Stichtelijke overdenking.
Nieuwjaarsoverdenking.
„Maar wat zal het ook nu zijn ? " . Niettegenstaande den ernst der tijden neemt de lichtzinnigheid hand over hand toe. En dat maakt juist de tijden nog ernstiger voor degenen die er iets van zien. Ware het dat er door den ernst der tijden meer ernst gevonden werd, dan zou, dat nog eenigszins een goede hope voor de toekomst geven. Maar juist het tegendeel geschiedt. Er wordt in het algemeen geleefd alsof men een „gouden eeuw" tegemoet gaat. Degenen, die waarschuwend hunne stem verheffen, zijn als „roependen in de woestijn", want niemand hoort er naar. En toch zullen zij, die op grond van Gods Woord waarschuwen, door de geschiedenis in het gelijk gesteld worden, of anders gezegd : De Heere zal Zelf Zijn Woord bevestigen en waar maken.
Als vanzelf worden wij bij de wisseling des jaars ook bepaald bij de tijdsomstandigheden. Meer dan ooit trekken die onze aandacht. Zoo zelfs, dat wij meer daarmede bezig zijn, dan met onszelf Meermalen hebben wij gestaan bij het graf van hen, die o zoo bezorgd en beangst waren ten opzichte van den tijd welken wij beleven, maar die niet bekommerd waren over de eeuwigheid, die hen wachtte. Het gevaar is niet denkbeeldig, dat wij door den ernst der tijden voorbij zien den nog veel grooteren ernst van de eeuwigheid. Het is noodig beide onder de oogen te zien en ons bij het licht van Gods Woord de vraag te stellen, die wij hierboven afschreven uit 1 Koningen 14 vers 14 :
Maar wat zal het ook nu zijn ? Het waren ook benauwde tijden toen deze vraag door den ouden profeet Ahia gedaan werd, en het antwoord was niet bemoedigend.
De profeet Ahia had van den Heere een harde boodschap voor de huisvrouw van Jerobeam, want hij moest haar aanzeggen dat haar kind, dat krank was, zou sterven; ja, dat vanwege de zonde het gansche huis van Jerobeam zou uitgeroeid worden en dat niemand van hen zou begraven worden. Het oordeel Gods over het huis van Jerobeam was : „Die in de stad sterft, zullen de honden eten en die in het veld sterft, zullen de vogelen des hemels eten."
Alleen deze zoon Abia, die stierf toen zijne moeder op den dorpel van haar huis inkwam, zou van het huis Jerobeams bij het graf inkomen, omdat in hem wat goeds voor den Heere, den God Israels, gevonden werd.
Daaruit zien wij ook dat de Heere onder de zwaarste oordeelen die over een gezin of land en volk gaan, de Zijnen niet vergeet. Dat moge tot troost zijn voor degenen die den Heere vreezen. Hij zal ze niet begeven of verlaten. De Heere kent degenen die de Zijnen zijn, ook in de benauwdste tijden. Ook nu ! Die God vreezen, hebben niets te vreezen.
Het goddelooze huis van Jerobeam zou dus uitgeroeid worden, door een anderen koning, dien de Heere verwekken zou. Maar wat zou het dan nog zijn? Zeker, het oordeel zou dan over het huis Jerobeams voltrokken zijn; maar daarmede was 't oordeel nog niet afgewend van het huis Israels. De pro feet wist wel beter. Want niet alleen het huis van Jerobeam, maar óok het huis Israels had het verzondigd. Niet alleen de koning, de regeering, stond schuldig, maar ook het volk. Met een anderen koning of eene andere regeering was het volk niet gered. Dat is de dwaling van zoovelen in onze dagen, als zij meenen dat met een andere regeering het land behouden is ; daarom zien zij in revolutie heil.
De oude profeet zag in eene andere regeering geen heil. Hij wist, dat de Heere onder die nieuwe regeering Israël zou slaan, gelijk een in het water omgedreven wordt, en Hij Israël zou uitrukken uit dat land, dat Hij hunnen vaderen gegeven had, omdat zij hunne bosschen gemaakt hadden, den Heere tot toorn verwekkende. Dat zou ten slotte geschieden vanwege de zonde en dat is geschied. Er is een andere koning gekomen, n.l. Baësa, die Nadab, Jerobeams zoon en opvolger gedood en Jerobeams huis uitgeroeid heeft; maar ook hij wandelde in den weg Jerobeams en ook hij deed Israël zondigen.
En zoo is het doorgegaan van kwaad tot erger : tot eindeliik de maat vol was en de Heere hen uit dat goede land heeft uitgerukt en verstrooid op gene zijde der rivier.
Dat is hèt antwoord geweest op het bekommerd vragen : Maar wat zal het ook nu zijn ? Het zou ons niet verwonderen als er nu aan het begin van dit nieuwe jaar met ons vol bekommernis vragen : Wat zal het nu zijn ?
Er zijn er zoovelen geweest, die vol verwachting waren toen de oorlog geëindigd was en die meenden dat toen een tijdperk van voorspoed en welvaart voor de volken en ook voor ons volk aanbrak. Hoewel wij er ook ontmoet hebben (Godvreezenden) die zeiden : er kan een vrede komen, nog erger dan de oorlog, wier verwachtingen niet zoo hoog gespannen waren omdat zij niets bemerkten van bekeering, omdat de goddeloosheid niet verminderde en wel vermeerderde. En nu is het vijfde jaar na den vrede al weer verstreken. Maar wat zal het nu zijn ? Ook voor ons volk staat het er niet gunstig bij omdat het maar doorgaat evenals Israël in den weg van zonde. Zelfs van uitwendige bekeering wordt niets gezien. Integendeel, het gaat ook van kwaad tot erger. Het holt maar voort op den weg des verderfs, geheel blind voor de gevaren die ons dreigen en nog minder bekend met de oorzaak van de ellende.
