Uit het kerkelijk leven.
De verkiezing tot het ambt.
Het is opvallend hoe „de Heraut" en ook „de Bazuin" in den laatsten tijd moeite doen om toch vooral de medewerking van de gemeente bij de verkiezing van ambtsdragers tot een stuk regeermacht te maken.
De Kerkeraad wordt bijna geheel uitgeschakeld en de gemeente komt naar voren. Of dat nu in verband staat met het z.g.n. vrouwenstemrecht, waarover ook in de Gereformeerde Kerken gesproken wordt, beoordeelen wij op het oogenblik niet. Maar opvallend is het en voor een goed verstaander is ook een half woord reeds voldoende.
Leuk vonden wij het intusschen te lezen hoe ds. Datema, van Driebergen, er een loopje mee nam. Die schreef in zijn brief aan zijn vriend Sufridus — in het weekblad „de Wachter", 7 December j.l. — het volgende :
Met de verkiezing voor ambtsdragers zijn we bij ons in Driebergen in eersten aanloop klaar gekomen. Er was niemand, die bedankte of ontheffing vroeg. Allen waren begeerig, om den wil des Heeren te volgen en Zijne gemeente in het ambt te dienen. Het is een voorrecht, mijn waarde, op de roepstem des Heeren, met overgegevenheid te antwoorden : Spreek, want Uw knecht hoort. Misschien vindt dr. H. H. Kuyper het wel een beetje vreemd, maar we hebben toch als kerkeraad vergaderd, om de aanwijzing door de manslidmaten te bespreken en hebben daarna de gekozenen formeel benoemd en door persoonlijk bezoek met de roeping tot het ambt in kennis gesteld. Het kwam ook ons voor — en misschien wel meerderen met ons — dat in „de Heraut" de keuze der gemeente wel wat al te erg werd geaccentueerd en de Kerkeraad zoo'n beetje werd uitgeschakeld, 't Was ons wel een beetje anders geleerd ; en we konden ons nog niet zoo ineens van dit historisch kleed ontdoen. De gemeente wijst immers aan ; de Kerkeraad benoemt en stelt in het ambt ; — is dit niet de oude weg, Sufridus, ons immer geteekend ? "
Wij behoeven niet te zeggen, na alles wat wij geschreven hebben, dat wij het in deze geheel met ds. Datema eens zijn : „de gemeente wijst aan ; de Kerkeraad benoemt en stelt in het ambt" ; dat is de oude, gereformeerde weg. Of zegt artikel 22 Dordtsche Kerkorde niet: „De ouderlingen zullen door het oordeel des Kerkeraads en der diakenen gekozen worden, volgens de regeling, die daarvoor plaatselijk in gebruik of door den Kerkeraad vastgesteld is ; bij welke regeling het naar de gelegenheid van iedere Kerk vrij zal zijn, van te voren de gemeenteleden in staat te stellen op geschikte personen de aandacht te vestigen en voorts vrij zal zijn, voor de verkiezing zelve zooveel ouderlingen, als er van noode zijn, aan de gemeente voor te stellen, om, van diezelve geapprobeerd en goedgekeurd zijnde, bevestigd te worden enz."
Daar is de Weg geteekend, niet wat de bizonderheden. maar wel wat de hoofdzaak betreft : de gemeenteleden vestigen de aandacht op geschikte personen en wijzen aan, de Kerkeraad benoemt en stelt in het ambt.
Prof. Rutgers zegt daarvan in zijn „Kerkelijke Adviezen" : dat, wanneer de Kerkeraad de gemeente invloed geeft bij het werk der verkiezing, dit op onderscheidene wijze geschieden kan. „Het kan geschieden, door oproeping tot een vergadering. Maar het kan ook geschieden, doordat men gedurende eenige uren of dagen gelegenheid geeft stembriefjes in eene bus te komen brengen. Voor dit laatste pleit, dat dan de gemeenteleden des te meer gelegenheid hebben om te stemmen, daar toch op een avond lichtelijk meerderen belet zijn te komen en het moeilijk gaat, dan door middel van een ander te doen stemmen. In ieder geval moet na zulke stemming nog in eene Kerkeraadsvergadering de aanwijzing der gemeente in eene formeele benoeming worden omgezet en moet Zondags vooral in de gemeente er voor gebeden worden." (Kerkelijke Adviezen I, blz. 142).
