Ingezonden.
Beleediging van af den kansel.
Hooggeachte Redacteur, Tot op zekere hoogte stemmen we in met wat de Kerknieuws-redacteur van de NR. Courant in het Ochtendblad van 21 December j.l. schreef over het „geval-Keller". 't Spreekt natuurlijk vanzelf, dat we den persoon van den IJsselmuider leeraar er buiten laten. Wij wilden alleen dit geval accentueeren, als leerrijk voorbeeld voor vele van „onze" dominé's, die wel eens aan een dergelijk euvel mank gaan.
O zeker, we weten wel, dat hier in IJsselmuiden een „ultra" aan 't woord was, zooals onze Hervormde Kerk er (gelukkig !) weinigen telt ; maar in alle bescheidenheid wilden we vragen, of in het algemeen van den kansel niet te veel, ja alleen critiek en te weinig of geen waardeering wordt vernomen jegens andersdenkenden.
Menigmaal hoorde ik van den kansel in de meest scherpe bewoordingen de handel-en denkwijze „afmaken" van hen, die onze broeders zijn. Nogmaals, ik oordeel niet over „den goddeloozen meester Pon", noch over ds. Keiler. Beiden zijn mij geheel onbekend.
Mede in aansluiting. met wat in „De Waarheidsvriend" van 21 December geschreven is over Jeugdkerk, moet mij de verzuchting van het hart : „Hoe menigmaal worden wij in de kerk niet beleedigd en gekwetst in onze mooiste en diepste gevoelens!"
Ik wil er allen nadruk op leggen, dat óók deze en dergelijke dingen veel jongeren tegen de borst stuiten.
Goed ! 't Gaat bij ons niet tegen den inhoud — maar wèl tegen den vorm die veelal oud en verouderd is. Ik zou zoo gaarne zien, dat de Bondsdominé's zich meer aanpasten aan het cultureele leven en aan de taal van onzen tijd. Ze kunnen dan heusch wel Gereformeerd blijven (al gispt het profanum vulgus dan met het veel-misbruikte „ethisch" !),
Waarom hooren wij van onze predikanten geen preeken, zooals ik die beuisterde van predikanten uit de Gereformeerde Kerken ? Mag ik alleen maar de namen noemen van Schilder, Van Arkel, Brussaard?
Zijn die dan soms niet Gereformeerd ? Ik meen van wèl.
Als vorm èn inhoud zóó zijn, zullen vele jongeren met meer liefde en aandacht in de kerk zitten. Dan zal de „oude Waarheid" meer tot hen gaan spreken. Dan zullen ze die beleven ; dan ook zullen velen dergenen die nu Zondag aan Zondag door termen en cliché's in slaap worden gepreekt (lichamelijk, en wat erger is, geestelijk bovendien) wakker geschud worden, en dan pas kunnen ze, met Gods hulp „als geharnaste strijders in het strijdperk treden voor de eere van den Naam van Christus."
M. de Red. Het geval-Keller gaf ons aanleiding deze dingen te schrijven ; eindelijk hebben we ronduit gezegd wat reeds lang ons bedroefde.
Neen, wij willen geen verwijten maken, want we vertrouwen, dat de herders der kudde de jongeren niet opzettelijk negeeren.
Beschuldig ons dan niet, nu wij dit oprecht neerschrijven. Wij hebben slechts een vriendelijk verzoek : Beleedig niet noodeloos ; kwets niet zonder reden ; tracht ons in onze moeilijkheden te helpen ; wil zoo mogelijk aan onze bezwaren tegemoet komen. Zóó kunt gij óók de Waarheid verbreiden m de Nederl. Herv. (Gereform.) Kerk !
Met dank voor de plaatsing. Een Jongere.
Geachte Redactie,
In het: artikel „Jeugdkerk" in het no. van 21 December j.l., .onderteekend B., worden enkele dingen verteld van de tweede Jeugdconferentie en van het antwoord, dat ds. v. d. Laar Krafft gaf op de vraag, wat in de jeugdkerk gegeven moet worden. Naar aanleiding daarvan wordt opgemerkt : „Als onze jeugdkerkorganisatie dien kant opgaat, doen wij niet mede. En tenzij zij er in slaagt betere wegen aan te wijzen, houden wij onze kinderen voorloopig bij ons in de kerk, opdat de prediking der oude Waarheid, zij 't dan misschien op ietwat te ouderwetsche wijze, hun ziel nog ten goede kome."
