De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven.

Onze Liturgie.

7 minuten leestijd

VIII

Preeken is bediening des Woords. En bediening des Woords in het midden der gemeente is het uitstallen van oude en nieuwe schatten, die in Gods Woord verborgen zijn, waarbij de geloovigen worden opgebouwd in hun allerheiligst geloof; de kleinmoedigen worden onderwezen tot meerderen welstand van hun geloof ; de afgezakten worden vermaand en gewaarschuwd, om van den schadelijken weg bekeerd tot den Heere weder te keeren en de onbekeerden worden vermaand in het heden der genade nog te leeren roepen tot God, die gezegd Heeft: „Zoo waarachtig als Ik leef, Ik heb geen lust in den dood des zondaars, maar hierin, dat de goddelooze zich bekeere en leve."
Natuurlijk, dat niet in elke preek precies hetzelfde moet worden gezegd. Niet precies dezelfde volgorde, niet precies dezelfde woorden. Want gaat het over dezelfde geestelijke dingen, toch moet het telkens weer op andere wijze geschieden, hoewel ook hier geen ruwe willekeur aan 't woord moet zijn, maar bedachtzaamheid, wijsheid en liefde.
Vooral in onze dagen, nu de Kerk veelal haar centrale plaats in het midden van het volksleven verloren heeft en velen, ook die niet ongodsdienstig en niet ongeloovig zijn, zich met bewustheid van de Kerk afkeeren, om het buiten-kerkelijk te zoeken, is het van h«t hoogste belang, dat alle aandacht geschonken wordt aan de prediking. Want de Kerk heeft niet afgedaan. De Kerk is niet dood. Maar nu moet de Kerk zich ook meer haar goddelijke en heerlijke roeping bewust worden, welke zij heeft naar uitwijzen van Gods Woord. Van welke roeping een groot en belangrijk stuk is de prediking van Gods Woord ; waarbij de Kerk van Christus erkent het ambt, als door Christus gewild en gegeven. Dat ambt moet zich bewust zijn en meer en meer bewust worden : bewarend wat God ons schonk, moeten wij vooruit. Neen, Gods Woord verandert niet; dat blijft eeuwig hetzelfde. Maar de tijden zijn veranderd en veranderen nog steeds. En nu belijdt ieder Gereformeerde, dat de ecclesia reformata semper reformanda est. Dat wil zeggen : Gods Kerk staat nooit stil, maar moet steeds vooruit ; in de 17de eeuw moet er 17de eeuwsch gepreekt worden ; in de 20ste eeuw moet er met het oog op de 20ste eeuw gepreekt worden. Men kan daar lang en men kan daar kort over praten, maar niemand zal het ten slotte kunnen tegenspreken.
Nu staat de 20ste eeuw niet los van en los naast de 17de eeuw. De historie bestaat niet uit losse stukken. Maar de 20ste eeuw is toch een gansch andere dan de 17de eeuw. En de Kerk van Christus, die een Kerk is voor alle tijden, heeft zich daarvan bewust te zijn.
Nu hebben wij in deze wel te letten op de klachten die tegen de Kerk en de prediking worden ingebracht, maar wij moeten óok oog hebben voor het goede dat wij mogen genieten in onze dagen. Wat is er in de vorige eeuw niet een herleving gezien van het echt, gezond gereformeerd beginsel, van de gereformeerde leer en 't gereformeerde leven !
In de Hervormde Kerk, in de Kerk der Afscheiding, in de Doleantie ! Neen ! 't was — en is — alles geen goud wat er blinkt. Ook is er veel uit de rechte banen gegaan. Ook zijn er velen, die onkerkelijk liggen. Er zijn er velen, die zich gereformeerd noemen, maar tegelijk bewijzen dat zij niet weten wat gereformeerd is.
Nochtans hebben wij den Heere te danken, dat er èn kerkelijk èn geestelijk weer 'een ópwaken is. En het zou heerlijk zijn, indien dat nu alles in het midden van de tegenwoordige tijdsomstandigheden mocht dienen als een zuur deeg, dat in al de maten meels gelegd wordt, om het al te doorzuren.
Dan moet natuurlijk alles niet opgaan in dooden vormendienst; in angstvallig menschen naar de oogen zien. Niet moet de bevriezingsmethode worden toegepast, om als een steen te bewaren wat de vorige tijden ons brachten.
Neen, bewarende het pand ons toebetrouwd, hebben wij voort te varen tot de volmaking, verstaande de teekenen der tijden.
