Eenvoudige Bijbellezing
1 Timotheus.
Dit gebod beveel ik u, mijn zoon Timotheus! dat gij naar de profetieën die van u voorgegaan zijn, in dezelve den goeden strijd strijdt, Houdende het geloof, en een goed geweten. hetwelk sommigen verstooten hebbende, van het geloof schipbreuk geleden hebben. Onder welken is Hymeneus en Alexander, die ik den Satan overgegeven heb, opdat zij zouden leeren niet meer te lasteren. 1 Timotheus 1 vers 18—20.
Timotheus moet den goeden strijd strijden. Dit draagt de apostel hem nu met allen aandrang op. Hij had van zijn eigen persoon gesproken of liever van de genade die de Heere hem bewezen had. Het Evangelie was hem toevertrouwd geworden, hem, die zulk een groot zondaar was. Met groote openhartigheid had hij hiervan geschreven. Maar dit was slechts een aanloop. Het was hem er om te doen kracht bij te zetten bij zijn vermaning. Hij, die zooveel gezag van den Heere ontvangen had, mocht nu ook met gezag optreden. Zooals een vader zijn zoon mag bevelen, zoo legt nu ook de apostel aan Timotheus op om te volharden in den goeden strijd.
Hier is bedoeld de strijd dien Timotheus heeft als leeraar, als ambtsdrager. Het gaat toch in dezen brief over het pastorale werk. „Het menschelijk leven is een strijd, in het bijzonder dat van een christen-mensch, maar het allermeest dat van den evangelischen pastor", zegt Grotius. Het was voor Timotheus daar in Efeze niet gemakkelijk. Allerlei geest en allerlei dwalinig verzetten zich tegen de gezonde woorden Gods. En nu mocht Timotheus van geen plooien en schipperen weten. Hij moest maar steeds zijn als een leger in den veldslag, om met het Evangelie der genade de gedrochtelijke voorstelling der dwalende geesten te bestrijden.
Dit moest Timotheus doen naar de profetieën die van hem voorgegaan waren. Hier moeten wij nu niet denken aan de profetieën
van het Oude Verbond, zooals wij geneigd zouden zijn. Neen, er waren beloften aan Timotheus voorafgegaan, vóórdat hij in de bediening van het Woord mede was opgenomen. Dat zal geweest zijn in de gemeente van Lystra. Daar kwam hij vandaan. Daar was hij een welbekende en veelbelovende jongeling. Maar hoe zijn nu Paulus en Silas er toe gekomen om hem in hun gezelschap op te nemen ? God had door Zijn Geest over hem bijzondere beloften aan Paulus of aan Silas of aan andere kinderen Gods in de gemeente gegeven. Er waren werkzaamheden des Geestes geweest. Die hadden den weg gebaand. En Paulus was ingegaan op hetgeen de Heere gezegd had. Zooals het nog wel eens voorkomt dat er bijzondere werkzaamheden des geloofs voorafgaan aan of samengaan met het beroepen van eén herder en leeraar. Zeker, dat belooft een goeden ingang voor zulk een leeraar in zijn nieuwe gemeente. Maar dan is ook zijn verantwoordelijkheid dubbel groot. En met bijzondere kracht komt tot hem de vermaning : wees getrouw in uw prediking, in uw werk en strijd daarin den goeden strijd des geloofs. Vanuit den hemel en vanuit Gods volk is veel van u verwacht !
Over bijzondere beloften gaat 't dus. Zij gaven Paulus recht om kracht bij te zetten aan zijn vaderlijke opdracht. Maar zij moesten ook voor Timotheus zijn de richtlijnen in : zijn strijd ; de lichtbronnen die hun stralen zouden afwerpen over zijn moeilijk en duister pad. Zulke bijzondere werkzaamheden mogen toch tot grooten steun zijn voor een leeraar. Er moet zich maar eens allerlei vijandschap tegen het Evangelie openbaren ! Onverschillig en koel wordt de prediking ontvangen, terwijl de roem van het nieuwe taant! Alle arbeid schijnt ongezegend te blijven ! Welk een vertroosting kan een leeraar er dan uit putten als hij weten mag dat er ook nog bijzondere beloften des Heeren waren die met zijn roeping gepaard gingen. Dat geeft nieuwe kracht. Welnu, dit beteekent het als Timotheus in dezelve den goeden strijd moest strijden.
Houdende het geloof en een goed geweten. Het is ons duidelijk, dat hier op dezelfde zaak gedoeld wordt. Het geloof en het goede geweten moesten de wapenrusting zijn, in ieder geval er een gedeelte van uitmaken. Die twee behoor en bij elkander. Het goede geweten is een vrucht van het geloof. En wanneer dat goede geweten er niet is, kan er ook geen geloof zijn. Timotheus mocht er met een goed geweten aan denken dat hij niet zichzelf had opgeworpen. God had hem geroepen, niet alleen tot het ambt, maar ook tot het oprechte geloof. Als het goede geweten er niet is over deze belangrijke zaak, dan heeft ook het geloof geen beteekenis.
Zoo is het met sommigen gebeurd. Zij hebben dat goede geweten verstooten. D.w.z. zij hadden geen oprecht geloof. Zij wisten zich niet door God geroepen. Het goede geweten hebben zij in deze zaak niet op prijs gesteld. Nu ja, zij waren geloovigen, maar op hun eigen manier. En zoo zijn zij de zee opgegaan ! Paulus gebruikt hier een beeld, aan de zeevaart ontleend. Hij denkt aan menschen die 't goede geweten als overtollige ballast over boord geworpen hebben. Dat scheen er niet op aan te komen. Zij waren geloovigen, tenminste zij wilden dat zijn, maar zonder te weten van Gods roeping. Maar nu was hun scheepje veel te licht, 't Kon de golven van de levenszee niet verdragen. Het kon den strijd met de woeste baren niet doorstaan. En zij hebben van het geloof schipbreuk geleden ! Houd dus maar het geloof en een goed geweten, Timotheus ! Dan zal het wel gaan ! Dan zult gij in den strijd niet onderkomen !
Een paar droeve voorbeelden geeft nu de apostel. Daar waren Hymenéüs en Alexander. De eerste was blijkbaar ook een prediker, wiens woord echter was als de kanker ; terwijl de tweede een kopersmid was. Beiden waren misschien voorheen vooraanstaande personen geweest in de gemeente van Efeze. Zij woonden er nog en zullen den arbeid van Timotheus allesbehalve gemakkelijk gemaakt hebben. Zij waren in het geloof schipbreukelingen geworden, lasteraars van God en van Zijn volk. Paulus wil nu zeggen : maak u over hen niet moeilijk. Ik heb hen den Satan overgegeven. En nu moeten wij maar zien waarop het met hen uitloopt.... Den Satan overgeven? , Wat is dat? Hier schijnt bedoeld te zijn dat de apostel hetzij in gebed of in een plechtige verklaring, in gezelschap met anderen, voor het aangezicht des Heeren, aan die twee personen lichamelijke, tijdelijke rampen heeft toegewenscht. Satan wordt dan beschouwd als te zijn de straffende hand des Heeren. Wij denken aan de geschiedenis van Job. De apostel heeft hen voor Gods aangezicht neergelegd, zeggende : Bezoek hen met Uw roede, opdat zij zouden leeren niet meer te lasteren Dus, mijn zoon Timotheus, vrees hen niet meer. Strijd den goeden strijd, in de wetenschap dat Gods beloften waar zijn. Houd het geloof en een goed geweten.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 februari 1924
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 februari 1924
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's