De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Ingezonden.

Bekijk het origineel

Ingezonden.

15 minuten leestijd

Geachte Redactie,
Gaame een enkel woord met betrekking tot het onderschrift onder mijn „Ingezonden" in de Waarheidsvriend van to Januari.
Allereerst wilde ik opmerken, dat de Commissie alle recht mist den toon in mijn „Ingezonden" te laken, aangezien zi) zelve schrijft in een toon, die niet spreekt van heiligen toorn, maar hier en daar zelfs van bijtend sarcasme. Overigens valt het mij niet tegen dat volgens de Commissie mijn hersenen beneden het middelmatige blijven. Een dergelijke kwalificatie had ik wel verwacht, aangezien zooiets nog steeds behoort tot de geliefkoosde „dooddoeners". Maar ter zake.
De Commissie had nu gewild, dat ik het tweede deel van „Ons kerkelijk standpunt" (wie zijn die „ons" ? ) had afgewacht, want daarin kon nu ieder, die wèl middelmatige hersenen heeft, lezen, dat tet Hoofdbestuur van den Gereformeerden Bond een nieuwe Organisatie noodig acht, en dus zou mijn vraag : Moet deze Organisatie verdwijnen of niet? overbodig geweest zijn. Maar eilieve, indien dan de Organisatie verdwijnen moet, waarom maakt men dan aanmerking op het woord „kapot", en waarom stemt men het mij dan niet toe dat die Synodale Organisatie duivelsch werk is ? En als die Organisatie, ook naar het oordeel der Commissie verdwijnen moet, waarom zegt men dan dat het niet gaat om de vrijmaking der Kerk, dat men dat zelfs niet het hoofddoel acht, ja, heel die vrijmaking zelfs als middel beeft laten varen ? Is in zulk een warwinkel van begrippen mijn vraag niet alleszins gewettigd? Het is toch een wonderlijke tegenspraak, een contradictio in terminis, een andere, een gereformeerde Organisatie te willen, maar geen vrijmaking. Het een sluit onvoorwaardelijk het ander in. Maar het schijnt dat men den moed mist om zulks ronduit het gereformeerde volk te zeggen. Neen, 't ligt niet aan mijn hersenen, maar óf aan het feit dat men 't kerkelijk vraagstuk niet genoeg bestudeerde óf aan het missen van den moed om onze menschen volkomen in te lichten. Nu is om te studeeren goed lezen allereerst een vereischte. Een proefje daarvan geeft de Commissie, als zij vraagt: Waar heeft Groen van Prinsterer de Ned. Hervormde Kerk een kerker genoemd ? Welnu, waarde Commissie; NERGENS. Maar lees nu eens kalm en bedaard wat ik schreef in mijn „Ingezonden. Daar staat dat Groen herhaaldelijk zei en schreef „dat n.l. de SYNODALE OR­GANISATIE niet hetzelfde is als de HERVORMDE KERK. Kernachtig noemde Groende  de ORGANISATIE „de kerker" i.p.v. de Kerk enz. We zullen nu maar niet meer dat praatje ophalen van die hersenen, maar wat ik schreef, laat, dunkt mij, aan duidelijkheid niets te wenschen over. Had men goed gelezen, dan zou men mij niet hebben beschuldigd van vereenzelvigen der Organisatie met de Ned. Hervormde Kerk. „Laat men toch nuchter en wezen", zoo schreef de Commissie. Ja, inderdaad : laat men toch nuchteren wezen en de dingen helder zien. Dan zou ik op mijn vragen geen tegenstrijdig antwoord hebben ontvangen en geen eindeloos geredeneer over ambt, enz.
