De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Ingezonden.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Ingezonden.

14 minuten leestijd

Onderstaand stuk ontvingen wij van ds. Van Schuppen, van Groot-Ammers. Blijkens een schrijven aan den Hoofdredacteur was het gedateerd 2 Jan. '24.
Geachte Redactie,
Het is allerminst mijn bedoeling in dit ingezonden stuk het op te nemen voor de meening, die het Convent is toegedaan inzake „de Kerk der belijdenis." Deze opvatting te verdedigen, zal, zoo noodig, ter bevoegder plaatse geschieden. Ik wil slechts enkele opmerkingen maken over hetgeen ik in de Waarheidsvriend vond onder het opschrift : „Ons kerkelijk standpunt."
Reeds lang heb ik getracht te weten te komen wat de Redactie van de Waarheidsvriend toch eigenlijk verstaat onder „de Hervormde Kerk" en wat voor haar is „het kerkelijk vraagstuk." Nog nimmer gelukte mij dit. Nu kan dat natuurlijk aan mij liggen, want niet alle menschen zijn even scherpzinnig, hoewel het steeds mijn aandacht trok dat vele intellectueelen in onzen Bond in dit opzicht niet scherpzinniger waren dan ik. Maar zie, nu meende ik een licht straaltje te zien te midden der duisternis, waarin door zoovele bondsleden, reeds zoo lang is gevraagd : „Wat wil men toch? "
Een lichtstraaltje, want het volle licht is het nog niet, en daarom blijft 't mogelijk dat ik me vergis. Maar als ik goed gelezen heb dan is „de Kerk der belijdenis" voor onze redactie (want de Redactie is niet de Geref. Bond) niet alleen het Gereformeerde deel in onze Synodale Organisatie, maar dan behooren tot haar allen, die door Doop en belijdenis in de organisatie leven. Dus ook de Ethischen en de Vrijzinnigen. Ik kan mij tenminste behalve de groep, die op de belijdenis staat, geen andere menschen in onze organisatie denken dan zij. Die Ethischen en Vrijzinnigen moeten dan bedoeld zijn met de woorden : „een breede groep, die door zijn Doop als door het teeken des Verbonds in de Kerk des Heeren is ingelijfd." Ook die „breede groep" behoort dus tot de Kerk des Heeren of tot de Kerk der belijdenis. Deze opvatting is dan volgens de Redactie niet „onvereenigbaar" met het wezen der Kerk, staat er niet , diametraal" tegenover. Dit is dan zeker wel krachtens de belijdenis en krachtens haar historie. (Zie derde kolom boven aan).
Wat een schitterende Kerk der belijdenis, die naar, opvatting der Redactie bestaat uit ongeveer dezelfde elementen als de huidige Kerk. Hoe men tot zulk een opvatting komt als gereformeerde menschen, is mij niet duidelijk, of men moet misleid zijn door het feit dat in Art. 11 Algem. Reglement nog gedoeld wordt op de belijdenis.; en men tot heden helaas nog niet recht ziet, wat door Groen van Prinsterer herhaaldelijk is gezegd en geschreven, dat n.l. de Synodale Organisatie niet hetzelfde is als de Hervormde Kerk. Kernachtig noemde Groen die organisatie „de kerker" i.p.v. de Kerk. en het komt mij voor dat de Waarheidsvriend telkens weer Kerk en kerker met elkander verwart. Die verwarring deed steeds het geheimzinnig duister ontstaan dat Bondsbestuur en Waarheidsvriend omgaf en waardoor ook thans nog een zwarte schaduw valt in het lichtstraaltje, dat we meenden te zien. ja, we vragen ons af of het lichtstraaltje niet zelf duisternis