Stichtelijke overdenking.
De God van Jacob.
Psalm 46 vers 8m.
Nog onder het altaar hoorde Johannes op Patmos het roepen der zielen, die gedood waren om het Woord Gods en de getuigenis, die zij hadden ; en zij riepen in smachtend verbeiden van de uiteindelijke opklaring aller Godsgeheimen : hoe lang, o heilige, waarachtige Heerscher, oordeelt en wreekt Gij ons bloed niet van degenen, die op de aarde wonen ! Nog over de grenslijn, die tijd en eeuwigheid scheidt, gaat de persende spanning en de spannende persing die in heiliig ongeduld doet uitzien naar de klare beantwoording van alle vragen, die 't ondoorspeurlijk Godsbestuur hier doet rijzen in het hart der Zijnen. Kan het u dan verbazen, dat hier zoo dikwijls een „hoe lang, Heere? " opklimt uit diepe ziele-zuchting onder de bange raadselen Gods in 't leven der Zijnen ? Tot die raadselen behoort die omdrijvinig dier ongetroosten, die toch 't merkteeken van het Lam dragen en wier namen geschreven staan in de eeuwige handpalmen. Waarliik, Asaf's klacht is met Asaf niet uitgestorven : „Hoe zou het God weten ? "
Een ander raadsel in Gods leidingen is de omdwarreling van het Goddelijk werken met het stof van menschelijken hartstocht en boosheid en gruwel. Als God Zijn Kerk bouwt en Zijn volk formeert en Zijn heil grondt, O waarom wordt dan die goddelijke werkplaats niet eerst gereinigd van den drek der zonde en ontdaan van 't walmend roet der menschelijke hartstochten en lusten ? En waarom is dan dat heilige volk zoo grenzenloos onheilig ? En die man naar Gods harte een gedrevene door zinnenlust ? En waarom zijn er dan in de heilige linie der geslachten waaruit Jezus Christus opkomen zal, plekken van boosaardige goddeloosheid die nog na eeuwen 't rood der schaamte op de wrangen drijft ?
Of, om nu ter zake te komen, waarom is er dan in het leven en den gezinsbouw van een aartsvader als Jacob zulk onduldbaar, onverklaarbaar spelen met den eisch van Gods heilige zedenwet ? Dat begint met de schaamtelooze wijze, waarop hij in bond met Rebecca zijn moeder, zijn ouden-half-blinden vader bedriegt, om hem zijn zegen te ontstelen, waarbij hij zich zelfs niet ontziet om op huichelachtige wijze zijn leugenachtig doen te bemantelen met een kleed van vroomheid, als hij van 't onnoozele geitenbokje, dat hij van de kudde wegnam, op 's vaders verbaasde vraag, vanwaar hij het wildbraad zoo snel bekwam, amtwoordde : „de Heere uw God heeft 't mij doen ontmoeten." Gelukkig, dat hij niet ook nog zei: de Heere mijn God. Als Jacob straks niet anders overblijft dan zich door een snelle vlucht aan de wraak zijns broeders te onttrekken, en nu eenzaam omzwefft in de wildernis, dan is er in ons hart een neiging om hem na te roepen : "Je verdiende loon, bedrieger !" Maar dan strekt God van den hemel den vleugel Zijner bewarende trouw over den eenzame uit en bereidt den voortvluchtige die genadige verkwikking Zijner duizendmaal verbeurde ontferming. En waar is bij Jacob in Haran de eerbied voor de inzettingen zijns Gods ? Naar Haran zond Abraham zijn trouwen knecbt om vandaar een vrouw, die God vreesde, voor Izaak te zoeken. Daar in Haran, daar woonde dus — in tegenstelling met Kanaan — een volk, dat den waren God kende. Welnu, daar in het christelijke Haran (s. v. v.), daar bouwde de vrome Jacob zijn huis op de grondslagen van list en lust en zondigen hartstocht. God moge er ons voor bewaren, dat wij zouden te kort schieten in eerbied voor Zijn doen en leiding en wegen, maar het kan Zijn wil of bedoeling niet zijn, dat wij blind zouden wezen voor de raadselachtige ontstentenis van ziele-adel en menschen-schoon in den kring, waarin Hij Zijn volk formeert en Zijn gemeente bouwt. En het moet toch wel den indruk maken van klein-menschen-geknutsel als men Gods instrumenten gaat oppoetsen en mooipraten en gladwrijven ; al wiescht ge ze met salpeter, gij kunt er van die allen nog niet één schoonpoetsen en bovendien, als God gewild had, dat Zijn knechten zouden stralen in den glans van deugdzaam licht, 't was toch in Zijn macht. Hij, die van water wijn maakt, en den nacht verlicht als den middag, Hij, die uit doodsbeenderen menschen verwekt, en het kind der wereld somtijds siert met het liefelijk schoon van nobel en verheffend gedrag, Hij is toch immers machtig om Zijn kinderen en knechten te bekleeden in 't oog der wereld met de kleederen des lichts. En als Hij dat dan niet doet, moet Hij daarvoor Zijn wijze en heilige redenen hebben en moeten wij niet wijzer willen zijn dan God.
