Stichtelijke overdenking.
OUDEJAARSGEDACHTEN.
Het mag dan al waar zijn, dat ieder oogenblik des levens wel geschikt is om den mensch tot hoogen ernst te stemmen ; toch leert ons de ervaring, niet maar van den eerste den beste, maar zelfs van den gevorderden geloovige, dat het er ver vanaf is dat hij ten allen tijde in zulk een ernstige gemoedsstemming verkeert.
Op den laatsten dag van het jaar echter is er wel niemand of voor een oogenblik althans besluipt hem de weemoed, wanneer teruggedacht wordt aan het jaar, dat bijna weer tot het verleden behoort; wanneer het lief en het leed, dat het bracht, nog eens in den geest worden doorleefd.
Ook de lezers van dit blad zullen op den Oudejaarsavond ongetwijfeld terug zien op wat achter hen ligt en niet alleen het persoonlijk leven, maar ook het terrein van ons kerkelijk leven zal nog eenmaal worden overzien, alvorens op den Nieuwjaarsmorgen de blik weer op de toekomst wordt gericht.
Hoeveel is er in het afgeloopen jaar niet gebeurd, niet alleen met betrekking tot een ieder persoonlijk, maar ook met betrekking tot ons kerkelijk leven ; zoodat onwillekeurig ook ons de vraag over de lippen komt : Wat is bestendig hier op aarde?
Hoe menigmaal is die vraag reeds door alle tijden heen vóór ons gedaan en het antwoord was immers telkenmale slechts de bevestiging van de klacht des dichters :
Ach, wij vinden waar wij staren. Niets bestendigs hier beneên.
Alles verandert; niets dat zeker, dat blijvend is ; wij zelf veranderen mèt de tijden en komen steeds dichter bij het oogenblik waarop de dood ons leven onverbiddelijk zal afsnijden.
Treurig, wanneer dit alleen de gedachten zijn, die bij den mensch worden opgewekt op den Oudejaarsavond !
Troosteloos, die beschouwing van den natuurlijken mensch, die er toe brengt om den laatsten avond des jaars zich te bedwelmen met de zinnelijke genietingen dezer voorbijgaande wereld : Laten we eten en drinken en vroolijk zijn — want morgen — wie dan leeft, wie dan zorgt!
Gelukkig dat de Waarheidsvriend nog andere klanken mag doen hooren ten antwoord op die klacht over het onbestendige hier op aarde !
In aansluiting op het Kerstevangelie, dat door den Mond der Waarheid der wereld werd bekend gemaakt over de komst van den Verlosser op aarde, hooren We op dezen laatsten dag des jaars ons door het Woord, dat niet liegen kan, toeroepen : „Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde en in eeuwigheid."
Als de apostel in de eerste 12 hoofdstukken van zijn brief aan de christenen uit de Hebreen de oneindige verhevenheid van Christus boven Mozes en de meerdere voortreffelijkheid van het Evangelie der genade boven de Mozaïsche wetgeving heeft aangetoond, dan eindigt hij niet met te wijzen alleen op de groote voorrechten die zij door het geloof in den Middelaar des Nieuwen Zaterdags alleen Verbonds deelachtig waren geworden. Neen, de kennis van 't Evangelie alleen is niet genoeg tot het verkrijgen van den vrede, die alle verstand te boven gaat.
In den tijd van den apostel, zoowel als in onze dagen, mogen er velen gevonden worden, die meenen met een mondbelijdenis alleen te zullen kunnen bestaan ; als het goed zal zijn, dan moet er eene nauwe vereeniging wezen tusschen kennis en beoefening, tusschen geloof en werken, tussschen belijden en beleven.
Zooals een boom uit zijn vruchten, zoo wordt het geloof uit zijn werken gekend.
Daarom dringt de apostel met ernst aan op een Gode welbehaaglijken wandel tegelijk met het voorhouden van de leer der godzaligheid.