Wat mijn tweede vraag betreft, had de Commissie mij kunnen verwijzen naar het eerste ideel van „Ons kerkelijk standpunt." Maar misschien vond de Commissie het beter op dat antwoord niet terug te komen. Immers, wat de meening, daar voorgedragen, betreft, daarmede kan zich zelfs de Ethische en misschien ook de Vrijzinnige richting vereenigen. Een niet onbekend professor van Ethische richting schreef althans in ongeveer dienzelfden geest. Wie zijn vleugelen kerkelijk wil uitbreiden over alle richtingen of over „een breede groep, die door zijn Doop als door het teeken des Verbonds in de Kerk des Heeren is ingelijfd", is NIET gereformeerd. Als dit tenminste werkelijk het antwoord is OP mijn vraag, dan is het lichtstraaltje voor mij, in allen ernst, niets dan duiistemis. En wat zal geschieden als eens de Synodale Organisatie verdwijnt, wat ook de Commissie wil ? Dan zal, aangenomen dat alles naar wensoh verloopt, het resultaat zijn dat alleen wat gereformeerd is zich in een nieuwe organisatie vereenigt. Want een gereformeerde organisatie laat geen plaats aan NIET-gereformeerden, ook niet aan heel die „breede groep, die door zijn Doop als door het teeken des Verbonds in des Kerk des Heeren is ingelijfd." Op dat standpunt staande, n.l. van „die breede groep", is bet best te begrijpen dat de Commissie de vrijmaking laat glippen, maar niet te begrijpen waarom de Organisatie dan weg moet, want dat brengt juist vrijmaking. Neem de Organisatie weg, en de Kerk is vrijgemaakt, ongeschonden „gepeld uit de Organisatie. Gescheiden van andere richtingen, maar daardoor niet in stukken geknapt, maar werd wat er niet bij behoorde er af geknipt. Daar komt men terecht met een nieuwe organisatie en daar moet men terecht komen, alleen maar, dan gaat het ideaal der Commissie, n.l. de „breede groep" verloren. Daarom was en is vrijmaking steeds mijn doel. Vrijmaking, in alle opzichten, van de Kerk der belijdenis. Om die Kerk der belijdenis bleef ik steeds, om haar vrij te maken en haar de vrijheid van vóór 1816 te hergeven, die ik geen vrijmoedigheid heen te gaan. Wat betreft het verzoek om licht omtrent de uitdrukking : afwachten van Gods tijd voor de poort der Kerk, zij opgemerkt, dat ik mag veronderstellen dat verlichte menschen over een zoo bekende uitdrukking geen licht noodig hebben. Aangezien het verzoek om dicht evenwel zoo „vriendelijk" was, wijs ik op het concrete voorbeeld van een man als ds. Pauwe. Over een en ander zal de Commissie wel niet voldaan zijn, want dat gaat gewoonlijk zoo, maar het is niet mijn plan om van de plaatsruimte in uw blad nogmaals voor dit doel gebruik te maken.
Aan de Redactie dank voor de afgestane ruimte.
Ds. H. J. VAN SCHUPPEN.
Groot-Ammers.

Ook op dit „Ingezonden" van ds. Van Schuppen veroorlooft de Commissie zich enkele opmerkingen.