Hier is — wie kan het ontkennen — ergernis voor het vrome eigengerechtige vleesch. Als wij een bijbel hadden moeten bedenken, die had er anders uitgezien. Wij hadden een schoonen hof aangelegd waarin het krioelde van aanminnige deugdgestalten. Wij hadden 't zoo moi gemaakt, het zou zijn, als ware de hemel op de aardfe neergedaald. Maar wat een troosteloos spel van onwaarachtigheid zou zulk 'n brave-Hendrikken-Paradijs zijn geweest. Hoe zou te midden van zulke mooi-doenerij al een schrille wanklank hebben gesnerpt het kloeke Evangeliewoord, dat spreekt van verlorenen, voor wie Jezus kwam. O, dit werpt een stroom van hooger licht op die zwarte raadselachtigheid van die dikwerf stuitende Bijbeltafereelen, van een patriarch, die zijn vader bedriegt en door zijn schoonvader bedrogen wordt, maar zich daardoor niet stilhouden laat en doorgaat, niet met op Oosterscbe wijze zijn leven in te richten, zoo onschuldigjesweg maar, neen ! want Oosten en Westen kennen maar één goddelijke Wet ; neen, maar met de liefde en den lust van zijn hart te stellen boven den eerbied voor Gods Wet, en tot twee-, viermaal toe veelwijverij invoert, om zijn doel te bereiken en de spanning in zijn huis van goddeloosheden op te heffen : Lea, Rachel, Bilba, Zilpa !
Bespaar ons uw knutselpogen om dit alles goed te praten met een beroep op de gangbare zede van het Oostersche leven of — erger nog — op de vurige begeerte naar 't zaad der belofte. Wat, zouden wij dan met de takken en meien onzer klein-menschelijke braafheid den weg moeten bereiden voor den hoogen God, die in souvereine vrijmacht een doemwaardig volk komt redden van het verderf en grijpen ten leven, als een vuurbrand uit het vuur? Hier blijft ons niet anders over dan te beven van schaamte en, te beven van verrukking. Hier neemt God 't woord; God, die den goddelooze rechtvaardigt en de dingen die niet zijn, roept alsof zij waren. Hij is wonderlijk van raad en machtig van daad. Hij werkt ; wie zal het keeren ? Of ook : wie zal het bevorderen ? Geen duivel keert het en geen verkoren menschheid bevordert het. Gods werk alleen en Gods werk volkomen. In den bouw van dat heilige volk, dat in zichzelf zoo grenzenloos onheilig is, uit de lendenen van Abraham, Izaak en Jacob, werkt God aan de komst van Zijn heil voor verlorenen. Over de velden der volkeren-wereld verstuift de ware Gods kennis tot pulver en wordt meegevoerd op alle winden. In den bouw der patriarchale, oud-Israëlietische geschiedenis is God bezig een stuk van dien volkeren-akker te omtuinen met de schutting Zijner zeer bijzondere voorzienigheidszorg, niet om een hemel op aarde, een engelen-maatschappij in deze verdorven wereld op te richten ; neen, als straks de poort in deze schutting open gaat, zullen die van buiten ontwaren dat dat volk van den God des hemels en der aarde menschen zijn van zondig vleesch en bloed, van gelijke beweging als al de anderen.
Maar waartoe dient dan die schutse der afzondering ? Tot bakermat van het heil der wereld. God wil verschijnen in degelijkheid des zondigen vleesches. Hij, die het geen roof geacht heeft Gode evengelijk te zijn, gaat Zich vernederen, de gestaltenis van een dienstknecht aannemende. En dat wordt daar binnen die schutting voorbereid. Niet in 't midden van engelachtige reinheid ; niet onder een volk zonder smet of vlek of rimpel, want dan zou die muur des afscheidsels eeuwig blijven staan. Als straks dat Heil is verschenen en die schutting wordt weggedaan en het gordijn opgetrokken dan zullen die van buiten — ook wij — weten, dat Jezus Christus in de wereld is gekomen nietvoor de rechtvaardigen, maar om zondaars te roepen tot bekeering en te Zijner tijd voor de goddeloozen gestorven is. Hij bedoelt het verlorene te zoeicen. Hij is de Heelmeester, die kranken zoekt.
En als Hij dan Zijn heil werkt in de schuld-bruisende en zonde-schuimende wateren van menschelijk leven, dan gaan wij niet gladstrijken en oppoetsen, neen, maar neerknielen met een hart, dat beeft van schaamte en hope en verrukking, stamelend : en het onedele der wereld, en het verachte heeft God uitverkoren, en 't geen niets is, opdat geen vleesch zou roemen voor Hem.
En als wij dan in de rechte gestalte voor God staan, als alles-verbeurd-hebbende zondaren, met de tollenaarsbede op de lippen, o, dan is er in dien aanstootelijken Bijbel (vergeef mij 't woord) een golvende stroom van troost en verkwikking, van hoop en bemoediging, en de smeeking klimt op : God van Jacob, wees ook mijn God.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 januari 1924
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 januari 1924
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's