Ons kerkelijk standpunt
II.
Als wij den weg wenschen aan te wijzen, waarlangs naar het ons voorkomt, onder de tegenwoordige omstandigheden de oplossing van 't kerkelijk vraagstuk alléén kan en mag gezocht worden, dan meenen we in de eerste plaats te moeten herinneren aan het ontstaan van den Gereformeerden Bond in het jaar 1906.
De gedachte die toen bij de oprichters van onzen Bond voorzat was om de Gereformeerde elementen in onze Kerk te vereenigen en de Gereformeerde beginselen te verbreiden. Men besefte dat er van het individualisme dat er algemeen onder de Gereformeerde belijders binnen onze Kerk heerschte, geen kracht kon uitgaan. In de Confessloneele Vereeniging vond men niet wat men zocht, in de eerste plaats omdat deze Vereeniging in de theorie de Confessie wel hooghield, maar omdat in de practijk allerlei elementen zich bij haar voegden die het vertrouwen van ons Gereformeerde volk ten eenenmale misten en in de tweede plaats omdat in deze Vereeniging altoos weer de idee Volkskerk werd gepropageerd en men daar toen reeds den schijn wekte — wat er met de jaren niet beter op werd, — alsof heel onze Belijdenis uitsluitend uit art. 36 van de Ned. Geloofsibelijdenis bestond. Een stem, die nog vaak in het Confessioneele kamp wordt beluisterd, komt dan ook vrijwel hierop neer : wie art. 36 maar zonder eenig voorbehoud aanvaardt, is Gereformeerd, en wie dat niet doet is independent, aanhanger van Vinet, volgeling van Schleiermaoher of iets dergelijks, maar in ieder geval op zijn allerbest nog ethisch.
Dat eenzijdig op de spits drijven van de idee van dr. Hoedemaker : ,.heel de Kerk en heel het volk", dat ondanks de goede bedoeling, verschillende elementen in de Confessioneele Vereeniging bracht die het met de fundamenteele stokken der belijdenis, inzonderheid met het stuk der verkiezing, door onze Vaderen steeds het hart der Kerk genoemd, en met dat van Gods absolute Souvereiniteit, zoo nauw niet namen, had vele Gereformeerd denkende en voelende elementen in onze Kerk van deze Vereeniging vervreemd, en het was niet mogelijk deze tot aansluiting te bewegen bij een corporatie d'ie hun vertrouwen zoo ten eenenmale miste. Mede om deze elementen te organiseeren, moest een nieuwe Vereeniging of Bond worden opgericht.
Nu voelde men dat een der groote struikelblokken die de ontwikkeling van een gezond, kerkelijk leven in den weg stonden, de Synodale Organisatie was, die bij Koninklijk Besluit van 7 Januari 1816 de plaatselijke Kerken, behoorende tot de Nederlandsch Hervormde Kerk, was opgelegd. Een der eerste middelen, waarlangs de nieuwe Bond dan ook zijn doel, de verbreiding der Gereformeerde beginselen, trachtte te bereiken, was het streven naar opheffing van die Organisatie. Mannen, die toen bij de oprichting van onzen Bond in de voorste gelederen stonden, maar die zich, helaas, al spoedig terugtrokken, meenden op goede gronden te kunnen verdedigen dat die opheffing was het niet langs kerkelijken, dan langs politieken weg te verwezenlijken was. De z.g: . „vrijmaking: " der Kerken, waaraan onze Bond in dat eerste stadium wellicht niet geheel terecht, zijn naam ontleende, is dus nooit doel maar wèl middel geweest.