Iemand, die van de jeugdkerkbeweging weinig of niets wist, zou hieruit den verkeerden indruk kunnen ontvangen, dat de gansche jeugdkerkbeweging tegen de prediking der oude Waarheid is en derhalve dient veroordeeld.
Laat mij, als abonné en als bondslid, daarom even mogen opmerken, dat men ds. v. d. L. K. te veel eer bewijst, wanneer men hem met de jeugdkerkbeweging vereenzelvigt en haar zijne uitingen die beweging beoordeelt; hij moge wel eens in een jeugdkerk gesproken hebben, niet in alle jeugdkerken wordt zijn optreden begeerd. Daar zijn ook jeugdkerken, die de hoofdwaarheden van ellende, verlossing en dankbaarheid niet wenschen los te laten en meenen, dat 't geloof, waarin onze vaderen hebben geleefd en zijn gestorven, nog niet is verouderd, — maar dat het Woord bediend moet worden naar den eisch van den tijd.
Het kan niet ontkend, dat het jonge geslacht meer en meer voor de kerk verloren gaat. De rijpende, en vooral de rijpere jeugd van thans, is anders dan die van vroeger — het werd nog onlangs in een te Amsterdam uitgebracht officieel rapport opgemerkt. Satan heeft de jeugd meer in zijn macht ; hij past zich aan de veranderde omstandigheden aan en weet nieuwe ideeën en uitvindingen, op zichzelf niet verkeerd, voor zijn doeleinden te misbruiken.
Ons Gereformeerde volk echter is wat traag van aard en veroordeelt gaarne al wat nieuw is. Het spreekt te spoedig den banvloek uit en slingert dien naar veel wat de jeugd aantrekt. Met geen ander gevolg, dan dat de kinderen uit onze Gereformeerde gezinnen meedoen aan de door de.ouders geschuwde zaken. Velen hebben de macht over hun eigen kinderen verloren. Anderen dwingen hun kinderen mede ter kerk te gaan met het gevolg dat deze straks op den tweesprong des levens gekomen, de kerk haten.
Het is gemakkelijk theoretiseeren : wij houden onze kinderen bij ons in de kerk; maar de practijk spreekt ook een woord mede.
Laat ons een open oog hebben voor de werkelijkheid en doen wat onze hand vindt om te doen om de jeugd te behouden voor de kerk. Dat kunnen wij onder Gods zegen, door de jeugdkerk, waarin wij, naar het woord van Paulus aan de Corinthiërs, de jeugd voeden met melk en niet met vaste spijs, welke zij nog niet verdragen kan. En dan worde geen grensleeftijd gesteld, maar ook toegelaten wie ouder is dan 18 jaar en door de melk in de jeugdkerk zich beter gevoed voelt dan dóór de vaste spijs in de gewone godsdienstoefeningen.
In de jeugdkerk worde voorts rekening gehouden met hetgeen in de jeugd leeft en de vragen, welke de jeugd bezig houden, vinden daar een antwoord, in het licht der eeuwigheid. In de puberteitsjaren krijgen de jongelui oog voor het leven; zij gaan oordeelen en veel veroordeelen. en meenen in hun eenzijdigheid en oppervlakkigheid, dat hun rechtvaardigheidsgevoel veel sterker is dan bij de ouderen. Dan komen zij op school, op kantoor, in fabriek of op het werk onder de prediking van twijfel-, ongeloofs-en revolutionaire theorieën. De Kerk, die hen daaronder laat zonder te trachten hen te trekken, laat hen ten prooi aan den duivel.
Waarom is in elke revolutionaire beweging het jonge geslacht zoo sterk vertegenwoordigd en het meest revolutionair? Hoe komt het, dat er onder de revolutionaire leiders zoovelen zijn, die een christelijke opvoeding hebben gehad, de Christelijke School hebben bezocht, enz. ?
De Kerk beseffe haar plicht ten opzichte van de jeugd.
C. J. MULDER.
Dordrecht, Dec. 1923.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 januari 1924
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 januari 1924
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's