De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Staat en Maatschappij.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Staat en Maatschappij.

12 minuten leestijd

Een vraag.
De Christelijk Historische Zuid-Hollander schrijft over de derde poging die mislukt is :
Wie op 26 October voorspeld had, dat bij de wisseling des jaars de Kabinetscrisis nog niet zou zijn opgelost, zou zeker verscheidene opponenten hebben ontmoet.
Toch is het, helaas, droeve werkelijkheid geworden. En zelfs konden we de grens van het oude en nieuwe jaar niet overschrijden met een gegronde verwachting, dat de gehoopte oplossing nabij was.
Op den laatsten avond van het oude jaar brachten de bladen ons het bericht:
„De heeren Mgr. dr. W. H. Nolens, mr. V. H. Rutgers en mr. J. Schokking hebben, namens hunne fracties in de Tweede Kamer der Staten-Generaal, aan H.M. de Koningin verzocht, van de aan de rechterzijde gegeven opdracht tot Kabinetsformatie te worden ontheven."
De Oudejaarsavond moge op zichzelf al stemmen tot ernst, dit bericht deed ongetwijfeld bij velen, die beseffen, hoe dringend noodzakelijk een goede oplossing der crisis is, met een zucht de meer geuite vraag herhalen : „Wat nu ? "
Na de opdrachten, onderscheidenlijk aan de heeren mr. Kooien en jhr. Beelaerts van Blokland, nu ook deze derde poging mislukt.
Waren er in de rechtsche Kamerfracties misschien overwegende bezwaren van staatsrechterlijken aard, in verband met dezen laatsten vorm, waarin de oplossing zou worden beproefd ?
Woog misschien de moeilijkheid van een op deze wijze komende verhouding van de rechterzijde tot de op die manier achter de groene tafel gekomen ministers, zeer zwaar ?
Was het wat anders ? De Kameroverzichtschrijver van de N. Rott. Cour. schreef aan zijn blad, een dag vóórdat het bovengenoemde officiëele bericht werd bekend gemaakt :
„Naar wij van betrouwbare zijde vernemen, is het sinds de jongste vergadering der Anti - revolutionaire partijclub vrijwel een uitgemaakte zaak, dat de veelbesproken formatie door de rechterzijde geen practische resultaten zal opleveren. Dit schijnt goeddeels toe te schrijven aan de houding der Antirevolutionairen, die den heer Colijn, wars als deze is van alle concessies, niet ontrouw willen worden."
Als dit waar is — wij spreken veronderstellenderwijze — dan zien wij in de houding der Antirevolutionairen, bij deze gelegenheid aangenomen, weer dezelfde houding, die ons — ten opzichte van hunne drie bekende eischen bij de pogingen van mr. Koolen gesteld — schrijven deed van een te strak spannen van den boog.
En als het nu eens niet waar is, wat De Zuid-Hollander veronderstelt, en de afwijzing niet van de Antirevolutionaire, maar van de Christelijk Historische Kamerclub gekomen is, wat ziet het Christelijk Historisch orgaan dan in de houding van zijn eigen partijgenooten in de Kamer ? Wij wachten het antwoord op deze vraag met belangstelling af.

Recht doen.
Het is opmerkelijk hoe van verschillende zijden gepoogd wordt öm de beteekenis en het karakter van de moeilijkheden, welke tot de ministeriëele crisis hebben geleid, in strijd met de feiten een ander aanzien te geven.
Daarmede wil men dan de impasse, waarin het land door de mislukking der pogingen om tot oplossing van de crisis te geraken, op de rekening schrijven van de Antirevolutionaire partij, terwijl men de Roomsch Katholieken en de Christelijk Historisohen vrijuit laat gaan.
Tegen zulk een fatale wijze van doen, kan niet sterk genoeg worden opgekomen.
Het mag toch als bekend worden aangenomen, dat de Antirevolutionaire partij nimmer geweigerd heeft hare verantwoordelijkheid te dragen en zich steeds bereid betoonde aan de samenstelling van een Kabinet mede te werken Dit alles is tot in den treure toe gezegd geworden.
