De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Verschoppelingen

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Verschoppelingen

Feuilleton

6 minuten leestijd

EEN OORSPRONKELIJK VERHAAL DAT AANVANGT ONGEVEER 1870

Zijn moeder had reden genoeg, om het verstand van haar zoon nog al hoog te schatten : hij was zeer zuinig — zei zij — gierig — zeiden de menschen. Nog meer prijs stelde ze er op, dat hij Clara Diedriks tot vrouw begeerde. Want werkelijk was Clara een meisje met veel natuurlijk verstand, aangenaam in den omgang met anderen en vriendelijk jegens arm en rijk.
Wüsting — eigenlijk ieder, die beiden kende — hield het voor onmogelijk, dat het ooit tusschen Westerzee en Clara ook maar tot een verloving — laat staan tot een huwelijk — zou komen. Men achtte haar te verstandig om alleen ter wille van het geld zich voor heel haar leven op te schepen met iemand als Westerzee.
Daarom was Wüsting blijven hopen ! Haar bijzonder vriendelijke blik naar Paul haar wachten op hem, dat hij afgespied had, was voor hem een nieuw bewijs, dat zij Westerzee niet wilde.
Paul wist nu dat alles en begreep Wüstings houding jegens hem : maar te meer deed hij zijn best, dat zijn vriend geen aanstoot in hem zou vinden. Wat Clara deed, daarvoor was hij niet verantwoordelijik. Mocht ze hem opzettelijk opwachten, hij zou op zijn hoede zijn en alvast een omweg maken, dat hij haar huis niet voorbij kwam. Wüsting scheen geregeld Pauls gangen na te gaan, want stil-aan werd hij vriendelijker jegens hem, hoewel hij 't zich verzekerde, dat indien Clara's genegenheid tot hem zoo was als tot Paul Dieleman, hij door haar niet zou afgewezen worden.
In 't laatst van Februari, een Vrijdag, waren de leerlingen in de teekenzaal in zeer bijzondere stemming. Door de groote lichtramen vóór en terzijde zagen ze de drukte, die er in de woning van den architekt gemaakt werd : de voorbereiding tot het verlovingsfeest op den komenden Zondags Met Clara en Westerzee was 't er „door".
Allen kenden het geheim, dat Wüsting nog altijd op Clara hoopte. Ze schenen ijveriger te werken dan ooit, doch allen hadden alleen aandacht voor hun vriend Wüsting. Ze hadden medelijden met hem.
Hij zelf merkte 't niet, dat hij 't voorwerp was van aller aandacht, 't onderwerp nu en dan van een gefluisterd gesprek. Hij had geen bewustheid van hun medeleven met hem, hun meedragen met zijn leed. Voor hem schenen zij daar niet te bestaan : hij zag : hij hoorde niets : hij leefde alleen zijn sombere, kille wanhoop. Paul had getracht met hem in gesprek te komen, in de hoop, hem berusting te doen vinden in de liefde en de wijsheid Gods, in elk geval hem daartoe vriendelijk te manen ; maar Wüsting had gedaan, of hij zijn vriend niet kende en hem den arm afgeweerd.
Aan 't einde van iedere laatste les der week gaven ze gewoonlijk elkander een hand ten afscheid, tot den volgenden Maandag ; nu vergaten ze elkander en drukten alleen Wüstings hand, zóó gevoelig, zóó veelzeggend, dat die handdruk het duidelijkst de tolk des harten was, en hun innerlijk medegevoel uitsprak.
Doch Wüsting grijnslachte. En al de anderen gingen in groepjes, zagen bedrukt en fluisterden langs de straat, alsof ze in een ziekenkamer waren.
Paul ging den langen weg alleen. Een mengeling van somberheid en wrevel donkerde over zijn gelaat. Hij voelde, hij wist, welk een bekoring er van Clara Diedriks uitging, wat er wonderlijks uit haar mooie, lieve oogen blonk. En hij wist, welk een edel, voortreffelijk mensch Wüsting was. Hij kon zich voorstellen, hoe groot zijn liefde voor haar, zijn verlangen naar hare nabijheid was. Hoe gelukkig konden die twee zijn, want ze pasten geheel bij elkander.