is. En wat nu betreft de „handhaving der leer" volgens dat mooie (? ) Art. 11 Algem. Regl; weet de Redactie toch zeker wel, dat daarmede NIET is bedoeld. NU NIET EN IN 1816 NIET, dat allen, die in onderscheidene betrekkingen met het kerkelijk bestuur zijn belast, moeten zorgen dat naar die belijdenis worde gehandeld en geleefd. Dat is ook nooit de practijk onzer besturen geweest, kon het niet zijn en zal het niet zijn onder de huidige goddelooze organisatie. Integendeel, de toelichting op bedoeld art. 11 zegt duidelijk dat met „handhaving der leer" niet anders is bedoeld dan dat naast andere goddelooze opvattingen, ook de belijdenis een plaatsje heeft. „Handhaving der leer", d.w.z. de belijdenis mummificeeren, haar laten versteenen, haar, zonder er iets tegen te doen, laten vertrappen. Dat is de verheven(? ) taak, die aan ieder is opgedragen. Indien men daaruit afleidt het belijdend karakter van wat men noemt de Hervormde Kerk en daarop grondt dat de Kerk der belijdenis ook anderen moet omvatten dan alleen zij, die op grond der belijidenis staan; dan is men mijns inziens het spoor ver bijster, en dan komt hier de aap wel ongedacht uit de mouw. Dat zulk een Kerk der belijdenis een gereformeerd karakter draagt moge de Redactie gelooven, ik niet, en ons gereformeerde volk ook niet.
Nu is het mogelijk, dat ik de meening der Redactie verkeerd begrijp, doch men schrijve dan maar eens wat duidelijker, zoodat iemand met middelmatige hersenen geen jaren noodig heeft om te weten te komen wat het Bondsbestuur nu eigenlijk.
Moet deze organisatie verdwijnen of niet ?
Moeten tot de Kerk alleen gereformeerden behooren of niet ?
En als men dan een antwoord geeft, zij het dan „ja" of „neen" en geen eindeloos geredeneer, waardoor de zaak wordt verdonkerd, om niet te zeggen : verdonkeremaand. Als men waarlijk een Kerk wil zooals Gods Woord die voorschrijft, dan moet de Synodale Organisatie niet gereorganiseerd, maar kapot, en, dan is in de vrijgemaakte Kerk geen plaats meer, voor wie niet gereformeerd is. Dan moet het komen tot een scheuring tusschen wat gereformeerd is en wat niet gereformeerd is. Zonder die scheuring komen we er nooit, afgezien van de vraag, hoe die scheuring moet voltrokken worden. Maar Christus en Belial moeten scheiden. En Belial BLIJFT zoolang de Synodale Organisatie blijft, want de besturen moeten niet alleen zorg dragen voor de belijdenis-mummie, maar OOK VOOR BE­LIAL. Laat men het dus niet langer voorstellen alsof de „Groote Kerk" in stukjes geknipt wordt wanneer die scheuring komen zou, maar laten we liever de menschen er op wijzen dat dan Belial kapot geknipt wordt, dan pas de gevangenisdeuren opengaan en „de Groote Kerk" dan pas vrij wordt. Dat moet gezegd, ook al zijn onze z.g.n. gereformeerde menschen nog zoo bang. voor het woord scheuring. Want die bangheid is onze schuld, omdat onze menschen nooit volledig zijn ingelicht. En immers is deze soheuring iets geheel anders dan het verlaten der Kerk, iets geheel anders dan „Afscheiding". Door het verlaten der Kerk wordt de Kerk juist niet bevrijd uit den kerker der Synodale Organisatie. We blijven, omdat we gelooven dat er in dien kerker nog een Kerk is en omdat we gevoelen dat het onze roeping is haar te bevrijden ook door te blijven.