Zooals uit de toenmalige Statuten duidelijk blijkt, was van het begin aan het doel van onzen Bond om „op den grond slag der Heilige Schriftuur, opgevat in overeenstemming met de Formulieren van Eenigheid der Gereformeerde Kerken in Nederland, gelijk die waren vast gesteld op de Nationale Synode van Dordrecht in 1618/19, de Gereformeerde beginselen te verbreiden. Slechts één der middelen om dat doel te bereiken was het streven naar opheffing van de Synodale Organisatie van 1816. Vandaar dat het, naar het ons voorkomt, bij de oprichting van onzen Bond in 1906, een tactische fout geweest is om de z.g.n. vrijmaking zelfs in den naam naar voren te brengen. Een Vereeniging toch ontleent in den regel haar naam aan het doel dat zij beoogt, en volgens art. 4 van de toenmalige Statuten was dat doel niet anders dan de verbreiding der Gereformeerde beginselen. Nu blijkt deze gemaakte fout door .de historie geoordeeld en gewroken te zijn. Weldra toch bleken twee dingen. In de eerste plaats dat de opheffing van de Organisatie van 1816 langs den politieken weg niet zoo gemakkelijk was als men het zich aanvankelijk had voorgesteld, en in de tweede plaats dat een groot deel van ons Gereformeerde volk onzen Bond niet vertrouwde, omdat het vreesde dat op deze wijze óf een nieuwe afscheiding óf een algeheele verscheuring van de Ned. Hervormde Kerk het gevolg zou zijn. Om die reden waren velen en daar onder enkelen, die nu in de beweging van het Convent op den voorgrond treden, aanvankelijk niet te bewegen om zich bij den Gereformeerden Bond aan te sluiten.
Toen onze Bond dan ook eenerzijds verstoken bleef van den steun van velen waarop hij gemeend had aanspraak te mogen maken en toen anderzijds onze Bond bovendien nog den steun verloor van mannen als prof. Hora Siccama, ds. Gewin, prof. Visscher, dr. De Lind van Wijngaarden en mr. van Dobben de Bruyn. die zich om verschillende redenen uit het Hoofdbestuur terugtrokken, scheen het voor de overgebleven Bestuursleden, waaronder onze tegenwoordige Voorzitter, 2de Voorzitter en Secretaris, ondoenlijk om bij de toenemende verdachtmaking van ons streven, den Bond nog langer te vertegenwoordigen en zoo kwam er een oogenblik dat het schip van ons Bondsleven gevaar liep te stranden en dat dus ontbinding onvermijdelijk scheen.
Edoch, de Heere, in Wiens hand de. diepste plaatsen der aarde zijn, en de hoogten der bergen zijn Zijne, Wiens ook de Zee is, en Wiens handen het droge geformeerd hebben, de Heere, in Wiens hand ook het leven van onzen Bond was, had het anders beschikt. Naar Zijn voorzienig bestel kwam onze Bond in het najaar van 1909 in „Irene" te Utrecht in buitengewone vergadering saam. en daar vierde toen, onder leiding van onzen nog steeds fungeerenden Voorzitter, besloten, niet om den grondslag en ook niet om het doel van onzen Bond te wijzigen, maar om dat ééne middel, dat voor velen een steen des aanstoots, voor sommigen eén rots der struikeling was, uit onze Statuten weg te nemen. Niet, dat men daardoor de hoop op Kerkherstel opgaf of zelfs ook maar den weg tot reformatie van onze Kerk prijs gaf. Integendeel, dat het den Bond nog wel terdege te doen was om tot oplossing van het zoo veelszins ingewikkelde kerkelijk vraagstuk te komen, bewees wel de clausule die in art. 4 van onze tegenwoordige Statuten aan de omschrijving van ons doel en streven werd toegevoegd, nl. „om mede daardoor te komen tot oprichting van de Hervormde Kerk uit haar diepen val en tot wederverkrijging van hare plaats in het midden van ons volk, haar vanouds door den Heere aangewezen, met vasthouding aan de Dordtsche Kerkorde van 1619."
Welke is dus de wijziging die onze Bond in 1909 heeft ondergaan ? Door velen is het voorgesteld alsof de Bond toen geheel en al van koers veranderd zou wezen. Met de feiten voor ons lijkt ons deze bewering echter onhoudbaar te zijn. Immers die wijziging betrof alléén het middel om langs politieken weg tot opheffing van de Organisatie van 1816 te komen. Dat middel, dat ons hoe langer hoe meer onuitvoerbaar bleek, was ons bovendien een bron van allerlei wantrouwen geworden, een middel waar van het ons dan ook meer en meer bleek dat ons volk er niet vatbaar voor was.
