naar onze bescheiden meening uitnemender is.
Over dien weg hopen wij in een volgend nummer onze meening kenbaar te maken.

Ontwerp van een regeling tot reformatie van de Kerk der belijdenis onder de Synodale Organisatie.
Dit ontwerp gaat uit van het zelfstandig karakter der Kerk, zijnde een geestelijke realiteit, zooals deze verschijnt als object des geloofs, in het licht der Heilige Schriftuur, gelijk dit ook in haar belijdenis is uitgedrukt.
Daaraan beantwoordt deeisch van een openbaring der Kerk in het instituut door zoodanige organisatie als met haar wezen overeenkomt en daardoor wordt bepaald.
Zij het ook, dat de historie aantoont, at stricto sensu wellicht nimmer aan den eisen werd voldaan, ook niet ten tijde der apostelen, wijl zich steeds hypocrieten tot de Kerk voegen en niet allen, die zich onder haar scharen, uit de belijdenis der Kerk leven, dit mag aan de beschouwing van het geloof niets te kort doen en geeft niemand recht om van de Kerk te maken een instituut naar eigen inzicht. Hoewel het geen nader bewijs behoeft, dat dit door allerlei oorzaak toch geschiedt, in den grond der zaak is ieder instituut en iedere organisatie, die met den aard en het wezen der Kerk niet overeenkomt, geen openbaring maar een bedeksel der Kerk. Zulk een organisatie wordt tot een knellenden band, die den drang van het leven niet kan doorstaan en verbroken wordt. Wil de organisatie zich desondanks handhaven, zoo is zij nimmer bij machte den ontwaakten reiormatorischen geest uit te blusschen, doch kan zich in den waan van de Kerk te bewaren van haar onderscheiden en afscheiden door haar belijdenis te miskennen en prijs te geven. De wortel, waaruit de Kerk van Christus opkomt, is onuitroeibaar.
De Reformatie zag die Kerk uit haar verdrukking en diep verval opstaan en sedert allengs weer weggezonken, was het mogelijk, dat haar hier te lande in 1816 een organisatie werd opgelegd, die aan haar bloei in den weg moet staan, zijnde in beginsel met haar wezen in strijd. Schoon mede hierdoor veroorzaakt konden de gebeurtenissen van '34 en '86 geen nieuw leven schenken aan de Kerk als zoodanig, aangezien zij wel scheuring te weeg brachten, maar de Kerk in haar wortel niet onder de Synodale Organisatie konden uitdelven ; gezien vanuit het wezen der Kerk, zijn de gescheiden Kerken dan ook slechts loten op dienzelfden wortel.
Wel kan de Synodale Organisatie zich zelf losmaken van de Kerk der belijdenis, doch zoolang zij dit niet heeft gedaan, kan de Kerk het juk der Synodale organisatie niet ontvlieden, tenzij dat zij in reformatorischen zin moge opbloeien uit haar verval. En ofschoon der Synode het advies werd medegegeven om zich te onthouden van de vragen omtrent de belijdenis (Zie aant. 1) Art. 11 A.R.), kon zij in den loop der tijden niet nalaten de strengen der belijdenis te laten vieren en kwam tot beslissingen, die met de belijdenis in strijd en van ingrijpende dogmatische beteekenis, aJs b.v. het invoeren van Vrouwenkiesrecht, haar op een weg brachten, welke op den duur moet leiden tot het punt. waar zij zich zelf noodzaakt zich van de Kerk der belijdenis, aan welke zij opgelegd werd, los te maken en de consequentie van haar beginsel te trekken.
Intusschen heeft zij zich schuldig gemaakt aan onrecht jegens de Kerk, die haar uit de hand der Overheid had te aanvaarden. Een onrecht, dat ten deele kan hersteld, wanneer zij zich bezint op het wezen der Kerk en haar rechten erkent en eerbiedigt. Het recht der Kerk eischt, dat zij kennis neemt van de bezwaren, die uit haar boezem opkomen en alle krachten inspant om aan de rechtmatige eischen der Kerk tegemoet te komen.
Groot is de schade, aan het kerkelijk leven toegebracht, niet alleen door de scheuringen, die werden veroorzaakt, maar niet minder doordat de organisatie van 1816 ook de ontwikkeling der Kerkelijke theologie heeft belemmerd, wijl zij de tucht op de leer onmogelijk maakte en aan de Kerk der belijdenis haar eigen organen heeft afgesneden.
Het ware daarom te wenschen, dat de Synode de rechten van de Kerk der belijdenis erkennende, in overleg met de leden der Herv. Kerk, die bij de Kerk der belijdenis begeeren gerekend te worden, tot zulk een orde trachtte te komen, dat die Kerk uit haar verval kon opstaan en haar eigen organisch leven herkrijgen, zoo de Heere wil.
Zulk een reformatie zou op de volgende wijze kunnen geschieden :

A. Voorbereidende maatregelen.

Artikel 1.
In iedere Nederd. Herv. Gemeente, waar predikanten, ouderlingen en diakenen zijn, die de Kerk der belijdenis aanhangen, formeeren dezen een Commissie, die de namen verzamelt van de meerderjarige leden en doopleden, die zich bij de Kerk der belijdenis wenschen te voegen.
In gemeenten waar deze ambtsdragers niet zijn in den Herv. Kerkeraad, worde deze Commissie uit meerderjarige mans lidmaten gevormd.