Toch moet in dezen ook ruimte gelaten voor een andere opvatting. Heengaan zou ten slotte ook plicht kunnen worden, zooals het voor velen plicht werd. Als iemand zegt dat Gods wil en gebod, dat daar vlak voor zijn voeten ligt, hem zwaarder weegt dan de roeping om te blijven, dan ga men uit eerbied voor zulk een godvreezend geweten uit den weg. Dat er dan niet anders zou overblijven dan naar eene andere Kerkformatie te gaan, staat voor mij nog niet vast. Ook andere Kerkformaties hebben het vraagstuk niet opgelost. Dat dan zóó die oplossing moet gezocht, is hoogst twijfelachtig. Er zijn er daarom ook, die in waarlijk doleerenden toestand wenschen te blijven om met elkander, in schuldbewustzijn over de breuke, voor de poort onzer Kerk Gods tijd af te wachten. Wie weet of niet eenmaal die weg zal blijken Gods weg te zijn.
Een veeg teeken is in ieder geval dat weinigen, misschien niemand in onze Kerk, waarlijk met zijn schuld t.o.v. die Kerk te doen heeft. Daarom is 't noodzakelijk dat ieder onzer met deze zaak in de binnenkamer ga, zich voor Gods aangezicht onderzoekt en smeekt om Gods wil te mogen kennen en om genade dien wil te volbrengen. Dan zouden we dichter zijn bij de reformatie dan thans, want naar menschelijk inzicht zijn we er verder van af dan ooit te voren. Er zal moeten komen waarachtige godsvrucht, die zich openbaart in schuldgevoel en schuldbelijdenis en in het doen van den wil Gods. Dan zouden er geloofsdaden te wachten zijn als van een Luther, die ten slotte niet meer vroeg of hij de Kerk zou verlaten of blijven, of de Kerk zou verscheurd worden of niet, wat er wel geschieden zou als hij zus of zoo deed. maar door Gods Heiligen Geest bewerkt en gedreven niet meer redeneerde, maar een daad deed, door het geloof, die de Reformatie inzette. God vraagt GELOOFSDADEN, want al wat uit het geloof niet is dat is zonde. Opene de Heere aller oogen, eindige alle geredeneer over scheuring en wat dies meer zij en kome 't algemeen, door de werking van 's Heeren Geest, tot schuldbelijdenis, tot ware Godsvrucht, die den wil Gods ziet en volbrengt.
Met dank voor de plaatsruimte.

Ds. H. J. VAN SCHUPPEN.

Groot-Ammers.
Al hadden we den toon van het „lngezonden" door ds. Van Schuppen hier en daar wel wat anders gewenscht, zoo hebben we toch gemeend aan zijn stuk tot ons blad een plaats niet te moeten onthouden. Het zij ons, echter geoorloofd enkele opmerkingen hieraan te mogen toevoegen
Vinden wij het niet verstandig dat ds. v. S. wat haastig naar de pen heeft gegrepen en zijn stuk schreef op 2 Januari 1.1., toen dus alléén nog maar het eerste — het meer negatieve — deel van „Ons kerkelijk standpunt" verschenen was. Had hij eerst ook 't tweede — het meer positieve — deel dat in het nummer van 4 Jan. verscheen, afgewacht, mogelijk dat hij dan een en ander in de pen had gehouden. Niet het minst wat hij nu over „schuldgevoel en schuldbelijdenis" schrijft, had hij dan achterwege kunnen laten, omdat uit ons tweede deel juist blijkt, dat ook 't Hoofdbestuur van onzen Bond deze kenmerken van „waarachtige godsvrucht" in de eerste plaats noodzakelijk acht. Ook de vraag of de Synodale Organisatie moet verdwijnen of niet, zou dan zeker niet gesteld zijn geworden omdat zelfs „iemand met middelmatige hersenen", als hij die hersenen althans ook gebruikt, duidelijk heeft kunnen lezen wat er met zoovele woorden in (geschreven staat, n.l. : „dat daarvoor een nieuwe organisatie, een nieuwe Kerkorde noodig is, hebben wij ons niet ontveinsd en we ontveinzen het ons nog niet." — Als iemand daaruit leest dat wij de Synodale Organisatie liefst zouden willen behouden of dat wij de zaak zouden willen verdonkeren, dan komt het ons voor dat de hersenen van zoo iemand wel beneden het middelmatige zijn.
