Uit het kerkelijk leven.
De Synode en de predikantstractementen.
Daar is in de bladen gepubliceerd een protest van de Kerkvoogden der Ned. Hervormde Gemeente te Groningen, tegen het in 1920 genomen Synodale besluit tot regeling der predikantstractementen ; en tegelijk verscheen van de hand van prof. mr. L. J. van Apeldoorn, hoogleeraar aan de Universiteit van Amsterdam, een brochure : „De Synode en de predikantstractementen." (Uitg. van
S. Gouda Quint te Arnhem).
Welk verband er tusschen dit protest van Groningen en het Advies van prof. Van Apeldoorn bestaat, weten wij niet. Dat doet er ook minder toe. Maar beide dingen willen wij hier toch even combineeren en er een enkele beschouwing aan wijden.
We laten eerst het Protest van Groningen volgen. De couranten hebben het als volgt vermeld :
Kerkvoogden der Ned. Hervormde gemeente te Groningen hebben een adres gericht tot de Synode der Ned. Hervormde Kerk, waarin zij naar aanleiding van door den „Raad van Beheer" toegezonden brieven protesteeren tegen het in 1920 genomen Synodale besluit tot regeling der predikantstractementen. Adressanten erkennen, dat, behoudens enkele uitzonderingen, de predikantstractementen destijds te laag waren en waardeeren ten volle de bedoeling, welke de Synode tot de genomen maatregelen dreef. Hunnerzijds hebben zij dan ook voortdurend in de laatste jaren voor zoover hun dat mogelijk was, die tractementen verhoogd zonder eenigen aandrang van buiten. Zoo is thans met ingang van 1 Januari 1924 het tractement voor ieder der predikanten vast gesteld op 5500 gulden per jaar. De wijze echter, waarop de Synode die verhoogingen tracht te bereiken, is volgens adressanten in lijnrechten strijid met het recht, welke meening in het adres uitvoerig op kerkrechtelijke gronden gemotiveerd wordt.
Het recht, om de predikantstractementen te bepalen, komt naar de zienswijze van adressanten uitsluitend toe aan de gemeenten. Kerkvoogden der Ned. Herv. Gemeente te Groningen stellen zich op het standpunt, dat zij geroepen en verplicht zijn, de goederen, aan hun beheer toevertrouwd, aan hunne bestemming te doen beantwoorden. Zij zullen aldus het recht handhaven tegenover onrecht, willekeur en machtsaanmatiging ; zij weten het recht aan hunne zijde en zien dus met vertrouwen den uitslag tegemoet."
De toon in dit protest-adres — bovenstaand relaas is natuurlijk maar een résumé van het adres — valt te prijzen. Er wordt erkend, dat, behoudens enkele uitzonderingen, de predikantstractementen te laag waren en ten volle wordt gewaardeerd de bedoeling, welke de Synode tot.de genomen maatregelen dreef. Dat juichen wij toe, dat de zaak zóó door Groningen ingekleed is en zóó is opgezet. Dan kunnen ook des te vrijimoediger de bezwaren principiëel naar voren worden gebracht. En dat gebeurt ook. De wijze waarop de Synode de predikantstractementen-kwestie aangepakt heeft is „in lijnrechten strijd met het recht." Want „het recht om de predikantstractementen te bepalen komt uitsluitend toe aan de gemeenten." Dat recht wil men ook handhaven tegenover onrecht, willekeur en machtsaanmatiging.
In deze verschilt de brochure van prof. Van Apeldoorn niet.
Ook prof van Apeldoorn betoogt, dat met het volste recht zonder ophouden gewezen mag worden, op het groote belang, dat de gemeenten hebben bij eene goede bezoldiging harer predikanten. Hier zijn stoffelijke en geestelijke belangen niet te scheiden ! Maar handhaving van haar recht is voor de gemeente voorwaarde voor haar bestaan. Hoe meer zij vrijwillig van haren overvloed geeft voor den nood van hare zuster-gemeenten, hoe meer zij aan haar roeping zal beantwoorden. Maar zoodra zij zich, zonder te vragen naar haar recht, één penning laat afdwingen, voor welk schoon doel dan ook, is zij bezig met haar recht haar bestaan prijs te geven. De Synode nu is in deze buiten haar bevoegdheid gegaan. Zij is een bestuurslichaam, geen beheerscollege. En nu heeft zij toch in het bezit en het beheer van de plaatselijke gemeenten ingegrepen inzake de regeling der predikantstractementen, 't welk dus een „aangematigd gezag" van de Synode is, waaraan de plaatselijke gemeenten in deze zich niet behoeven te onderwerpen, ja, waartegen de plaatselijke gemeenten hebben te protesteeren, opkomend voor eigen rechten.
De lijnen van Groningen en Amsterdam loopen hier dus evenwijdig en wij gelooven niet, dat er velen zullen zijn, die ten slotte in rechte hiervan zullen verschillen.
De regeling der predikantstractementen is nooit eene zaak geweest van de kerkelijke besturen. (Dat het ook niet iets is voor de kerkelijke vergaderingen, zooals prof. Van Apeldoorn zegt, geven wij zoo maar niet toe. Daar zou nog wel even over gepraat kunnen worden); maar in elk geval behoort het niet tot de competentie van de kerkelijke besturen.
Want vroeger, na de Reformatie, was het een zaak van de Overheid, d.w.z. van de Staten der verschillende gewesten en van de subalterne overheden, b.v, de stedelijke magistraten.
(Heerlijke nagedachtenis !)
Met de Revolutie (jammer dat die daartoe den stoot moest geven) veranderde dat. De Staatsregeling van 1798 bepaalde dat de gemeenten der voormaals heerschende Kerk gedurende de eers.tkomende drie jaren de gewone tractementen uit 's Lands kas zouden blijven genieten enz. De gemeenten moesten dan intusschen de noodige schikkingen maken voor dfe verdere bezoldliging.