Immers zoodoende zouden ze voor eigen hart de vruchten van het Evangelie der genade genieten en onder alle wisselvalligheden des levens troost kunnen putten uit dat heerlijke feit, dat Jezus Christus gisteren en heden dezelfde is en in eeuwigheid.
Bij den Heere is geen verandering, noch schaduw van omkeering. Onveranderlijk is Hij in liefde, in het aanbieden en schenken aan arme behoeftige, verloren zondaren ; onveranderlijk ook in het vervullen van Zijn beloften aan Zijn duurgekochte volk.
Dat is de grond der hope voor den armen aarzelaar, die steeds weer ontrust wordt door het onbestendige hier beneden, ook in het leven des geloofs.
Onveranderlijk is de Heere ! Immers ook dit jaar heeft Hij met denzelfden lastbrief, waarmee Hij Zijn apostelen uitzond, nog Zijn gaarne getrouwe dienaren uitgezonden. En al moeten we, helaas, bekennen, dat in zoo menige gemeente het licht onder de korenmaat bleef geplaatst, en de leer der godzaligheid, die naar de heilige Schriften is, niet wordt gepredikt, mogen we daar toch ook in alle ootmoedigheid God niet danken dat door middel van dit blad velen nog gewezen worden op Hem, die de Weg is; de Waarheid en het Leven en zonder Wien niemand zal kunnen bestaan in het komende gericht ?
Nog altijd gaat de Heere door met te laten wijzen op den diep ellendigen toestand, waarin wij allen van nature door de zonde verkeeren en op het verschrikkelijk lot, dat den onbekeerden zondaar in de eeuwigheid wacht.
Nog altijd wordt ge als van Christuswege gebeden u met God te laten verzoenen in Hem, Wiens borggerechtigheid de eenige weg ter verzoening is, waaraan de mensch alleen deel kan krijgen door een waarachtig geloof, dat een werk is van de wederbarende genade des Heiligen Geestes in het hart. Dat dan een ieder zich afvrage, nog op dezen Oudejaarsavond, hoe hij staat tegenover dien Onveranderlijke, tegenover Hem, die gisteren en heden dezelfde is, en tot in eeuwigheid.
Immers de apostel moest de Hebreen waarschuwen niet met verscheidene en vreemde leeringen te worden omgevoerd maar die waarschuwing geldt zeker niet minder ook voor onze tijden.
Er is geen andere naam tot zaligheid onder den hemel gegeven dan die van Jezus Christus. Hij is de Eenige, die blijft bij alles wat loswrikt en vergaat en alle zondaren, die uit de bedruktheid en verslagenheid hunner ziel tot Hem de toevlucht leerden nemen, zullen ondervinden dat deze Rots der Eeuwen pal blijft staan te midden der bruisende branding.
De Heere toch is een Waarmaker van Zijn Woord. En zoo zeker als de bedreigingen, die Hij tegen de zonde heeft geuit, in de wereldgeschiedenis tot vervulde openbaarheid komen — wie oogen heeft om te zien, die lette op de teekenen der tijden — ; even zeker zal Hij de Onveranderlijke genoemd moeten worden door allen die de vervulling hunner zondaarsbehoeften bij Hem hebben gezocht. Wat staan er niet een beloften in Gods Woord voor alle omstandigheden waarin men verkeeren kan, zoowel tot bemoediging en opbeuring van ontdekte, in zichzelve verloren, behoeftige zielen als die tot bemoediging en troost zijn voor de geloovigen op de pelgrimsreis door de woestijn der beproeving : beloften voor dit leven niet alleen, maar óok over dood en graf heenwijzende naar den tijd, wanneer het geloof in aanschouwen zal zijn veranderd.
