De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

God dacht ook aan Rachel.

8 minuten leestijd

Genesis 30 vers 22a.

Onmiskenbaar duidelijk klinkt ons alom uit het Woord des Heeren Zijn sprake toe : Ik doe het niet om u, maar om Mijns grooten Naams wille.
De reden tot Zijn goddelijk doen ontleent Hij in volstrekte vrijmacht aan Zijn heilig Zelf. Gerust mag getuigd dat Hagar namens al Gods gekenden het ootmoedige woord sprak : heb ik hier gezien naar Dien, die mij aanziet. Wie roemt, roeme in den Heere ! Zie, hoe het heil des Heeren daalt over de Zijnen in den aartsvaderlijken tijd.
Het doek van Jacob's tent in „Haran staat bol van het stormen van ijverzucht en zuster-nijd daarbinnen. Lea benijdt Rachel de liefde van den man, met wien vaderlist haar heeft verbonden en Rachel misgunt haar zuster den rijken kinderzegen, terwijl haar hart verteert van bitterheid om haar gemis. De smaad dier onvruchtbaarheid maakt haar het leven tot een last en in 't bruisen dier strijdige hartstochten ziet Jacob al den lust en de rust van zijn leven ten gronde gaan. Lea, die haar man het gemis van uitwendig schoon niet kan doen vergeten door den gloed van haar trouwste liefde, en Rachel, die om den smaad van haar kinderloosheid de vurige liefde van haar man niet kan waardeeren. God stelt zich kennelijk aan de zijde der verongelijkte, want Lea vindt verzachting en stilling van het lijden harer liefde in de weelde van rijken kinderzegen.
God dacht ook aan Rachel, 't Schijnt dat Rachel na Jacob's harde en strenge terechtwijzing op haar klacht : „geef mij kinderen, of indien niet, zoo ben ik dood", het schijnt dat zij het daarna over een anderen en beteren boog heeft geworpen. Want als haar straks een zoon geboren en haar smaad weggenomen wordt, teekent de Schrift hierbij aan : God verhoorde haar. Blijkbaar heeft zij leeren bidden ; daarin werd reeds openbaar dat God aan haar dacht.
Daar knaagde een giftige worm aan 't hart van de schoone Rachel, de worm van den nijd. Wat baatte haar nu haar schoonheid en de voorkeur van haren man ? Zij miste wat aan het leven eener vrouw, vooral in 't Oosten, glans, kleur, waarde en diepgang schenkt. Maar God dacht ook aan haar. Al giert door Jacob's huis de stormwind van wangunst en ijverzucht, waardoor het leven er grootelijks ontluisterd en verduisterd wordt, God de Heere, hoewel te rein van oogen, dan dat Hij het kwade zou zien, trekt nochtans Zijne hand. Zijne zorg, Zijn trouw niet weg van daar. Ondoorgrondelijk ! Zoo gaat het immer. Gods heilsgedachten worden niet opgewekt door 's menschen verdienste ; zij rijzen zonder eenige verdienste onzerzijds uit den schoot van Zijn vrijmachtig welbehagen. Dit wil echter niet zeggen, dat God de zonde beloont of ook maar voorbijziet. Integendeel, Hij bindt door Zijn almachtige genade den strijd aan tegen de zonde in Zijn kind. Als de goddelooze tollenaar een voorwerp wordt van goddelijke genade, dan geeft hij vierdubbel weer al wat hij roofde. En als Rachel een voorwerp wordt van goddelijk genade-denken, leert zij bidden en verstaan, wat zij eerst in hartstochtelijk drijven van een mensch begeerde, haar alleen in den weg van goddelijk gunstbetoon kan geworden.
God dacht ook aan Rachel en verhoorde haar. De almacht der genade heeft haar stormend hart gestild. Zoo verstond zij, dat ze voor God zich moest buigen. Dat was de eerste vrucht van 't goddelijk heilsgedenken. Groot is het voorrecht, als een lastdragend menschenkind met den nood zijner bekommering een open toegang vindt bij God. Wij lezen van den Troon der Genade, dat wie daar mag toegaan, die zal barmhartigheid verkrijgen en genade vinden om geholpen te worden ter bekwamer tijd. En wanneer is die bekwame tijd ? De vierde nachtwake. Toen kwam Christus over de golven tot 't scheepke, Zijner zwoegende jongeren. Als de nacht op 't punt staat om over te gaan in den morgenstond; in die donkerste ure als de druk der tegenheden vruchtdragen gaat in de verootmoediging van het berouwvol zondaarshart voor God. Als de persing van het morrend ongeduld ontbonden wierd en de ziel leert fluisteren : Uw wil geschiede ! Rachel heeft het geleerd. Jozef, haar eerstgeborene, is haar vrucht van gebedsverhooring, vrucht van het goddelijk denken aan haar. Haar eerste gedachte is : God heeft mijn smaadheid weggenomen. Daarin geeft zij Gode de eer. Maar ook dit blijft niet onvermengd. Want zij noemt den naam van het kindeke Jozef, daarmede hierop doelende : de Heere voege mij 'n anderen zoon daartoe ! Daar hebt ge ze weer, die onzalige hardleerschheid. Daar veert het nauw-bedwongen ongeduld weer op. O