Prof. Rutgers spreekt dus ook van „de aanwijzing der gemeente" en van „benoeming door den Kerkeraad" (ook op blz. 143, laatste regel ten opzichte van de aanwijzing van predikant, ouderling of diaken).
En in een critiek op het boekje van de predikanten Renkema en Rudolph zegt prof. R. dat daar art. 5 (van een Concept regeling voor de verkiezing van ouderlingen en diakenen) geredigeerd is „alsof de stemgerechtigden de benoeming doen, welke toch naar de Kerkorde door den Kerkeraad te doen is, zoodat na elke stemming daarvoor eene Kerkeraadsvergadering is te houden." „Natuurlijk zal de benoeming dan wel bijna altijd conform de aanwijzing der stemgerechtigden zijn, maar 't geval kan zich toch ook voordoen, dat na het opmaken van het dubbelgetal aan den Kerkeraad iets ter oore is gekomen waardoor hij een der voorgedragenen, ook al werd hij door de stemming (der gemeenteleden) aangewezen, niet zou kunnen of mogen benoemen. In ieder geval moet de benoeming toch altijd uit gaan van den Kerkeraad, die er verantwoordelijk voor is." (blz. 154—155). In den zelfden geest spreekt prof. dr. H. Bouwman, hoogleeraar aan de Theologische School te Kampen, in zijn boek : „Het ambt der diakenen", blz. 63 : „De bedoeling was niet dat de Kerkeraad gebonden is aan de personen, die het grootst aantal stemmen op de groslijst op zich vereenigen, dat de Kerkeraad eenvoudig deze uitspraak van de gemeente heeft over te nemen. Neen, dan zou de regeering gelegd worden in handen van de afzonderlijke leden der gemeente en zou de Kerkeraad niets anders zijn dan de uitvoerder van den wil des volks. Dit zou independentistisch zijn. De Kerkeraad heeft geheel zelfstandig en vrij te beoordeelen of de personen, die op de groslijst geplaatst zijn, geschikt zijn voor het ambt, en wijkt, zoo noodig. van de voordracht af." En verder zegt prof. Bouwman : „Doch ook in het geval, dat de Kerkeraad zooveel mogelijk invloed geeft aan de gemeente en zoo sterk mogelijk rekening houdt met de wenschen en de behoeften der gemeente, blijft de verkiezing toch ten slotte in handen van den raad der Kerk. De Kerkeraad beslist welke personen geschikt zijn voor het ambt en stelt in het ambt." „Doch hiermede is de verkiezing nog niet ten einde gebracht. Nadat de Kerkeraad heeft benoemd, moet volgen de approbatie van de gemeente. De approbatie van de gemeente is beslist noodig en mag geen bloote formaliteit zijn. Zij is het fundament, waarop de wettigheid van de verkiezing rust. Aan de gemeente moet het volle recht gegeven worden tegen de handeling van den Kerkeraad bezwaren in te brengen, de voorgestelde broederen al of niet aan te nemen. Eerst wanneer de gemeente de gekozenen heeft aanvaard, kan de geroepene met goeder consciëntie verklaren, dat hij waarlijk door de gemeente en mitsdien door God geroepen is."
De gereformeerde lijn in de verkiezing van het ambt is dus wel : 1. leiding van het ambt ; 2. aanwijzing door de gemeenteleden ; 3. benoeming door den Kerkeraad ; 4. approbatie door de gemeenteleden ; 5. bevestiging in het ambt door den raad der Kerk in het midden der gemeente.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 december 1923
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 december 1923
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's