Het is niet te verwachten dat 1924 een jaar van verbetering en meerdere welvaart zal zijn. Het is een wonder dat het nu nog is zooals het is. En indien er in 1924 eens een opflikkering mocht komen — wat niet te verwachten is — dan zou het toch maar voor korten tijd zijn, omdat de oorzaak, de bron der ellende, niet is weggenomen ; omdat het volk maar doorgaat met God tot toorn te verwekken.
„Maar wat zal het ook nu zijn ? " Hoe belangrijk deze vraag ook moge zijn ten opzichte van land en volk in 1924, veel belangrijker is deze vraag voor ons persoonlijk ; met onze verhouding tegenover den Heere, met betrekking tot de eeuwigheid ! Want hoe ernstig wij ons ook bezighouden met de tijdsomstandigheden, hoe diep wij in de ellende en jammer, die is en komen zal, ook inzien, het is niet genoeg, indien wij onszelf vergeten. Want als wij liggen aan de poort der eeuwigheid, dan houdt die vraag op, om plaats te maken voor een andere, n.l.: „Wat zal het nu zijn voor de eeuwigheid ? "
De belangrijkste vragen van den tijd vallen in het niet bij de eeuwigheidsvraag. En onverwacht, eer wij het denken, worden wij voor die vraag gesteld. Het kan zijn dat die vraag in 1924 tot ons komt, en indien wij dan nog geen antwoord weten te geven, zullen wij het antwoord krijgen. Het zij eeuwig wèl of eeuwig wee.
Het is daarom zoo noodig dat die vraag maar niet verdrongen wordt door zoovele andere, hoe belangrijk die ook voor den tijd mogen zijn. Want wat baat het al hebben wij ons nog zoo verdiept in het tijdelijk belang en niet in het eeuwige? En als het benauwend antwoord voor den tijd moet zijn „donker", hoeveel benauwender zal het zijn als datzelfde antwoord moet gegeven wórden voor de eeuwigheid. Want zóó donker kan het niet zijn voor den tijd of het zal nóg donkerder zijn voor de eeuwigheid ; dan zal het zijn een buitenste duisternis. In den tijd kan het altijd nog erger, maar in de eeuwigheid niet.
„Maar wat zal 't ook nu zijn ? " Deze vraag vindt gewisselijk weerklank in de zielen, die bekommerd zijn vanwege de zonde ; die den strijd daartegen hebben aangebonden, maar niet zijn gevorderd. Wellicht zijn zij vroeger met veel moed een nieuw jaar ingegaan, hopende dat zij het er in het nieuwei jaar beter zouden afbrengen, maar zij zijn bitter teleurgesteld. Zij hebben de schuld grooter gemaakt.
En wat zal het nu dit jaar zijn ? Verwachtingen van zichzélf hebben zij niet meer. Van hunne zijde is het een afgesneden zaak. Zij moeten daarom afzien van zichzelf. En wat dan ? In rampzalige wanhoop doordwalen ? Neen, er is nog een weg in Christus geopend. En dat is dan ook de éénige weg. Daarom moeten zij afziende van zichzelf, opzien naar Boven. En dat leeren zij ook door dienzelfden Geest, die hen eerst deed inzien in zichzelf en daarna leerde afzien van zichzelf. Want de Geest doet geen half werk. Die 't goede werk begonnen heeft zal het ook voleindigen. Al worden zij nog zoo met twijfel besprongen of het wel een goed werk is, zij ervaren toch, dat de Heere niet laat varen het werk Zijner handen. Zij ondervinden toch telkens nieuwe blijken van Zijne gunst. Want Hij houdt hen in Zijne almachtige hand vast. Hij laat hen niet aan zichzelf over. Daardoor keeren zij niet terug als de gewasschen zeug tot de wenteling des slijks of als de hond tot zijn uitbraaksel. Wèl moeten zij zich daar telkens van beschuldigen, doch inderdaad is het niet zoo door de keuze die de Heere in hun harte gelegd.
Het is een zondigen tegen hunner wil. Zij dwalen wel als een schaap in 't rond, maar de bede blijft toch : Ai zoek Uw knecht, schoon hij Uw wetten schond, want hij volhardt naar Uw gehoon te hooren.
En als zij dus vragen : Wat zal het ook nu dit jaar zijn? dan is het antwoord : van hunne zijde hetzelfde. Op grond van hun eigen bestaan is er geen troostwoord te geven. Maar van Gods zijde is er wèl een troostwoord te spreken, n.l. dat de Heere ook dit jaar weer Dezelfde zal zijn, dat is een toevlucht van geslacht tot geslacht, voor degenen die naar Hem toe vluchten. Die tot Hem komt zal Hij ook dit jaar geenszins uitwerpen.
Geen ijd'le zorg doe u van 't heilspoor dwalen ; Houd in uw weg het oog op God gericht; Vertrouw op Hem en d' uitkomst zal niet falen. Hij zal welhaast uw recht, voor elks gezicht. Doen dagen, als de morrgenzonnestralen. En blaken, als het helder middaglicht. (Psalm 37 vers 3).
Dinteloord.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 januari 1924
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 januari 1924
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's