Wat was dan natuurlijker dan dat wij in dat opzicht de bakens verzetten en dat wij toen gezegd hebben : de grondslag van onzen Bond blijft dezelfde, dat is en blijft de Heilige Schriftuur, opgevat in overeenstemming met de Drie Formulieren van Eenigheid, het doel van onzen Bond blijft ook hetzelfde, dat is en blijft de verbreiding der Gereformeerde beginselen, maar aangezien een der middelen om dat doel te bereiken voor velen een hinderpaal is en den schijn wekt alsof het ons te doen is om scheuring en verbrokkeling van de Hervormde Kerk, willen wij om dien schijn te vermijden dat middel wel uit onze Statuten verwijderen en willen wij gaarne verklaren dat het ons te doen is om de Gereformeerde Waarheid te verbreiden en te verdedigen in het midden van de Ned. Herv. (Geref.) Kerk. om alzoo te komen tot oprichting van die Kerk uit haar diepen val ?
Niet dat daarin lag opgesloten dat 't ons door de z.g.n. „vrijmaking" wèl om scheuring en verbrokkeling te doen ware geweest. Integendeel. Wij zien niet in dat een eventueele opheffing van de Synodale Organisatie langs politieken weg — gesteld dat ware mogelijk geweest — noodzakelijk tot een scheuring van de Ned. Hervormde Kerk zou geleid hebben. Het eenig gevolg zou dan, naar het ons voorkomt, geweest zijn dat de plaatselijke Kerken, vrij van het Synodaal verband, zich weer, maar dan in, presbyteriaal verband tot de Ned. Hervormde Kerk georganiseerd zouden hebben. Maar — zonder dat we hierover verder behoeven uit te wijden, omdat dat station nu toch reeds ver genoeg achter ons ligt, — alleen om het jegens ons gewelkte wantrouwen zooveel mogelijk te beschamen, hebben we in onze nieuwe Statuten doen uitkomen dat het ons te doen was om het herstel van de Ned. Hervormde Kerk. Hét ging ons dus niet om de Gereformeerden als Kerk der belijdenis uit het geheel der Ned, Hervormde Kerk uit te pellen, om die Kerk dan als de bolster waar de pit uit was, weg te werpen ; althans aan zichzelf over te laten. Neen, het ging er ons om — dat staat nog altoos duidelijk in art. 4 van onze Statuten — dat de Herv. Kerk uit haar diepen val zou opgericht worden en die plaats in het midden van ons volk zou herkrijgen, die haar vanouds door den Heere werd toegewezen.
Dat daarvoor een nieuwe organisatie, een nieuwe Kerkorde noodig is, hebben wij ons niet ontveinsd en we ontveinzen het ons nóg niet. Vandaar dat in art. 4 van onze Statuten .ook staat : „met vasthouding aasMe Dordtsche Kerkorde van 1619." Maar 'de weg om tot de invoering van de^e of van een op dezelfde beginselen gegronde, wellicht met onzen tijd meer overeenstemmende Kerkorde in onze Kerk te komen, zagen wij voorshands in niets anders dan in het verbreiden van de Gereformeerde beginselen, in het verbreiden en verdedigen van de Gereformeerde Waarheid in die Kerk waarin God ons een plaats en een roeping gegeven had.
De historie van afscheiding en doleantie had het overtuigend bewezen dat ieder gewild of ongewild conflict met de kerkelijke besturen op niets anders uitliep dan op een verzwakking van 't Gereformeerde element, dat juist om versterking riep. En de ervaring met de „vrijmaking" opgedaan, had het duidelijk getoond dat zelfs de schijn als wilde men de Hervormde Kerk in onderscheidene deelen oplossen, streng vermeden moest worden.
Wat bleef ons dan anders over dan ons te bepalen tot het doel dat onze Bond ook in het eerste stadium van zijn bestaan had beoogd, n.l. de verbreiding der Gereformeerde beginselen en daarbij duidelijkheldshalve te verklaren dat het ons ging om de verbreiding en verdediging van de Waarheid in het midden van de Ned. Hervormde Kerk. die voor ons krachtens haar belijdenis in haar wezen nog altoos was de Gereformeerde Kerk?
