Verschoppelingen
Feuilleton.
EEN OORSPRONKELIJK VERHAAL DAT AANVANGT ONGEVEER 1870
Even nog en de wereld zou aanvangen te wankelen, de aarde zou schudden en schokken en de beroering zou al 't werk van 's menschen handen vergruizelen, en — de mensch zelf zou daar staan, alleen, van allen en alles verlaten ; alleen mét — of, tegenover God, den Allesvervullende.
Gelukkig ! God zou niet ondergaan zooals alles van beneden onderging. En ook hij zelf zou dan eeuwig zijn bij God ; geen enkele zonde, ook geen beschaving en kunst geen adel van beneden zou hem dan ooit meer kunnen scheiden van de liefde van Christus. Dan zou in volle heerlijkheid, in spotlooze volkomenheid, onbeperkt van duur terugkeeren wat hij soms, wel zwak en nevelachtig, maar toch zoo zielszoet en zooveel voorspellend had genoten, toen hij achter zijn schapen alleen door de hei dwaalde.
God zijn Vader, Christus zijn Broeder! O, dan! Niet bij druppels en kruimels zou hij leven ; in eeuwigen overvloed zou hij zich baden, want dan — zou hij God kennen, dan zou hij Christus kennen ; kennen, liefhebben met geheel zijn hart, met gansch zijn ziel, met al zijn kracht en al zijn verstand.
Dat eerst zou leven zijn, hét leven ! 't Leven hier was hongeren en dorsten naar dat leven, of — waar die honger en dorst ontbrak, was 't leven wanleven, waan, krankzinnigheid.
Thuis, in Winnewoud, stond men vreemd te zien, dat Paul zoo spoedig terug was.
Allen kenden ze - alleen door wat Paul had verteld - Wüsting, en hoewel ze hem nooit gezien hadden, hielden ze van hem. Wat waren ze ontsteld, toen ze de vreeselijke geschiedenis hoorden.
Paul was zeer teruggetrokken ; zijn huisgenooten schreven dat alleen toe aan zijn smart. Van de wezenlijke beroering en beweging in zijn ziel hadden ze zelfs geen vermoeden.
Den anderen dag was hij weer met de anderen in de teekenschool. Het lijk was door de ouders gehaald. Een paar leerlingen waren getuige geweest van de bijna krankzinnige smart der moeder. Er werd over niets gesproken dan over Wüsting, en niemand scheen aan werken te denken.
Paul alleen zweeg.
De andere morgen begon, gelijk de vorige avond geëindigd was : men wilde gezamenlijk een krans leggen op Wüsting's lijkbaar. En nu werd Paul Dilleman geperst om te spreken. Omdat zij nog geen woord van hem over de zoo aangrijpende gebeurtenis hadden gehoord, zwegen terstond allen, zoodra het eerste woord over zijn lippen kwam.
Zij wisten, hoeveel hij — niettegenstaande hij en Wüsting met betrekking tot het geloof als dag en nacht tegen elkander over stonden, van hem hield. En zoo ze 't nog niet hadden geweten, kwamen ze 't nu te hooren. Ze voelden in zijn woorden de hartelijke, warme toegenegenheid, de bijzondere hoogachting voor Wusting.
„Ik kan er niet aan meedoen, om een krans te leggen op 't graf van den vijand, die mijn vriend heeft vermoord."
De hoorders zagen elkander in de oogen, verwonderd, vragend. Zóó hadden ze er niet over gedacht; 't was waar : er was een vriend vermoord door.......
Paul ging verder : „Wüsting was mij te lief, dan dat ik zijn doodvijand nog eere zou geven. Jullie kunt doen, wat je wilt; maar — zullen de zoo vreeselijk getroffen ouders, die zoo vol rouw zijn over hun geliefden, veelbelovenden zoon, zullen die ouders niet gekwetst worden in hun gevoel, als je met een krans komt voor den moordenaar van hun Gerard ? Want die moordenaar heeft met één schot niet alleen ons van een vriend en de maatschappij van een voortreffelijk man beroofd; niet alleen alles, wat met zooveel inspanning en kosten was verkregen, vernietigd ; maar allermeest de ouders, broers en zusters getroffen, zoo vreeselijk gevoelig, dat noch zij zelf, noch anderen in hun tegenwoordigheid, ooit zullen spreken, over de wijze, op welke Gerard Wüsting stierf."
Men zweeg. Dillemans beschouwing van het aangrijpende geval was niet de alledaagsche, vooral niet van de „ontwikkelden". Toch kon men er niets tegen inbrengen. Een der oudsten vroeg :
„Dus houdt jij Wüsting voor een moordenaar ? "
Doch Paul deed terstond de tegenvraag : „Moet dat nog gevraagd worden ? Is hier één, die hem niet voor een moordenaar houdt?
" Drie, vier gelijk zeiden, op een toon, die enkel vergoelijkte : „Zelfmoordenaar."
Paul voegde er terstond aan toe — zich herinnerend, wat hier gisteren van de onbeschrijfelijke smart der ouders was gezegd :
„En daardoor misschien bovendien moedermoordenaar en vadermoordenaar !"
De meesten stoorden zich niet aan Paul, en buiten hem om zond men een grafkrans — tot werkelijke ergernis van Wüstings familie. Want Gerards moeder was een geloovige vrouw.
HOOFDSTUK XXIV.
Dat Paul de studie als zijn vijandin aanzag, was spoedig voorbij, 't Gevaarlijke mes, waaraan hij zich had bezeerd, en dat hij, bij 't voelen en 2ien der wonden, als een booze venijnigheid ruw had weggeworpen, had hij bij kalm nadenken weer opgeraapt. 't Kwaad zat niet in de studie, maar in den hartstocht, waarmee hij haar had beoefend. Hij had er zijn hart zóó mee vervuld, dat daar geen plaats meer was voor God. Dat had hij gezien, gevoeld met bittere, bittere smart. In die smart had hij 't kloppen des Heilands aan de deur zijns harten gehoord. Hem opengedaan, en daarop was de Verwaarloosde tot hem ingekomen, en als de oude Trouwe Vriend ontvangen. Opnieuw had Hij in 't hart den disch rijkelijk voorzien en als oude vrienden hadden ze samen avondmaal gehouden.
Nu hield de trouwe, rijke Vriend de eereplaats en de studie mocht als een slavin, zittend of staand op den drempel, wachten op de bevelen van den Meester en van den meester. De studie als een slavin — maar als een, die gevaarlijk kon worden, een looze listige roofster van wat zijn Heer en God toebehoorde : zijn hart, zijn ziel, zijn liefde, zijn energie, zijn kracht en zijn verstand.
Paul zag haar valsch, loerend oog, dat steeds gericht was naar de eereplaats, die ze als de hare begeerde ; hij doorzag het goed, dat hij immer op zijn hoede moest zijn. Temmen zou hij ze nooit, maar met ootmoedig bidden en heilig willen zou hij trachten haar in zijn macht te behouden, opdat hij niet opnieuw in haar geweld kwame. Zij zou, zij moest zijn en haar Meester en Heere dienen en hem en de menschheid dienen ; maar heerschen, bevelen zou ze niet!
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 februari 1924
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 februari 1924
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's