Uit de Pers.
Prof. Obbink van Utreoht schrijft in het (ethisch) weekblad „Bergopwaarts" het volgende:
Kerkelijke perspectieven.
De kerkelijke wereld onzer dagen vertoont geen vroolijk beeld. En als we bij de intrede van het nieuwe jaar een oogenblik stilstaan en om ons heen zien en overwegen waar het heen moet met al die partijen en verschillen en tegenstellingen, dan is het niet gemakkelijk een bevredigend antwoord te vinden. Sedert de Utrechtsche hoogleeraren hun „Modus-vivendi"-plan voor het publieke forum legden, zijn de tegenstellingen eer verscherpt dan verzwakt. Zoowel in de Hervormde als in de Gereformeerde Kerken schuift de orthodoxie al verder op maar rechts, waarbij een deel, dat niet van ethische smetten vrij is, achterblijft, en zelfs in de Gereformeerde Kerken begint de kloof tusschen deze achterhoede en het naar rechts zwenkende leger zich te verbreeden. Men neemt niet dikwijls een strak-orthodox blad op, waarin niet in open of bedekte termen van het ethisch (gevaar wordt gewaagd of waarin dit rechtstreeks wordt bestreden. In de bladen der Gereformeerde Kerken vindt men diezelfde polemiek ; alleen als het tegen de ethischen in eigen kring gaat, geschiedt 't in andere bewoordingen, alleen voor de ingewijden verstaanbaar, maar daarom niet minder scherp.
De ethischen zelf ontleenen hunne kerkelijke belangrijkheid grootendeels aan de aandacht die hunne bestrijders aan hen wijden. Zonder die aandacht zijn ze met veel waard op de kerkelijke erve, en ik ben overtuigd dat aan vele ethischen die bestrijding niet onwelgevallig is. Overigens hebben ze de weinig benijdenswaardige positie van een (niet eens sterke) middengroep, die van beide kanten slaag krijgt, en het onderling niet heelemaal eens is.
Ook in de vrijzinnige groep werkt de Splijtzwam, langzaam maar zeker, zoowel kerkelijk als religieus, en het feit, dat een blad als „De Hervorming" zich, naar ik hoor, veel minder makkelijk staande houdt dan b.v. het „Weekblad voor vrijzinnige Hervormden" is symptomatisch. De kwestie van de verhouding tot de Kerk is voor de vrijzinnigen in een acuut stadium gekomen, en kan zonder konflikten niet worden opgelost.
Zoo bestaat er nu over de heele linie van het kerkelijk leven een dubbele tegenstelling : die van de eene groep tegenover de andere, en die van de leden dier groepen onderling. En dat alles bij mekaar heet : richtingsvraagstuk.
Aan de oplossing van dit vraagstuk is die laatste jaren hard gewerkt. Van verschillende zijden en met verschillende middelen. Maar steeds met hetzelfde succes : nihil. Ook het pas verloopen jaar heeft ons geen stap naderbij: gebracht ; integendeel: de tegenstellingen zijn scherper geworden. En nu verwacht men het van 1924. In de drie bovengenoemde groepen: gereformeerden, ethischen, vrijzinnigen, leeft stellig de gedachte, die ds. Hoek onlangs in dit blad uitsprak : „dat er een oplossing komen moet." Maar iedere groep bedoelt die oplossing in gansch verschillenden, zelfs tegenovergestelden zin, vooral de beide uiterste groepen. En het staat voor mij vast, dat er geen oplossing komen kan, omdat uiterst links het kerkideaal van rechts moet verwerpen, en uiterst rechts noch modus vivendi noch E.V., aanvaarden kan.
Het is wel een sombere waarheid, die wij bij het begin van het nieuwe jaar moeten uitspreken, dat niet alleen 1923 geen uitweg bood uit de moeilijkheden, maar dat ook 1924 dat niet zal doen. Als ik gereformeerd was, in den verworden zin die dat woord onder ons heeft gekregen, dan dacht ik er niet aan het recht van ethischen of modernen in de „Kerk van Christus" te erkennen, eenvoudig omdat dat zou zijn verloocheninig van Christus, en dan zou ik op al zulke vragen antwoorden, wat van die zijde ook werkelijk wordt geantwoord : jegens u als mensch wil ik die grootste welwillendheid betrachten, maar uw beginsel moet ik in den naam des Heeren tegenstaan tot den laatsten ademtocht.
En daarom zou ik wel willen dat in 1924 het oude spel niet werd voortgezet, om de „gereformeerden" te bewegen tot wat ze niet hunnen doen : het recht van „andersdenkenden" te erkennen. Want alle moeite in deze richting aangewend, is kraohtverspilling en werkt slechts mee om de tegenstellingen te verscherpen.
Men kan deze konklusie troosteloos vinden, ik kan niet anders zien of ze is juist. Wat in het afgeloopen jaar weer is gebeurd, ook achter de schermen, waar het groote publiek niet van weet, waar zelfs de „N.R. Courant" niet achter kwam, maar wat aan de kopstukken van (die groepen maar al te goed bekend is, heeft mij in deze meening bevestigd.
Gesteld dat het gelukte om een soort „modus vivendi" in elkaar te timmeren, dan zou dat toch geen werkelijke modus vivendi, maar een modus disputandi zijn ; want gereformeerden kunnen met een instituut, waarin „belijders" en „loochenaars" van den Christus samen huizen, onmogelijk vrede hebben. Zij zouden den nieuw verkregen toestand moeten gebruiken als uitgangspunt voor een nieuwe actie tot vervulling van hun kerkideaal, en de modusvivendi-kerk zou een leeg geraamte woorden.
Dat de vrijzinnigen aansturen op een modus vivendi, nu E.V. hoe langer hoe meer blijkt voor verwezenlijking niet vatbaar te zijn, is te begrijpen : slechter ( dan ze het nu hebben, kan 't voor hen niet worden. Maar het staat voor mij vast, dat ze met den modus-vivendi evenzeer zullen vastloopen als dat met E.V. is geschied. Omdat uiterst rechts er zijn steun niet aan kan en ook nooit aan zal geven. En een modus vivendi, waaraan niet alle grootere groepen meedoen, is een onding.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 februari 1924
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 februari 1924
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's