Aan dien arbeid heeft onze Bond zich nu ruim 14 jaar gewijd. En zonder onszelf daarop te verheffen, wil het ons toch voorkomen dat die arbeid niet ongezegend is geweest. In steeds meerdere gemeenten onzer Kerk toch kwam een vragen naar de Gereformeerde leer. In vele gemeenten zelfs waarvan we dat het allerminst verwacht zouden hebben, ontstond een beweging om een Gereformeerde prediking, die dan niet zelden door de oprichting van een plaatselijke afdeeling van onzen Bond werd gevolgd. En nu overschatten we dergelijke bewegingen niet. We gevoelen heel goed, dat in dergelijke plaatsen waar een opleving van het Gereformeerd beginsel ontstond, volstrekt niet altijd de volle consekwentie en toepassing van dat beginsel ook wat het herstel onzer Kerk betreft, werd verstaan en doorzien. We zijn zelfs overtuigd, dat het bij velen vaak om niets anders te doen is dan orn, in de prediking des Woords een zuivere uiteenzetting te ontvangen van het stuk der Waarheid, dat des menschen zaligheid raakt, en die uiteenzetting dan vaak liefst zoo mystiek mogelijk getint, maar daar staat tegenover dat we de gelijkenis van het zuurdeeg voor oogen, gelooven dat de prediking des Woords zijn doorwerking niet zal missen en dat de Heere dus zorgen zal dat dat kleine zuurdeeg van Zijn Woord de drie maten meels geheel zal doortrekken. We weten echter dat dit op een verborgen, dus voor ons onzichtbare wijze geschiedt.
En niet slechts dat, dank zij mede het optreden van onzen Bond in vele plaatsen, waarvan dat voorheen door niemand verwacht was, de Gereformeerde Waarheid weer van den kansel der Ned. Hervormde Kerk verkondigd mag worden, maar daar komt bij, dat het groote bedrag van meer dan een ton, dat door de offervaardigheid van ons Gereformeerde volk in die jaren voor onze Fondsen verzameld werd, duidelijk bewezen heeft dat onze arbeid niet geheel vruchteloos was.
Het is waar, dat ons Leerstoelfonds ten gevolge van de groote moeilijkheden waarmee ons Bestuur op allerlei wijze te worstelen had, nog geen practisch resultaat heeft afgeworpen, maar als we daartegenover zien op dé Vruchten van ons Studiefonds, waaruit onderscheidene jonge menschen gesteund zijn en nog gesteund worden, die anders wellicht nooit tot de bediening des Woords gekomen zouden zijn of nog komen zouden, dan meenen we toch ook daarin een bewijs te hebben dat de Heere op onzen arbeid kennelijk Zijn zegen schonk.
Maar daarom ook, omdat wij meenen dat de door ons ingeslagen weg de kenteekenen draagt van de weg des Heeren te zijn, komt het ons voor, dat wij dezen weg moeten blijven bewandelen, tenzij de Heere ons duidelijk laat zien dat het inslaan van een anderen weg onvermijdelijk is. De teekenen die daarop wijzen, schijnen ons echter vooralsnog niet aanwezig te zijn. Want zeker, wij erkennen dat de toestand van onze Hervormde Kerk een toonbeeld is van diep verval en soms van de meest grenzenlooze verwarring. Wij geven zelfs gaarne toe dat èn door het Reglement op de Predikantstractementen èn door de invoering van 't vrouwenkiesrecht, beide liggende in de lijn der Synodale Organisatie, de banden dezer Organisatie om onze Kerk nog vaster zijn aangehaald en daardoor des te knellender voor haar zijn geworden. Vanuit dat oogpunt bezien wordt dan ook het een zoowel als het ander ook door ons ten zeerste betreurd en is het ons een prikkel te meer om bij het ideaal van opheffing der Synodale en herstel eener Presbyteriale Organisatie te blijven volharden. Maar zoolang God ons geen weg baant waarlangs wij dat ideaal zienderoogen kunnen benaderen, gelooven we dat ieder middel dat wij zelf aangrijpen erger dan de kwaal zal blijken te zijn. Alle verzet tegen de kerkelijke reglementen, maar ook iedere pogmg om de Gereformeerden in een z.g. belijdeniskerk saam te brengen, lijkt ons een weg die ons hoe langer hoe verder vandat ideaal verwijderen zal.