Artikel 2.
De in artikel 1 bedoelde lijsten vermeldende namen, voornamen en geboortedatum der bedoelde leden, worden tegen nader te bepalen termijn bij den Herv. Kerkeraad ter plaatse ingediend, door de Commissie gewaarmerkt.
De Kerkeraden zenden na vergelijking der lijsten met de registers der gemeente binnen bepaalden termijn opgave van het getal der genoemde personen aan 't Classicaal Bestuur, waaronder zij ressorteeren.
De Classicale Besturen maken van deze uitgaven een verzamelstaat vermeldende de namen der gemeenten en het getal in de vorige alinea bedoeld en zenden dezen aan de Algemeene Synodale Commissie voor een nader vast te stellen datum.
De Synodale Commissie brengt eindrapport uit aan de Synode van het loopende jaar.

B. Uitvoering.
Indien de Synode meent tot de uitvoering te kunnen overgaan, bepale zij in den volgenden zin :

Artikel 1.
In de gemeenten, waar zulks blijkens onderzoek gewenscht wordt, constitueeren zich plaatselijke Kerken onder den naam Nederduitsch-Gereformeerde gemeente en benoemen een particulieren Kerkeraad.
In gemeenten, waar ambtsdragers, bedoeld in artikel 1 Voorbereidende maatregelen zijn, worden dezen beschouwd in dien Kerkeraad gekozen te zijn, tenzij zij zulks niet wenschen.

Artikel 2.
De Nederd. Geref. Gemeenten vormen onderling Ringen en Classes overeenkomstig de bestaande indeelingen.

Artikel 3.
Zij zullen gehouden zijn voor den (datum) .............. classicaal te vergaderen en ter vergadering af te vaardigen de predikanten en met iederen predikant een ouderling.
De vaceerende gemeenten zenden 2 ouderlingen.

Artikel 4.
De Classicale vergaderingen in artikel 3 bedoeld, benoemen een Moderamen, bestaande uit Praeses, Scriba en Quaestor, bespreken de beginselen van een Gereformeerde Kerkorde en benoemen twee afgevaardigden ter Gen. Synode.

Artikel 5.
Vóór datum jaar wordt een Generale Synode der Nederduitsoh Geref. Gemeenten gehouden, die een Kerkorde saamstelt voor de Nederd. Geref. Gemeenten naar de beginselen van Gereformeerd Kerkrecht, welke door besluit der Generale Synode van kracht is.
Deze Kerkorde wordt aan de Algemeene Synode der Hervormde Kerk ter kennis gebracht, evenals ; de veranderingen, die daarin later mochten worden gebracht. Artikel 6.
a. De Nederd. Geref. Gemeenten ontangen met ingang van uit de inkomsten der Kerkelijke goederen na aftrek van de kosten van onderhoud der kerkgebouwen, koster en organisten, jaarlijks een evenredig deel, overeenkomstig hun ledental (meerderjarige doopleden) en dragen in de lasten op deze rekening voorkomende, in evenredige mate bij.
(Diaconie-goederen op overeenkom­stige wijze).
b. De Nederd. Geref. Gemeenten worden vrijgesteld van de kerkelijke lasten tengevolge der bepalingen, die vóór de invoering van haar eigen organisatie vigeeren en van de collecten door den Ned. Herv. Kerkeraad ingesteld.
c. De Nederd. Geref. Gemeenten voorzien in de onkosten van hun eeredienst, armverzorging en vergaderingen behoudens het gestelde onder c.
d. De Nederd. Geref. Gemeenten, die bij de invoering van deze Kerkorde beschikken over één of meer bestaande predikantsplaatsen, behouden deze en 't recht op daaraan verbonden tractement.
Bestaande predikantsplaatsen, waarover zij bij invoering van deze Kerkorde niet beschikken, blijyen ter dispositie van den Ned. Herv. Kerkeraad, tenzij vrijwillig aan de Nederd. Geref. Gemeente afgestaan.
e. Het gebruik der kerkgebouwen wordt voor ieder jaar volgens rooster geregeld, opgemaakt door een Commissie door partijen en een derde samengesteld.

De Commissie van Advies,

(w.g.) J. A. C. VAN LEEUWEN, Voorz.

(w.g.) .]. SEVERIJN, Secretaris.

Utrecht,

22 Maart '23.

Dordt,

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 december 1923

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Staat en Maatschappij.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 december 1923

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's