zeker, zij gevoelt zich gelukkig ; ze erkent dat de Heere in gunst op haar heeft neergezien. Maar nog is de prikkel van het begeeren niet verstompt; naar nieuwen zegen strekt haar ongeduldig hart zich uit, en 't kan niet anders, dit verkleint de waarde en de weedde van het verkregene. Jozef : in zijn naam zal dit kind tot aan zijn dood dragen de herinnering aan zijner moeders zielsgebrek. Haar mateloos begeeren zal vervuld worden, maar de genieting daarvan zal haar ontzinken, want het leven van dat tweede kind zal vergen den prijs van het leven der moeder. De zoon, naar wien haar verlangen zich reeds weer uitstrekt, zal haar geworden als een Ben-oni, een zoon der smart. Rachel's tweede kind zal zijn eerste levensschreien vermengen met de doodszucht zijner moeder. Een voorbeeld van diep ernstig vermaan, ons dringende om in al onze wegen te buigen onder God ; lot en leven te stellen in de handen van Hem, die alleen weet wat goed voor ons is.
God dacht ook aan Rachel, aan de ongeduldige. Hij maakte, door aan haar te denken, van dit morrend menschenkind een behoeftige ziel, die den last van haar leed droeg tot voor Gods troon en den druk van haar leven uitklaagde in de ooren haars Gods. En straks stelt Hij haar voor ons als een waarschuwend voorbeeld, dat ons hart moge nopen en stemmen tot de bede van Agur, den zoon van Jake : rijkdom of armoede, geef mij niet; voed mij met het brood mijns bescheiden deels.
Een blik in Jozefs ouderlijk huis is in staat om ons met kracht te herinneren aan het woord van den dichter : Wie God verlaat heeft smart op smart te vreezen.
Maar het goddelijk genade-denken laat zich niet afschrikken door een wereld van zonde en ongeloof. Daar is hope op verhooring van de bede van den psalmist : „Blijf, niet wegens mijn gebreken, ver geweken, toon dat Gij mijn rampen ziet." Dat heeft Jozefs moeder ervaren en al zal ook haar leven van ongeduld en ijverzucht niet anders hebben kunnen eindigen dan in de bede van den tollenaar, en al is ook voor haar het laatste van deze wereld een Ben-oni, een smarte-vrucht geweest, God heeft aan haar gedacht, en zoo moeten ook haar oogen den Koning in Zijn schoonheid gezien hebben. Leer van haar, dat het goed is wanneer een menschenkind met den last van zijn levensleed leert neerknielen bii den Troon der Genade met de bede : Heere, denk ook aan mij. In die bede vond de door kruissmarten gefolterde moordenaar rust in zijn uiterste ure, in die beide ligt alles vervat, wat wij noodig hebben om welgetroost te leven en eenmaal zalig te sterven. Hier is sprake van een denken Gods in zeer bijzonderen zin. Zijn oog doorwandelt de gansche aarde en voor Hem is niets verborgen. De brullende leeuw en de zoemende kever, de bulderende orkaan en de geruischlooze dauw, het kan alles slechts zijn omdat Zijn zorgende Godsgedachte 't al omspant en draagt. Dat is het denken van den Schepper aan Zijn schepsel, maar hier is het denken van den Vader aan Zijn kind.
En dat dit liefdevol en welgevallig Vader-denken uitgaat tot een Rachel, tot een zondig Adams-kind, tot een, die gedaan heeft wat kwaad is in Gods heilig oog, dat is groot en bemoedigend voor ieder die zichzelf kent als volslagen onwaardig om te staan in die goddelijke gunst, die meer sterkt dan de uitgezochtste spijze en buiten dien stralenden Vader-gloed van boude verkleumt en van honger omkomt. „Heere, gedenk mijner", zoo klinkt bevend en bang de smeeking op desgenen, die gansch ontbloot is. En niet onverhoord, Hij zal Mij aanroepen en Ik zal hen verhooren en in de benauwdheid zal Ik bij ben zijn. Als Rachel er toe komt om haar nood uit te schreien in de ooren haars Gods, dan is dit reeds vrucht van Zijn heilsgedachte. En 't woord is waarachtig : „Eer zij roepen, zoo zal Ik antwoorden." Hier is het nooit-doorgronde wonder van gena : een heilige God, te rein van oogen om het kwaad te aanschouwen. Die denkt in Vaderlijk erbarmen aan een volk, dat Hem verliet ; aan een kind, dat Hem weerstond. En Zijn denken is doen, Zijn gedachte een daad. Zijn heilsgedachte gaat uit om den vertredene op te beuren uit slijk en jammer, uit zonde en schuld en te stellen op een hoogte, waar de gloed der Vaderliefde hen omstraalt en al Sions treurenden vinden sieraad voor asch en vreugdeolie voor treurigheid.
Welgelukzalig is het volk, welks God de Heere is ; het volk, dat Zijn stemme mag hooren : Israël, : gij zult van Mij niet vergeten worden.

(Slot volgt).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 januari 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 januari 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's