Ie. Wat het formeele betreft hebben we nergens gezegd dat „de hersenen van ds. Van Schuppen beneden het middelmatige blijven". Wij schreven alleen; „als iemand daaruit" — te weten uit een zinsnede uit ons tweede stuk — „leest dat wij de Synodale Organisatie liefst zouden willen behouden of dat wij de zaak zonden willen verdonkeren, dan komt het ons voor dat de hersenen van zoo iemand wel beneden het middelmatige zijn." Aangezien ds. van S. echter bij 't schrijven van zijn stuk ons tweede stuk — dus ook de bedoelde zinsnede nog niet gelezen had, had hij die beneden-middelmatige hersenen volstrekt niet op zichzelf behoeven toe te passen. Wat voorts die hersen-kwestie betreft, we zijn blij, dat ds. van S. nu zelf dat „praatje over" die hersenen maar niet meer wil ophalen." Beter was maar geweest als hij het van het begin af had laten rusten. Immers dat wij hem op dat verkeerde spoor zijn gevolgd was volstrekt niet om sarcastisch te zijn, maar was juist om hem liet zoutelooze van dat „praatje", het zotte en beleedigende dat er in lag, te doen gevoelen. We verheugen ons dat we in zoover ons doel bereikt hebben dat ds. van S. nu zelf van dat "praatje" beu is geworden, al zou een woord van excuus daarover hem meer gesierd hebben daar een verwijt, dat vrijwel hierop neerkomt : „jullie hebt het ook gedaan", waaraan door het woord „dooddoeners" dan weer een nieuwe beleediging wordt toegevoegd,
2e. Wat de zaak zelf betreft, zijn we nu met ds. van S. tot deze overeenstemming gekomen : De Synodale Organisatie is niet de Hervormde Kerk. Zij is alleen de knellende band die om de Hervormde Kerk is gesmeed en die in strijd met haar wezen haar groeikracht belemmert. Maar dat hebben wij immers in ons eerste stuk de Commissie van Advies al dadelijk toegegeven, en dat is immers in ons blad, we zouden haast zeggen, honderd--en meermalen gezegd, dat ook wij de Synodale Organisatie uit den booze achten en dat wij niets anders begeeren dan een presbyteriaansche wijze van kerkelijk saamleven, op de beginselen der Dordtsche Kerkorde gegrond. Maar waarom moest ds. van S. het dan voorstellen alsof het Bondsbestuur zich in dezen in een „geheimzinnig duister" had gehuld en als waren wij afgeweken of begrepen wij niets van de beschouwing die Groen van Prinsterer in dezen was toegedaan; ? Is dat niet juist een bewijs dat ds. van S. zélf de beschouwing van Groen, we willen niet zeggen niet begrepen heeft, maar dat hij ze verkeerd heeft toegepast. Want zeker, in theorie beweert ds. van. S. wel op voetspoor van Groen dat de Synodale Organisatie niet de Hervormde Kerk is, maar nu de practijk ? Dan is voor hem de Hervormde Kerk immers alleen de z.g.n. belijdeniskerk, dat zijn : die leden van de Hervormde Kerk, die de Gereformeerde belijdenis aanvaarden. De anderen behooren wed tot de Synodale Organisatie, maar niet tot de Kerk. Nu vragen we in gemoede : wat is dat nu anders dan de Synodale Organisatie vereenzelvigen met de Ned. Hervormde Kerk in haar tegenwoordigen toestand? Wat is dat nu anders dan de tegenwoordi.ge Hervormde Kerk voorstellen als een kerker, waaruit de Kerk der belijdenis moet worden verlost. En ziet, dat is nu hetgeen waarin wij: van ds. van S. in meening verschillen. De Hervormde Kerk is voor ons nog een Kerk, is voor ons dus nog de openbaring van het lichaam van Christus. Als zij dat niet meer was, dan hadden wij opgehouden ambtsdragers te zijn. Laat ds. van S. ons liever op dat „eindeloos geredfeneer" over het ambt maar eens een antwoord geven en laat hij nu eens eerlijk zeggen of hij predikant is in de slecht georganiseerde Hervormde Kerk óf in de niet-georganiseerde belijdenis-Kerk.
3e. Maar, zegt ds. van S.. wat wil dat Bondsbestuur nu eigenlijk ? Wat willen zij nu met die „breede groep, die door den Doop als teeken des Verbonds in de Kerk des Heeren is ingelijfd" ? Moeten wij dan al die gedoopte menschen maar houden, moeten dan al die Modernen en Ethischen maar onder den kerkelijiken vleugel van de belijdeniskerk vereenigd blijven ? Dat is toch niet Gereformeerd ?