Echter moest zij het voorbehoud maken, dat het ministerie, dat met haar hulp tot stand kwam, wijl het landsbelang dit eischte, op zijn program deze twee punten plaatste : het nakomen van de internationale verplichtingen jegens Indië en het herstellen van het evenwicht in de landsfinanciën.
Een voorwaarde, welke toch alleszins billijk mocht worden geacht.
Nu staat het feit vast, dat in 1922 bij de reconstructie van het Kabinet door de groepen der rechterzijde een accoord was aangegaan, dat de clausule bevatte over de Vlootwet. Niet over den bouw eener vloot, maar over de Vlootwet.
Het accoord draagt de handteekening van de voorzitters der drie rechtsche fracties.
Men mocht nu verwachten, dat, zoolang geen bezwaren jegens de Vlootwet werden ingebracht, de groepen der rechterzijde zich aan het accoord zouden gebonden gevoelen.
Het merkwaardige van het geval is nu, dat de 10 tegenstemmers tegen de Vlootwet na het gevallen votum van 26 October zich zijn gaan verschuilen achter den afgetreden Minister van Financiën, den heer De Geer. Daarbij redeneeren zij zoo : Nu bij mr. De Geer, die zich aanvankelijk bij de Vlootwet had neergelegd, bezwaren rezen tegen dadelijke behandeling, het ook hun niet euvel kon geduid worden dat zij een zelfde houding bij de eindstemming der wet aannamen en dus tegenstemden.
Maar een beroep hier op den afgetreden Minister van Financiën gaat niet op. Immers Minister De Geer sprak zijn bezwaren tegen het aan de orde stellen van de Vlootwet in den Ministerraad uit en, nadat hem daar bleek dat zijn stem geen weerklank vond, ging hij heen.
Naar dezelfde methode hadden nu ook de 10 tegenstemmers van de Vlootwet moeten handelen. Dit had dan behooren te gebeuren in de Kamerzitting van 20 September, toen de voorzitter van de Tweede Kamer het voorstel deed om op 11 October de Vlootwet 1922 in behandeling te nemen. Over dit voorstel werd langdurig beraadslaagd, èn ten slotte met de stemmen van alle leden der rechterzijde tegen die van de linkerzijde a; ingenomen. Ook de toen aanwezige, en voor het voorstel van den voorzitter stemmende, 10 Roomsch Katholieke leden verklaarden zich voor de behandeling van de Vlootwet. Met dit te doen namen zij het vierkant tegenovergestelde standpunt van mr. De Geer in, zooals deze zich in den Ministerraad had uitgesproken.
Het verschuilen van de 10 dissentieerende Roomsch Katholieke leden achter den heer De Geer gaat dus niet op. Ook later hebben zes hunner van een afwijkend gevoelen niets doen blijken.
Echter het ging bij verschillende van de 10 genoemde leden, wat later bleek, en dat hunne houding, bij de Vlootwet aangenomen, ook volkomen duidelijk maakt, niet om de wet zélve, maar om een geheel andere zaak.
Het eigenlijk verzet betrof de bezuinigingsplannen van de regeering. Wil men daarvoor het bewijs ?
Men leze dan wat in De Katholieke School, het orgaan onder redactie van het Kamerlid Bulten, een der dissentieerende Roomsch Katholieke Kamerleden, geschreven werd :
Colijn-triumphator zou dan zijn eischen, zijn onverbiddelijke eischen stellen.
En men zou hem slechts te gehoorzamen hebben. Dan hielp er geen lieve-moederen meer aan : artikel 40 was voor de haaien, de 20% gingen de schatkist in !
Zoodat de komst van Colijn voor ons beteekenen zou een strijd op leven en dood, voor het behoud onzer maatschappelijke positie.
Waarvoor, de Lieve Heer ons bewaren moge !
Geen oplossing der krisis kan voor ons zoo fataal zijn als deze : een Kabinet-Colijn ! Dan zou opnieuw de stormklok moeten luiden, tenzij Colijn de tweede een ander ware dan Colijn de eerste is geweest.