En daarom als ds. v. S. ons tweede stuk en dus zijn tijd had afgewacht misschien dat dan het lichtstraaltje in de duisternis die hem omhulde, iets grooter ware geweest.
2. Blijkt uit het stuk van ds. v. S. zonneklaar dat hij de Ned. Hervormde Kerk niet meer beschouwt als Kerk, maar, naar hij meent op 't voetspoor van Groen, als een kerker. De Kerk bestaat voor hem alleen uit hen, die op de Gereformeerde belijdenis staan. Al wat Gereformeerd is vergelijkt hij met Christus en al wat Synodale Organisatie is vergelijkt hij met Belial en hij wenscht niets liever dan dat Christus en Belial gescheiden zullen worden en als die scheiding zal plaats hebben, dan moet de Synodale Organisatie, zooals hij het noemt, „kapot".
Nu zijn dit wel heele groote woorden, waarmee men op een vergadering soms heel wat applaus kan inoogsten, maar die als we ze eens op den keper beschouwen, toch vrij arm aan inhoud blijken te zijn. Immers wat de aanhaling van Groen betreft, zouden we wel willen vragen : Waar heeft Groen van Prinsterer de Ned. Hervormde Kerk een kerker genoemd ? Hij noemde de Synodale Organisatie een kerker, hij noemde dus de Synodale Organisatie wat de Commissie van Advies in haar beschouwing, aan het „Ontwerp van een regeling tot reformatie der Kerk" voorafgaande, noemde een knellende band", een beschouwing, waarmee ook wij als Hoofdbestuur onze instemming hebben betuigd, een beschouwing die „iemand met middelmatige hersenen" trouwens heel vaak In ons blad heeft kunnen lezen. Maar is dat nu hetzelfde als dat de Ned. Hervormde Kerk zelve zulk een kerker zou zijn ? Laat men toch nuchter wezen. Immers als dat waar was dan heeft de Ned. Hervormde Kerk toch opgehouden een Kerk te zijn, ja, dan is zij nooit een Kerk, geweest. Maar waar blijft ds. v. S. dan met zijn ambt ? Is hij dan wel bedienaar van Woord en Sacrament? Heeft hij dan wel waarheid gesproken toen hij zijn „ja, ik van ganscher harte" gaf op de vraag of hij wettiglijk van Gods gemeente en mitsdien van God Zelf tot den heiligen dienst in de Kerke Gods was geroepen ? Of is hij in Groot-Ammers alléén maar predikant van de Kerk der beliidenis. d.w.z. van hen, die zeggen dat zij op den bodem der Gereformeerde belijdenis staan ? Als hij 's Zondags preekt, d.w.z. het Woord bedient, doet hij dat dan alleen voor de Gereformeerden in zijn gemeente ? Als hij den Doop bedient, bedient hij dan dien Doop aileen maar aan kinderen van Gereformeerde belijders en als hij soms kinderen van niet-Gereformeerden doopt, is het dan geen Doopsbediening ? Als hij het Avondmaal bedient, als hij den ambtelijken zegen op de gemeente legt, als hij maar zoo zouden de vragen immers te vermenigvuldigen zijn. Laat ds. v. S. nu zelf maar uitmaken of hij nog dienaar des Woords is in een Kerk of dat hij ambtenaar is geworden van een Vereeniging die hij een kerker noemt. Ons wil het voorkomen, dat wij nog van Dominé Van Schuppen moeten spreken, die niet in de belijdenis-Kerk, maar die in de Ned. Hervormde Kerk van Groot-Ammers in den ambtelijken weg zijn roeping vervult. Maar dan hoorde Dominé Van Schuppen ons ook ten goede dat wij op gevaar af dat hij ons „lichtstraaltje" weer voor duisternis houdt, hem niet volgen als hij Kerk en Kerkorde, i.e. als hij de Ned. Hervormde Kerk met de Synodale Organisatie vereenzelvigt en dus die beiden met