Heel de maatschappelijke wereld, heel de geestelijke wereld is anders dan in de 16de en 17de eeuw. Andere geestelijke stroomingen, andere secten, andere problemen zijn er. En de prediker mag niet boven de tijden, waarin hij leeft, zweven, niets ziende van wat vlak voor der menschen voeten ligt en wat ons overal omringt. Met het eeuwig blijvend Woord van God moet hij staan midden in den tegenwoordig en tijd, om het tegenwoordig geslacht oude en nieuwe schatten voor te leggen, voortgebracht uit de diepe, rijke, onuitputtelijke eeuwige gangen van Gods Woord, dat waarlijk een goudmijn mag worden genoemd.
Daarbij moet de prediker een dienaar des Woords zijn ; om daarin te volharden (Hand. 6 vers 4), daarin een dienaar zijnde naar de gave der genade Gods, die hem geschonken is naar de werking Zijner kracht (Ef. 3 vers 7), blijvende in het geloof gefundeerd en vast, niet bewogen wordende van de hope des Evangelies dat wij gehoord hebben, 't welk gepredikt is onder al de creature die onder den hemel is ; van 't welk ook Paulus een dienaar was. (Col. 1 vers 23).
Oud-en Nieuw-Testament moeten ontsloten. Het Oude niet nemend, als ware het Nieuwe overbodig. Het Nieuwe niet nemend, als ware er geen Oude Bedeeling. Het Oude Testament is evengoed Gods Woord als het Nieuwe. En héél de Schrift moet worden gepredikt onder ons, met het middelpunt van alles : het Evangelie der verzoening in Jezus Christus.
Niet de christen moet gepredikt. Niet uit zich zelf moeten allerlei „schatten" worden opgedolven. Niet allerlei particuliere meeningen en gevoelens moeten worden voorgedragen, verdedigd en aangeprezen. Wat van den preekstoel in den naam des Heeren door de gezanten van Christus verkondigd wordt, moet Gods Woord zijn.
De Modernen verschillen natuurlijk hierin van de Gereformeerden. Die zijn van oordeel, dat de preek een toespraak moet zijn over een godsdienstig onderwerp. En omdat de Moderne niet gelooft aan de bizondere Godsopenbaring en de H. Schrift voor hem niet Gods Woord is, behoeft hij zich niet aan de Schrift te houden, maar kan hij de stof uit andere bronnen zich laten toevloeien. Een bepaald boek b.v. te bespreken en de strekking van dat boek naar voren te brengen, dat wordt dikwijls vrij wat beter geoordeeld, dan te preeken over een tekst uit den Bijbel.
Gansch anders denkt de Gereformeerde. Die is van oordeel, dat niet iets moois, dat gevonden wordt in dit of dat boek, gebracht moet worden. Ook niet de geloofservaringen van de gemeente, zooals de Ethischen wel willen (en ook wel zulken, die zich Gereformeerd noemen). Neen, de Gereformeerde wil niet het subjectieve van den moderne noch van den ethische, maar het objectieve, dat in de Heilige Schrift, Gods Woord zijnde, ons is gegeven, om die heilsopenbaring der H. Schrift voor de gemeente te ontvouwen en deze als maatstaf bij 't geestelijk leven aan te leggen.
Zoo is de gereformeerde prediking geen weerkaatsing van des menschen voelen of weten ; noch van des christens geloofservaring. De Gereformeerde prediking is bediening van het Woord Gods, het mededeelen van de zuivere leer, een brengen van het evangelie, een verkonidigen van het door God geschonken heil voor zondaren, een boodschappen in 's Heeren Naam van heerlijke verlossingstijding, waarbij het èn door den prediker èn in het midden van de gemeente verstaan moet worden, wat de dichter zong : „hoe zalig is het volk, dat het geklank kent."
Nooit kan de godsdienstige ervaring der gemeente of der geloovigen inhoud van de prediking zijn. Wat zou de prediking arm worden! De christen inplaats van den Christus het middelpunt en 't voorbeeld ! 't Zou zijn : den Christus van Zijn eer berooven en aan de zielen onthouden de spijze die tot verzadiging is gegeven. Daarom moet Gods Woord gepredikt worden; Christus moet worden gebracht. En die Zijn stem kennen zullen Hem volgen, zij zullen ingaan en uitgaan en weide vinden. (Joh. 10).
Het ligt zoo vlak naast elkaar : zichzelf prediken en Christus prediken. Het gevaar is zoo groot dat het eerste gekozen wordt, onder den schijn, dat men vóór het tweede is. Maar het tweede alleen is het ware en dan zal het eerste hartgrondig worden veroordeeld. Gelijk Paulus zegt in 2 Cor. 4 vers 5 : „Want wij prediken niet ons zélve, maar Christus Jezus den Heere ; en ons zelve, dat wij uwe dienaren zijn om Jezus' wil."

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 januari 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 januari 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's