Dat zoo de mentaliteit bij de 10 afwijkende Roomsch Katholieke Kamerleden was, bevestigt ook de heer Van Wijn­bergen in De Maasbode. De Katholieke partijleider schreef kort na 't gevallen Kamervotum in dat blad :
AI kan men het ook niet met mathematische zekerheid vaststellen, dit neemt niet weg, dat men uit het bij de behandeling van de Vlootwet en bij de stemming daarover voorgevallene mag afleiden, dat ter rechterzijde geen meerderheid is voor de bezuinigingsplannen der regeering —dat met zekerheid op niet meer dan 50 stemmen te rekenen valt.
Zulks is zeer te betreuren. In het land is, naar we meenen, de stemming beslist anders.
Een andere stem, die de gevallen beslissing van 26 October weer uit een ander oogpunt beziet, beluisteren wij in de Roomsch Katholieke Nieuwe Haarlemsche Courant.
Daarin schrijft de redactie :
Hoe nu; zijn onze propagandisten dan opeens vreemdeling in Jeruzalem geworden ? Weten zij niet, hoeveel 't nu al jaren lang gekost heeft de Katholieke Staatspartij bijeen te houden? Was dan het Bisschoppelijk kommuniqué over de samenwerking van roomsch en rood in de politiek een slag in de lucht ? Is het hun dan onbekend, hoevelen er ook in ons kamp van de koalitie afwilden; met hoeveel moeite zij voor de idee der christelijke samenwerking behouden zijn ? Hebben wij de paar laatste jaren enkel maar tegen windmolens gestreden ?
Laten we toch de dingen nemen, zooals ze zijn. Ge hoort het toch van de daken af verkondigen dat de R.K. Staatspartij heeft uitgeleefd ; ge ziet al de mislukte pogingen om u heen, welke de eenheid in de groote staatspartij willen bewaren. Bedenk dat ons land een uitzonderingspositie in de wereld inneemt, dat er nergens zoo 'n samenwerking van christelijke partijen, zulk een konfessioneele scheiding, zulk een hechte eenheid in een Katholieke partij heeft bestaan of bestaat, 't Is dus waarlijk geen wonder, dat men ook in ons land en zelfs in onze kringen naar andere verhoudingen, naar een andere oriëntatie uitziet. Wij weten dit trouwens met absolute zekerheid.
Dit zijn de feiten, die spreken. Wij zijn eenigszins breedvoerig op het gebeurde van 26 Oct. en wat daarmede samenhangt, teruggekomen, om te doen zien in welke politieke situatie zich de rechterzijde op dit oogenblik bevindt.
En als dan iemand meent, dat met een nieuw Kabinet, steunende op de rechterzijde, in de gegeven omstandigheden de defensie in Indië zou zijn in orde te brengen en ook het evenwicht in de financiën zou zijn te verkrijgen, dan mag hij dit zeggen.
Wij voor ons meenen dat op een dergelijke basis niet is voort te bouwen. De landsbelangen, die op het spel staan, komen ons te gewichtig voor, dan dat nieuwe proeven, waarvan men tevoren weet dat ze zullen mislukken, mogen worden genomen.
Waar het maar even kan, wil de Antirevolutionaire partij zich aan hare verantwoordelijkheid niet onttrekken.
Zij deed reeds meer dan door hare verantwoordelijkheid kon worden gedekt.
De geschiedschrijver, die geroepen zal worden om de parlementaire historie van onzen tijd te boek te stellen, zal haar ongetwijfeld recht doen wedervaren.

De fout hersteld.
De vorige week schreef De Standaard :
„En het zullen wel weer de Antirevolutionairen geweest zijn, wier steilheid en stroefheid een overeenkomst onmogelijk heeft gemaakt."
Zoo schrijft de hoefijzer-correspondent van het Handelsblad hedenmorgen.
Hiertegenover sta onze nadrukkelijke verklaring, dat deze gissing van a tot z uit de lucht gegrepen is. De waarheid is, dat de Antirevolutionaire partij vasthoudt aan den eisch van herstel van het financieel evenwicht; dat zij daarbij uitgaat van het plan der Regeering — het eenige dat er is — maar dat zij bereid is amendementen daarop te over wegen, mits het einddoel bereikt worde.
„Welke amendementen nochtans achterwege blijven."