En ziedaar nu : zij verloofde zich met Westerzee.
„Zooiets beschikt uw God" hoorde hij, alsof hij hier niet alleen langs den eenzamen weg liep, maar bij Wüsting in de kamer was, zijn vriend zeggen ; „opzettelijke onzin ! indien uw God bestaat, dan is Hij wreed ; en een wreeden God erken ik niet!" Het werd Paul bang en somber, waar dit verwijt zich in zijn binnenste telkens herhaalde. Wel erkende hij, dat God aan hem zelf altijd Zijn liefde en gunst had bewezen en jegens hem altijd genadig en barmhartig was geweest ; doch voor Wüstings ongeloof schenen toch wel bijzondere redenen te zijn. Hij wilde voor zijn vriend bidden en ontdekte, dat hij al lang voor zich zelf niet had gebeden, en voelde zich ver van God verwijderd, 't Verwijt kwam in hem, dat hij zijn God had verwaarloosd, vergeten. Zijn hart zag hij vervuld met zijn studie, met enkel dingen der aarde. Wat er zoo heerlijk achter dood en graf voor hem had geglansd, nevelde hem nu als een doodsche somberheid toe, als soms nog een enkel oogenblik de eeuwigheid zijn aandacht trok. Met zijn vader en zijn huisgenooten sprak hij bijna niet anders dan over zijn vorderingen in de bouwkunst en vooral over die kunst zelf. Hij deed dat zeer Christelijk, als een geloovige, en wist allerlei te redeneeren over de verheerlijking Gods in de kunst, maar hij wist zelf veel te goed, dat zijn hart nog enkel, genot zocht, niet in de verheerlijking van God, maar van de kunst.
Dat zich bewust te worden, ging hem als een rilling door zijn ziel.
Hij overzag in zijn gedachten nog eens den heelen inhoud van den laatsten brief aan Marie. Van 't begin tot het einde was alles aarde, aarde en niets dan aarde ; maar — vrome aarde, praatjes. Want zijn hart was vol van de dingen van beneden en daar om vloeide ook zijn pen daarvan over ; alleen ter wille van zijn eer als Christen tintte hij den inhoud hier en daar met de kleur, die men van hem verwachtte.
Hij zag dat alles zóó goed, dat hij een hekel had aan zich zelf. Hij vroeg zich, waarin hij eigenlijk van Wüsting verschil­ de : al praatte hij anders, in den grond der zaak leefde hij nu al een heelen tijd zoo goed als zonder God. 't Was of de gedachte aan God hem afschrok : hij trachtte te bidden en kon het niet; hij had ook niets te bidden, en mocht er in zijn. hart iets zijn als een begeerte, een zucht, een ongevormde, half onbewuste bede, zoo was 't hem toch of die nergens heen kon, of die in 't hart stokte, gelijk de 'woorden soms in de keel. 't Zou anders moeten : dat voelde, erkende hij ; maar hij had geen lust om 't anders te maken ; liefst liet hij 't maar blijven, zooals 't was. Immers, indien hij weer, als vroeger, dien kinderlijken omgang met God zou hebben, zou hij dat bekoorlijk genot van de dingen dezer aarde moeten missen. Christus had tot de Joden gezegd : Gij kunt niet God dienen en den Mammon ! Hem klonk dat in zijn ziel : Gij kunt niet God dienen én de kunst en kennis.
Hij zou 't zoo maar laten. Dan kon hij beter, gemakkelijker, rustiger zich geheel wijden aan wat, 's Zondags zoowel als in de week, zijn hart geheel vervulde : de bouwkunst. Misschien beschikte God zelf het zoo ; en als Hij 't anders wilde, zou Hij hem wel eens te machtig worden : dan kwam vanzelf, wat hij nu niet dan door rusteloozen strijd en geweldige worsteling deelachtig kon worden.
(Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 januari 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Verschoppelingen

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 januari 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's