elkander verwart. Willen we nu maar eens heel duidelijk zeggen hoe wij meenen dat de onderscheiding gemaakt moet worden, zoo duidelijk, dat het zelfs door niet intellectueelen in onzen Bond begrepen kan worden ? Welnu, dan beschouwen wij de Ned. Hervormde Kerk als voortzetting van de aloude Gereformeerde Kerk van deze landen. We betreuren dat aan die Kerk in 1816 een onwettige organisatie is opgelegd en dat daardoor die Kerk wilt ge de „kernachtige" uitdrukking van Groen overnemen, niet in een kerker is veranderd, maar in een kerker is gekomen ; waardoor haar groeikracht is belemmerd en waardoor allerlei elementen wederrechtelijk in haar indrongen die krachtens haar aard en wezen niet in haar behoorden te zijn. Maar wat wij ontkennen is dat daardoor de Kerk als zoodanig heeft opgehouden Kerk te zijn. En wat wij biddend, en dus van harte begeeren, is, dat niet weer een deel der Kerk uit haren kerker zal worden verlost, maar dat de Kerk als zoodanig van haar boeien ontheven zal worden, waartoe wij in de tegenwoordige omstandigheden geen anderen weg zien dan de doorwerking van 't zuurdeeg van Gods Woord.
We vleien ons met de hoop, dat ds. v. S. dit geen „eindeloos gereden-eer" zal vinden, maar dat nu het gewenschte lioht voor hem opgegaan is. Evenzeer als ds. v. S. zijn wij overtuigd van de waarheid van het Woord van den Heiland, dat het dienen van twee heeren niet mogelijk is, maar we hopen dat hij, evenzeer als wij, bedenken zal dat ook deze waarheid uit zijn verband gerukt kan worden en dat het dan niet moeilijk is om ze in schijnbare tegenspraak te brengen met een waarheid als deze : „laat ze beiden tezamen opwassen tot den dag des oogstes."
3. Wat eindelijk de opmerking van ds. v. S. betreft dat in dezen ook ruimte gelaten moet worden voor een andere opvatting, zouden we willen zeggen dat wij de laatste zullen zijn om dit te ontkennen. Integendeel, ook wij gelooven dat een ieder op zijn eigen gemoed ten volle verzekerd moet zijn. Als er dus zijn, die heengaan plicht vonden, omdat zij de Hervormde Kerk niet langer als Kerk des Heeren konden erkennen, dan wenschen we die overtuiging te eerbiedigen, ook al kan ze de onze niet zijn.
Ds. V. S. za] toch zeker niet beweren dat wij in het eerbiedigen van eens anders overtuiging voor hem onderdoen. En als er menschen zijn, zooals ds. V. S. zich uitdrukt, met een godvreezend geweten — een uitdrukking waarvan we wel betwijfelen of zij voor het dogmatisch geweten van een belijder der Gereformeerde Waarheid te rechtvaardigen is —, die meenen dat het „Gods wil en gebod" is, om , om waarlijk doleerenden toestand te blijven en met elkander in schuldbewustzijn over de breuke, voor de poort onzer Kerk Gods tijd af te wachten", dan waardeeren we de goede bedoeling die er wel in die woorden besloten zal liggen, maar dan zijn we toch ook zoo vrij om ds. v. S. nu wederkeerig om wat meer licht te verzoeken en hem vriendelijk uit te noodigen eens nader te verklaren wat hij dan onder het „afwachten van Gods tijd, voor de poort onzer Kerk" verstaat.

Namens het Hoofdbestuur.

DE COMMISSIE."

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 januari 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Ingezonden.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 januari 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's