Daarom kunnen wij niet anders inzien dan dat de weg die in den naam van onzen Bond ligt uitgedrukt, n.l. het verbreiden en verdedigen van de Waarheid op dit oogenblik de eenige is die voor ons openligt, en die ons van Godswege is aangewezen. Alleen langs dezen weg meenen we dat als onder den zegen des Allerhoogsten het Gereformeerd beginsel als een zuurdeeg zal doorwerken, 't mogelijk zal zijn onder ons Gereformeerde volk het kerkelijk besef weer te doen opwaken en als gevolg daarvan ook schuldgevoel en verootmoediging over de breuke Zions op te wekken.
Naar het ons wil voorkomen toch zijn dat juist de dingen waar het onze menschen aan ontbreekt. Het kerkelijk bewustzijn is mede ten gevolge van onze droeve kerkelijke toestanden zoo veelszins verloren geraakt. Men wil in vele onzer Gemeenten nog wel een Gereformeerde prediking; als men die mist, dan worden vaak alle geoorloofde en soms ook ongeoorloofde middelen aangewend om haar te verkrijgen, maar als men die eenmaal heeft, dan blijkt er over anderen die hetzelfde missen en met Wien men door den kerkelijken band verbonden is, o zoo weinig bekommernis te zijn. Dat de Kerk van Christus zich in haar instituairen vorm weer als Kerk zal openbaren, blijkt — laten wij het maar eerlijk bekennen — niet het minst onder onze Gereformeerde menschen, Zoo bitter weinig gevoeld te worden. Vandaar dat er over, de breuk der Kerk ook zoo weinig sohuldgevoel en dan ook zoo weinig verootmoediging voor Gods aangezicht is.
Men voelt niet dat de oorzaak van de diepe ellende waarin onze Kerk verzonken ligt, mede hierin moet gezocht worden dat men zelf zoo individualistisch geleefd heeft en dat men zelf, doordat een ieder loopt voor zijn eigen huis, het Huis des Heeren verwaarloosd heeft. Wij gelooven als dat ook in onze kringen meer verstaan en doorzien werd, dat er dan minder een op den voorgrond stellen van allerlei kleine en vaak persoonlijke geschillen zou wezen, en dat er dan meer een zich verootmoedigen voor het aangezicht des Heeren zou zijn. Zal het echter ooit tot reformatie onzer Kerk komen, dan meenen wè dat belijdenis ook van onze kerkelijke zonden noodzakelijk is en dat het ook door ons erkend zal moeten worden niet: de Modernen en de Ethishen zijn zoo slecht, maar: wij en onze vaderen hebben gezondigd en hebben, wat kwaad is in Uwe oogen, gedaan. Alléén in dien weg dat er ook in onze Gereformeerde kringen schuldbesef en schuldbelijdenis ook over het bewandelen van allerlei onkerkelijke wegen geboren zal worden, gelooven we dat er ook schuldvefigiffenis en alzoo ook een oprichten van onze Kerk uit haar diepen val mogelijk zal zijn.
Welnu, daartoe wenschen we voort te gaan om Gods Waarheid in het midden onzer Kerk uit te dragen, overtuigd als we zijn dat Gods Woord alléén de Waarheid is en dat we ook kerkelijk alléén door de Waarheid kunnen vrijgemaakt worden. En daarbij wenschen we onze oogen biddend te richten op Hem, in Wiens machtige Koninklijke hand ook het lot onzer Kerk besloten ligt. De geschiedenis heeft het bewezen dat waarachtige reformatie der Kerk nooit gemaakt, veel minder geforceerd kan worden, maar altoos een vrij machtige daad is van Hem, die als de Koning Zijner duurrgekochte gemeente op Zijn tijd mannen verwekt en wegen baant en middelen aanwijst waardoor de reformatie geboren wordt.
Moge in dat besef de arbeid van onzen Bond, door den Heere gezegend, door allen die Gods Waarheid in onze Kerk liefhebben, krachtig worden gesteund, opdat als het 's Heeren tijd zal blijken om ons de reformatie te geven, wij als Gereformeerde belijders dan gereed zullen zijn om haar te ontvangen. Namens het Hoofdbestuur, van den Geref. Bond. De Commissie ad hoc,
B. BATELAAN.
J. GOSLINGA.
M. JONGEBREUR.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 januari 1924
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 januari 1924
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's