De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Verschoppelingen

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Verschoppelingen

Feuilleton.

6 minuten leestijd

EEN OORSPRONKELIJK VERHAAL DAT AANVANGT ONGEVEER 1870 

Zóó zat hij 's Zondags daarna ook in de kerk ; zóó bad hij met den leeraar en zong met de Gemeente mee ; zóó luisterde hij naar 't Woord Gods en naar de preek over Hebr. 12 : 26—28 :
Nu heeft Hij verkondigd, zeggende : Nog eenmaal zal Ik bewegen, niet alleen de aarde, maar ook den hemel. En dit woord : Nog eenmaal wijst aan de verandering der beweeglijke dingen, als welke gemaakt waren, opdat blijven zouden de dingen, die niet beweeglijk zijn. Daarom, alzoo wij een onbeweeglijk koninkrijk ontvangen, laat ons de genade vasthouden, door dewelke wij welbehagelijk Gode moge dienen, met eerbied en Godvruchtigheid.
Onder de preek was hij bezig aan een constructie, hoewel 't leek, dat hij aandachtig luisterde.
Op weg naar de Zondagsschool in Delberg begon hij te overleggen, om dezen arbeid aan een ander over te dragen : hij had het nu al lang genoeg gedaan ! Anderen deden nooit iets ; die moesten er nu maar eens vóórgespannen worden. Want hij zat daar nu niet slechts mee aan den hand, zoodat hij 's Zondags bijna geen enkel vrij uurtje had, maar ook 't zich voorbereiden voor de les voelde hij als een leemte in zijn bouwkundige studiën.
Een mensch kon toch ook geen twee dingen tegelijk !

HOOFDSTUK XXIII.
Blijde, dat de Zondag weer om was, had hij zich ter ruste begeven, en was den anderen morgen vroeg opgestaan, om 't werk weer aan te vangen. Vroolijk begaf hij zich op 't pad naar Oldouwe, en eerst halverwege dacht hij aan Wüsting.
Bah ! als 't nu weer eens zoo triestig was in de teekenzaal als verleden week ; precies een ziekenzaal, waar iemand op sterven lag. Maar Wüsting zou er al wel overheen zijn ! Hij was toch veel te verstandig om met 't hoofd door den muur te willen : hij zou er wel in berusten.
Eindelijk ! Daar ver zag hij reeds het tooverraam ; 's morgens, zoo vroeg, kon hij er ongehinderd voorbijgaan, omdat de dames daar in huis dan immer nog sliepen en in elk geval nooit in die kamer waren.
Daar stonden menschen vóór dat raam ! Wat véél menschen !
't Waren de teekenaars ! Er moest iets bijzonders aan de hand zijn !
Hoe meer hij naderde, hoe sneller hij liep. Wat waren ze stil ! In een kring stonden ze om. Zij zagen allen bleek en spraken geen woord. Als radeloos stonden ze daar, starend naar den grond.
Daar lag Wüsting Paul zag hem daar liggen : 't bloed was uit zijn mond gestroomd. Een revolver lag naast hem.
„Wüsting !" scheeuwde Paul en wilde door den drom heendringen ; maar men hield hem tegen.
„Stil Dilleman ! hij is dood!"
Hij had de revolver in den mond afgeschoten, vertelde men Paul fluisterend. Of 't pas, of voor een uur gebeurd was, of nog eerder, wist men niet. Mijnheer Diedriks stond er ook bij, en kon ook niets zeggen ; men had wel ie, ts gehoord, maar in de nachtelijke feestvreugde daarop geen acht geslagen.
Ginds naderden twee politieagenten en een dokter. Zoodra ze dichtbij geikomen waren, trad Paul achteruit, en bleef van verre staan. Hij voelde een vreeselijken afkeer van den zelfmoordenaar. Dat hij vriend was geweest met iemand, die dat kon doen ! Hij voelde zich als iemand, die ter nauwernood aan de hand van een moordenaar was ontsnapt. Wel had hij diep medelijden met den zelfmoordenaar, maar dat medelijden zou hij evenzeer gevoeld hebben, indien Wüsting den liefstcn bloedverwant of vriend had verslagen.
Het lijk werd in de teekenzaal gedragen ; de bouwmeester deelde mee, dat dien dag de zaal gesloten bleef en de heeren dus kon den heengaan. Na een laatsten blik op het nu zoo afzichtelijk gelaat, vertrokken allen bij groepjes.
Doch Paul ging alleen, nu eens met den blik naar beneden, dan weer naar omhoog, doch altijd met starre oogen. In hem schudde 't, golfde 't als een verbolgen zee. Gerard Wüsting, voor hem het ideaal van een wereldsch mensch, van zulk een edel karakter, met zulke bevallige manieren, zoo zeldzaam aangenaam in den omgang ; een jongmensch met zoo helderen kop en deelnemend hart, iemand zoo degelijk ontwikkeld en die zooveel beloofde voor de maatschappij — Gerard Wüsting had zichzelf vernietigd. Al de idealen, dat voorbeeldige had hem niet kunnen behoeden voor de allersnoodste gruweldaad. Wat v/as dat alles, wat hij, Paul, zoo hoog had geschat, bitter weinig waard. De kennis en bekwaamheid, die hij met zooveel inspanning had vermeesterd, en de kunst, die hij zoo had vereerd — had hij op eenmaal versmaad als verachtelijker dan de dood.
En hij, Paul, volgde hem na, was op 't zelfde pad, zoekend, jagend, gierend naar datgene, dat niet bij machte was, om iemand over een teleurstelling heen te zetten, dat zelfs niet een weinig zielesmart kon verzachten.
Wat had dan het begeerlijkste dezer aarde weinig, bitter weinig te beteekenen. En om dat nietige te verkrijgen was hij koud geworden voor de eeuwige dingen. Om van wasem te leven, had hij het Brood des Levens aan 'zijn plaats gelaten. Dood lijnenspel had hem meer bekoord dan de levende gemeenschap met zijn God.
In al zijn leegheid en naaktheid, zijn kille armoede stond „de wereld en al hetgeen in de wereld is" vóór hem. En eer hij 't wist, jammerde zijn hart naar God, naar den levenden God. Bij 't zien van enkel nevel en schijn, schreide 't stil in hem naar de volle, werkelijke wezenlijkheid, naar Dien, die was, en is en zijn zal. 't Bestaan van die wezenlijkheid behoefde hij niet te veronderstellen : hij kende ze : hij had ze gezien en gehoord, gevoeld en getast. Zelfs nu nog leefde ze in hem, maar als sluimerend.
Immer werkelijker stelden de dingen Gods en de dingen dezer wereld zich tegenover elkander : de eeuwige rots doemde op uit den immer ijler wordenden morgennevel. Hoogere belichaamde zich voller, naarmate 't lagere vervluchtigde.
En 't schoonste van beneden was juist dat, wat, door hetgeen de mensch kunst noemde, nog niet was bezoedeld ; 't was daarl nog 't best, waar 's menschen handde kunstenaarshand van den Schepper vrij liet.
Toch — alles, alles van beneden zou straks aan den avond der eeuwen worden weggeruimd gelijk het speelgoed der kinderen als ze moe gespeeld zijn. Straks als God Zijn volle werkelijkheid aan de consciënties der menschen zou openbaren, zou de wijze zijn wijsheid, de sterke zijn kracht. De rijke zijn schat, de kunstenaar zijn gewrocht los laten gelijk de roover het geroofde wegwerpt, zoodra de machtige arm van het gerecht zich naar hem uitstrekt.

(Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 februari 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Verschoppelingen

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 februari 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's