Neen, waarde broeder, dat is niet Gereformeerd, maar gij weet ook wel, dat wij dat ook niet willen en daarom moest gij het der goe-gemeente ook niet voorstellen dat wij zoo ongeveer staan op 't standpunt van een „Ethisch professor." Als gij „De Waarheidsvriend" goed hebt gelezen — en gij leest immers goed — en als gij nagaat wat bij verschillende gelegenheden door ons is gezegd, dan kan het u niet onbekend zijn dat in een presbyteriaanschen kerkvorm, gegrond op de Dordtsche Kerkorde, zooals wij dat begeeren ook voor ons, evengoed als voor u, de Gereformeerde Belijdenis het schibboleth, dus de maatstaf zou zijn. Als gij of een ander ons dus den weg weet te wijzen waarlangs al wat werkelijk staat op of leeft uit de Belijdenis, op deze wijze kerkelijk georganiseerd kan worden, dan weet gij ook wel dat wij niet zullen zeggen : houd nu de Ethischen en liefst de Modernen er ook maar bij. Integendeel, dan zeggen wij net zoo goed als gij en uw vrienden : wie belijdend Gereformeerd is er in, en wie niet belijdend Gereformeerd is er uit. Maar zóó ver is het nog niet en juist de weg dien gij ons aanwijst lijkt ons juist verder van dat ideaal te verwijderen inplaats van er ons dichter bij te brengen. Wij kunnen ijiet anders inzien dan dat de weg van het „uitpeilen" van de belijdenis-Kerk uit de Hervormde Kerk of noem het dan: uit de Synodale Organisatie, een weg is die „een breede groep", niet alleen van Ethischen en Modernen, maar ook van Gereformeerde belijders, „die door hun Doop als door het teeken des Verbonds in de Kerk des Heeren zijn ingelijfd" in de in Synodale banden beknelde Herv. Kerk zou achter laten. Gesteld dus, dat wij inderdaad met al die ethische en moderne menschen niets te maken hadden, — een stelling, die wij niet aanvaarden, omdat wij gelooven dat zoolang zij kerkelijk met ons samenleven hun schuld mede de onze is — maar neem nu maar aan, dat wij van „die schare, die de "wet niet weet", werkelijk los waren, dan nog bleef er toch een breede groep van Confessioneelen en Gereformeerden over, die zich niet zouden laten organiseeren in de belijdenis-Kerk, en deze groep, niet van ethischen en modernen, maar van Gereformeerd-belijdende leden van de Hervormde Kerk, zou dan toch door onze belijdenis-Kerk moeten worden los gelaten.
Kom, zeg nu eens eeriijk of gij dat zoudt aandurven. Meent gij nu werkelijk dat de zaak zoo eenvondig is als gij het voorstelt ? Gelooft gij nu waarlijk dat als de organisatie maar weg is, de Kerk vrij zal zijn, m.a.w. dat dan al wat Gereformeerd denkt en leeft zich zal laten organiseeren in uw belijdenis-Kerk ? Wij kunnen niet gelooven, dat iemand die kerkelijk meeleeft zoo naïef zou zijn. Maar daarom juist meenen wi] ook dat we met de door u gebruikte woorden van „vrijmaking" en „kapot slaan" en „Belial" zoo voorzichtig moeten zijn. Zeker, wij stemmen u aanstonds toe: de Synodale Organisatie moet weg, omdat deze ook naar ons oordeel uit den booze is, maar als iets weg moet dan is er toch in den regel nog wel een ander middel .dan dat wij het „kapot" slaan. Dat klinkt vooral in kerkelijke aangelegenheden zoo revolutionair. En als iets verkeerd is, zeker, dan is het uit den booze, maar daar is zooveel uit den booze en waarvan wij toch niet zeggen dat het de incarnatie van den duivel, m.a.w. Belial is. Nog eens, dat zijn dikke woorden, die in sommige inkrimpen, waar het kerkelijk bewustzijn in den regel niet het meest is ontwikkeld, wel opgeld doen, maar waaraan wij ons juist om die reden zooveel mogelijk spenen moesten. Denk maar aan de dagen der doleantie, toen ook dengedijke uitdrukkingen als : „looohening van het Koningschap van Christus", „driemaal van God vervloekt zijn" enz., gebruikt werden om de Synodale Organisatie z.g.n. ten voeten uit te teekenen. Maar wat heeft men er anders mee bereikt dan dat sommigen tot het kookpunt kwamen en dat er geesten opgeroepen werden die men straiks zelf niet meer bezweren kon ? Daarom zouden we ds. van S. in broederlijken zin willen advlseeren zich wat te matigen in zijn scherpe uitdrukkingen. Het wil ons voorkomen dat zijn betoog daar niet onder lijden zou en dat het aan de zaak, die hij en wij voorstaan, ten goede zou komen.