Hoe heerlijk, hoe moedgevend is het nu op Oudejaarsavond terug te mogen denken aan al de beloften die, ongedacht en onverwacht vaak; onverdiend, ja duizendwerf verbeurd altijd ; — aan ons werden vervuld in het afgeloopen jaar. Wat maajkt dat klein en deemoedig voor 't aangezicht des Heeren, de overdenking van al den weg dien de Heere met ons gaan wilde in het verledene. Wat al schuld moet er dan beleden, over hoeveel afwijkingen en wegdwalingen van achter den Heere moet het dwaalziek hart zich dan niet schamen en hoe zal de ziel niet te moede zijn, die vat krijgt aan dat woord : „Ik, de Heere, word niet veranderd, daarom zijt gij, o kinderen Jacobs, niet verteerd."
O, wanneer dat uw deel mag wezen, dan deert het onbestendige van dit aardsche leven u niet ; dan treurt ge niet weemoedig over wat veranderde en verdween ; dan zucht ge niet twijfelmoedig over uw kleingeloof in de toekomst, maar dan zingt ge :
Ik blijf den Heer' verwachten ; Mijn ziel wacht ongestoord. Ik hoop in al mijn klachten Op Zijn onfeilbaar Woord.
De Heere is getrouw, ook waar Zijn volk zich ontrouw betoont. Hij betoont zich onveranderlijk dezelfde in genade in Jezus Christus, die gisteren en heden dezelfde is en tot in eeuwigheid.
De herinnering daaraan op den Oudejaarsavond, met het oog op verleden en toekomst, brengt echter ook noodwendig de dure verplichtingen naar voren, die Christus aan een ieder van de Zijnen oplegt.
Zooals de apostel de geloovigen uit de Hebreen, wien duistere wolken boven 't hoofd hingen, vermaande om te staan naar bevordering en opbouwing in het allerheiligst geloof, ziende op Hem, die onwankelbaar dezelfde blijft en Wiens beloften getrouw zijn ; zoo zijn het nog altijd de werkzaamheden des geloofs die uit dankbare liefde tot God en den Heere Jezus Christus worden verricht, welke de kenmerken zijn dat men niet meer der wereld toebehoort, maar het eigendom van Christus geworden is, en waaruit voor de wereld het getuigenis wordt geleverd dat de levendmakende Geest in het harte woont.
O, wanneer Gods volk daaraan denkt, hoe zij verplicht zijn te wandelen waardiglijk de roeping waarmede zij van den Heere geroepen zijn ; hun licht te laten schijnen voor de menschen, opdat zij hun goede werken mogen zien en uw Vader, die in de hemelen is, verheerlijken ; om het beeld van den levenden Christus in hun leven te vertoonen, opdat door het voorbeeld van gedrag en wandel de dienaar der zonde lust mocht verkrijgen den Heere te dienen, naar Hem te vragen en te zoeken ; en wanneer zij dan terugzien op het voorbijgegane jaar en hun menigerlei tekortkoming ontdekken — dan — terwijl de schaamte hun gelaat donker overtrekt — dan kunnen ze maar één ding, en dat is : bij vernieuwing pleiten op de onveranderlijke trouw van Hem, die eens tot Paulus heeft gezegd : Mijne genade is u genoeg en Mijne kracht wordt in zwakheid volbracht.
Op die genade dan alleen maar gehoopt ; op die onveranderlijke trouw van Hem, die gisteren en heden dezelfde is en tot in eeuwigheid, uw verwachting gesteld, gij allen, die neergezonken zijt op het eenige fundament der zaligheid.
Hij, Die getrouw is, Die u tot hiertoe gebracht heeft, u dekkende door de vleugelen Zijner liefde, u steunende door het Woord Zijner genade, Hij zal ook voor de toekomst Zijn oog op u gevestigd houden.
Hij heeft Zijn volk het eerst liefgehad, wat zal hen dan scheiden van Zijne liefde !
Wat er dan ook moge gebeuren, hoe donker dan de weg ook schijn', het eind zal zeker zalig zijn, voor al Zijn volk.
Jezus Christus toch is gisteren en heden dezelfde en tot in eeuwigheid.
L.
V. W.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 december 1923
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 december 1923
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's