Deze opmerking van De Standaard heeft geholpen. De heer Elout erkent in het Handelsblad zijn ongelijk. Hij schrijft :
„Wij moeten erkennen, dat wij, door wat we na het verschijnen van ons artikel vernamen, tot de overtuiging zijn gebracht dat wij ditmaal ten onrechte de mislukking aan de Antirevolutioniairen hebben geweten. Wij vernamen toch nader, dat de Christelijk Historischen besloten hadden zelfstandig een antwoord aan de Kroon te geven ten gevolge waarvan het zenden van een gemeenschappelijk antwoord niet meer aan de orde was. In elk geval, zoo werd ons verzekerd, hebben de Antirevolutionairen niet geweigerd in onderlinge bespreking te treden over de mogelijkheid van een Kabinet, uit de rechterzijde te vormen."
Laten wij hopen, dat men voortaan voorzichtiger zij.

Een bezadigd woord.
Er is in den laatsten tijd heel wat te doen over de getroffen regeling door de regeering inzake het ontslag der gehuwde ambtenares.
Het zijn voornamelijk de socialisten en de feministen, die zich tegen dezen maatregel verzetten.
Van sommige kanten hoort men zelfs spreken van een oorlogsverklaring, welke tot het demissionaire Kabinet zou gericht worden.
Onder deze omstandigheden lijkt het ons goed even naar het bezadigd woord van den sociaaldemocraat, den heer Schaper, te luisteren. Dit Kamerlid schrijft :
Ook voor een gehuwde vrouwelijke ambtenaar is ontslag onaangenaam, al heeft haar man dan ook zelf nog een betaalde betrekking. Maar oneindig harder is het toch voor den mankostwinner met een gezin, dan voor een vrouw, wier man nog een kostwinner heeft. Zeker zijn er gevallen te noemen, dat vrouwen haar betrekking behoorlijk waarnemen en tevens voor haar gezin een aannemelijke regeling hebben getroffen, zij het dan, dat dit nimmer een ideale kan zijn. Maar tegenover zulke gevallenvken ik er als deze: een man en een vrouw zonder kinderen zijn beiden bij het onderwijs, tezamen verdienen zij zes a zeven duizend gulden per jaar. Kan men het nu recht en billijk noemen, dat een onderwijzer, hoofd van een gezin met kinderen, wanhopig rondloopt zonder middel van bestaan, terwijl een ander gezin, zonder kinderen, een dubbel inkomen heeft? Wat ter wereld anders dan een dogmatisch feminisme kan dit goed praten ?

De practijk aan het woord.
In Engeland heerscht al sedert lang in hevige mate de ziekte van het mond- en klauwzeer.
In tegenstelling met wat hier te lande gebeurt, wordt aan de overzijde van de Noordzee nog steeds bij de bestrijding dezer ziekte heil gezocht in het afmaken van het vee.
Gelukkig zijn wij bij ons van die dwaasheid teruggekeerd. Naar het Ministerie van Landbouw in Engeland mededeelt, werden tot op dit oogenblik afgemaakt 68.161 koeien, 24.992 schapen en 32.808 varkens, zonder dat daarmede een einde aan de ziekte kwam.
Aan schadevergoedingen werd een bedrag van 2.204.000 pond sterling, d.i. bijna 26.5 millioen gulden, uitbetaald, waarvan slechts een klein bedrag voor dieren in de schatkist terug kwam.
Intusschen schijnen de veehouders in Engeland ook wijzer te worden.
Het Landbouwweekblad meldt, dat in een groote vergadering van boeren in Engeland gehouden, waarop de chef van den Veeartsenijkundigen Dienst — zooals dit ook voorheen hier te lande placht te geschieden — pleitte voor het voortzetten van het afmaak-systeem ; echter de uitspraak is gevallen, dat dit systeem heeft gefaald en er mee opgehouden moet worden.
Tot zoover het bericht uit het Weekblad.
Zes en twintig millioen gulden uitgegeven en dan nog te moeten verklaren : dat op dit oogenblik Groot Brittannië geteisterd wordt door de vreeselijke ziekte.
Wij hopen, dat de Britsche regeering zich naar de uitspraak van de boeren, de mannen van de practijk bij uitnemendheid, zal gedragen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 januari 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Staat en Maatschappij.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 januari 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's