4e. Wat het laatste punt betreft, n.l. het antwoord dat hij op onze vraag om meer licht inzake , het afwachten van Gods tijid voor de poort der Kerk gegeven heeft, ds. van S. meent, dat wij daarover niet voldaan zouden zijn. Maar dat heeft hij mis. Wij zijn daarover, wèl voldaan, n.l. in dien zin dat daarin nu juist uitkomt wat de consekwentie van zijn standpunt is. Hij wijst n.l. op het concrete voorbeeld van een man als ds. Paauwe. Juist, maar heeft juist dat concrete voorbeeld niet duidelijk getoond, dat het Gereformeerde volk in onze Kerk dat geen navolgingswaardig voorbeeld vond ? Wie zijn ds. Paauwe in zijn „waarlijk doleerenden toestand" gevolgd ? Als zijn daad een „geloofsdaad" geweest is, waarover wij meenen dat ons het oordeel niet toekomt, waarom doet ds. Van Schuppen, die ons , geloofsdaden" vraagt, en die de daad van ds. Paauwe een concreet voorbeeld noemt van het „afwachten van Gods tijd voor de poort der Kerk", dan niet net als ds. Paauwe heeft gedaan ? Hij is daar immers iederen dag voor in de gelegenheid. Het komt ons voor, met alle waardeering en achting die ook wij hebben voor den persoon van ds. Paauwe, dat ds. Van Schuppen zijn standpunt met het noemen van diens voorbeeld niet heeft versterkt, en het zou ons verwonderen als zelfs de vrienden van ds. van S. niet begrepen dat hij daarmee niet alleen zijn bedoeling heeft verraden, maar ook zijn zaak heeft verzwakt.
Namens het Hoofdbestuur
De Commissie

UTRECHT, 29 Jan. 1924.

Eerwaarde Hoofdredacteur!
Vergun ook ondergeteekende een bescheiden plaatsje in de Waarheidsvriend! naar aanleiding van de stukken over de kerkelijke quaestie van het Konvent en de Commissie uit het Hoofdbestuur van den Bond, waarop gevolgd is het van heethoofdigheid sprekend stuk van ds. van S.
Zou het ter wille van de groote zaak, die we allen als Gereformeerden in de Ned. Hervormde Kerk dienen voor te staan, niet het beste zijn dat we, inplaats van zooveel over dit stuk te spreken, te schrijven en te kibbelen, waarvan heete hoofden en koude harten het gevolg zijn, biddend te werken om het aantal Gereformeerde predikanten in onze Kerk zoo veel  de Heere toelaat uit te breiden ? Dan komt de reorganisatie, die zoo noodzakelijk is, vanzelf, doch niet opgedrongen, maar op 's Heeren tijd. Het adres voor het eerste — het bidden — zullen we allen wel weten, n.l. „de troon der genade", en dat voor het werken, dat is wekelijks te lezen onder de Financiën.  Dan komt ook alles recht te staan, dunkt mij. De Gereformeerde Zendingsbond werkt 'dan aan de uitbreiding van het Koninkrijk Gods onder de Heidenen, en de Gereformeerde Bond aan de uitbreiding van dat in de Ned. Hervormde Kerk hier te lande, terwijl de buitenstaanders dan inplaats van hun schouders op te halen en de afkeuringen te doen hooren over veel liefdeloosheid, zullen moeten verklaren : zie, hoe lief ze God en elkander hebben.
In de hoop dat deze regelen daartoe onder 's Heeren gunst nog mogen medewerken, teekent met dank voor de plaatsing
De Secretaris van de Hulpvereeniging Utrecht Geref. Zendingsbond

J. VAN AMERSFOORT. Weerdsingel 02. 39.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 februari 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Ingezonden.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 februari 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's