Staat en Maatschappij.
Financieele verhouding tusschen Kerk en Staat.
In zijne Memorie van Antwoord op het VIIde Hoofdstuk B van de Staatsbegrooting schrijft de Minister van Financiën naar aanleiding van de opmerking uit het Kamerverslag :
Wederom werd gepleit voor de algeheele losmaking van den financiëelen band tusschen Kerk en Staat. De vraag werd gesteld, of de Minister instemt met de thans geldende regeling ten aanzien van de predikantstractementen. Of — vroeg men — is Ide Minister van oordeel, dal naar de totstandkoming van eene nieuwe regeling moet worden gestreefd ? En zoo dit laatste het geval is, is de Minister dan bereid, zijn voornemens te dezer zake aan de Kamer mede te deelen ?
dit :
Zooals door den ambtsvoorganger van den ondergeteekende ten vorigen jare is medegedeeld, bestaan er naar 't oordeel der Regeering geen grondwettelijke bezwaren tegen de algeheele losmaking van den financiëelen band tusschen Kerk en Staat. Intusschen zijn de moeilijkheden, aan de oplossing van het vraagstuk verbonden, daarmede geenszins opgelost. Immers is de moeilijkheid vooral gelegen in de omstandigheid, dat 't niet vaststaat, welk orgaan als het rechthebbende op de gekapitaliseerde gelden moet worden beschouwd: Zoolang daaromtrent in de Kerkgenootschappen geen eenstemmigheid bestaat, is het bezwaarlijk te verwachten, dat de Regeering harerzijds stappen zal doen om het beoogde doel te bereiken.
Echter zal worden overwogen, in hoeverre herstel van het in 1920 met de Kerken verbroken contact de oplossing van het vraagstuk nader kan brengen.
De huidige regeling van de predikantstractementen wortelt in de bestaande financieele verhouding tusschen Kerk en Staat. Zoolang deze onveranderd blijft, is het uftzicht op wijzigimg dier regeling, naar het den ondergeteekende voorkomt, uitermate gering.
Met instemming moge uit het antwoorid van den Minister worden geconstateerd, dat „zal overwogen worden, in hoeverre herstel van het in 1920 met de Kerken verbroken contact de oplossing van het vraagstuk nader kan brengen."
Herstel van het verbroken contact met de Kerken is de eerste stap om de zaak weer aan het rollen te brengen.
Thans bevindt het vraagstuk zich op het doode punt.
En het zal reeds een daad van beteekenis zijn, zoo het overleg met die Kerken weer op gang komt.
Twee belangrijke uitspraken.
Twee uitspraken van groote beteekenis bereikten ons de vorige week van het Departement van Justitie.
De eerste betreft de lijkverbranding.
In den laatsten tijd gebeurde 't enkele malen dat een der Ministers zich liet vertegenwoordigen bij de verbranding van het stoffelijk overschot van een vooraanstaand persoon.
Terecht werd daarop aanmerking gemaakt en het was het Antirevolutionaire Kamerlid dr. Scheurer, die telkens de koe bij de horens pakte.
Thans heeft de Minister van Justitie zich onomwonden tegen een dergelijk optreden uitgesproken.
„Regeeringsvertegenwoordiging bij een crematie, zoo verklaart Minister Heemskerk, schijnt hem, terwijl de crematie een handeling in strijd met de wet oplevert, niet wel oirbaar."
Wij hopen en vertrouwen, dat voortaan de vertooning, die zooveel ergernis verwekte, niet meer zal plaats hebben.
In de tweede plaats de doodstraf.
Daarvan zegt de Minister van Justitie dat hij persoonlijk voor enkele zeer zware misdrijven voorstander van de doodstraf is. Hij is dit, niet op utiliteits (nuttigheids) gronden, doch als eisch der gerechtigheid.
Indien hij mocht aannemen, zoo gaat de Minister verder, dat een in genoegzame mate veldwinnende overtuiging aanwezig is, dat ter voldoening aan de gerechtigheid de doodstraf weder behoort te worden ingevoerd, zou hij een poging tot wederinvoering wenschen te doen.
Het is jammer, dat de Minister, na uiteenzetting van zijn alleszins juiste standpunt, laat volgen, dat de voorwaarde : „het aanwezig zijn van de veldwinnende overtuiging", door hem voorshands niet vervuld wordt geacht.
Wij zouden de vraag willen stellen of de Overheid, als dienaresse Gods, zich door zulk een voorwaarde wel mag laten binden. Heeft zij niet veeleer elke voorwaarde prijs te geven en zich naar Gods gebod te gedragen ?
De Heilige Schrift spreekt toch ten aanzien van de straf op het bloedvergieten zeer duidelijk.
Intusschen zijn wij dankbaar, ook al blijft „het voldaan zijn" nog uit, voor het woord, dat Minister Heemskerk sprak, niet het minst voor wat hij verder zeide : dat „wederinvoering op utiliteitsgronden bedenkelijk zou zijn."
De doodstraf mag toch alleen haar grond vinden in de schending van het recht Gods.
Mocht de heer Heemskerk aan zijne voorwaarde blijven vasthouden, dan zouden wij de vraag willen stellen : ligt het niet op den weg der Kamer bij de behandeling der Justitie-begrooting een uitspraak van de Kamer uit te lokken ?
Het zou een schoone overwinning zijn, zoo de Kamer — en op een meerderheid van voorstanders is wel eenig uitzicht — zich vóór dé wederinvoering van de doodstraf verklaarde.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 februari 1924
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 februari 1924
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's