Dat is later wel weer veranderd, zooals men weet. Want de uitkeerimgen uit 's Lands kas duurden voort. Maar de regeling der tractementen is eene zaak gebleven van de gemeenten; ook na 1816. Zelfs Koning Willem I heeft er niet aan gedacht zioh in deze gemeentelijike aangelegenheid te mengen.
En ziet, nu is de Synode van 1920 (wat was het toen een bange tijd, vooral voor vele, vele predikantsgezinnen, waarvoor niet, althans niet voldoende gezorgd werd, terwijl overigens aan alle andere menschen, dokters, advocaten, leeraren, onderwijzers, spoorwegpersoneel, gemeentewerkiieden enz. enz. gedacht werd en niet weinig royaal!) van den rechten weg afgeslagen en heeft, nadat telkens haar pogingen mislukt waren, de regeling der minimumtractementen, benevens verhoogingen voor dienstjaren en kindergelden, aan zich getrokken, met een omslag over de gemeenten.
Dat is de fout van de Synode geweest. Maar niet van de Synode alleen ; ook van de Classicale Vergaderingen, ook van de Provinciale Kerkbesturen : zóó, dat in formeel juisten weg door de Kerk een reglement is goedgekeurd en door de Synode is uitgevaardigd, dat de Besturen gebracht heeft op een terrein waar zij niet hooren.
In 1910 heeft de Synode zelf erkend, dat het Classicaal Bestuur in geen enkel opzicht eenig recht kan doen gelden in de vaststelling van het predikantstractement, en dat het daardoor zou treden in de rechten der beheerscolleges.
Zóó staat het zwart op wit in de Handelingen der Synode van 1910, blz. 203 en blz. 402.
Ook in het jaar 1911 heeft de Synode zoo gesproken en gehandeld. Zie Syn. Acta 1911, blz. 167, 170.
Zoo ook in 1916. Toen verklaarde prof. Aalders uit Groningen „dat het voorstel tot vaststelling van een minimum-tractement niet kan worden aangenomen. Hij ziet niet in, dat de Synode het recht heeft in te grijpen in de regeling die aan de gemeenten toekomt. Hij bestrijdt op verschillende gronden uitvoerig het voorstel." En met 11 tegen 8 stemmen vereenigde zich de Synode met het rapport en erkende hiermede voor de zooveelste maal hare onbevoegdheid om een minimum-tractement vast te stellen.
Zie Handel, der Synode, blz. 416, 417.
In 1917 wordt wéér over de zaak gehandeld en door de Commissie ad hoc geconcludeerd, dat naar art. 40 Algem. Regl. een zoodanige bevoegdheid aan 't Classicaal Bestuur niet kan worden opgedragen en dat er geen sprake van zijn kan, dat onwillige kerkvoogden gedwongen worden. (Handel, der Synode 1917, blz. 287). Toen bleek echter de meerderheid van de Synode (12 tegen 7 stemmen) niet met deze redeneering m^ee te gaan en de Synode verklaarde zich bevoegd(? ) een minimum-tractement vast te stellen.
Men waagde het maar !
Typeerend in deze zijn de woorden van den secretaris der Synode (dr. Bakhuizen van den Brink). Deze zeide: „En nu is dit voorstel wel iets nieuws, iets, dat men misschien een wat scherpen maatregel kan noemen. Maar de Synode moet in dezen noodstand eindelijk eens iets aandurven in het belang van de predikanten, van heel den predikantenstand, van de gemeenten en de Kerk.
De Synode van 1918 „durfde" echter niet. Wat in 1917 voorloopig aangenomen was, werd in 1918 niet definitief vastgesteld. (12 tegen 7 stemmen) zulks nadat prof. Aalders e.a. het voorstel weer bestreden hadden.
Toch heeft echter in 1920 de zaak haar beslag gekregen en toen in veel breederen vorm, waarbij ook gevraagd is naar den rechtsgrond, waarop ten antwoord werd gegeven : „de Commissie laat deze vraag in het midden." (Syn. Handel. 1920, bladz. 13). Merkwaardig waren ook toen — wij hebben er vroeger reeds op gewezen •— de woorden van den secretaris der Synode (altijd een man van grooten invloed in dat College !). Deze zei in de discussie niet meer of minder dan : „Dat men thans, door den nood gedrongen, hier geen scherp onderzoek naar den rechtsgrond heeft ingesteld, acht ik niet van groot gewicht. Welke rechtsgrond is er voor tal van maatregelen die de Overheid neemt en waaraan wij ons in het algemeen belang onderwerpen ? " (Handel. Syn. 1920, blz. 54).
De secretaris dacht zeker: er is geen rechtsgrond, laten wij er ook maar niet naar zoeken !
Maar 't is zooals prof. Slotemaker de Bruine toen zei : „Een daad waarvoor geen rechtszekerheid is, zou een coup de désespoir kunnen zijn."
De Synode mist het recht, dat zij zich nu — in samenwerking met de andere Besturen en de Classicale Vergaderingen — heeft aangematigd ; omdat dit niet behoort tot den kring van bevoegdheden, die in 1816 aan haar zijn opgedragen. Die bevoegdheden betroffen uitsluitend het bestuur, de zorg voor de geestelijke belangen, niet het beheer, de zorg voor de stoffelijke belangen. Had de Koning en zijn raadgevende Commissie aan de in 1816 willekeurig en wederrechtelijk ingestelde Synode wèl het beheer van en de zorg voor de stoffelijke belangen opgedragen, ja .......
Maar dat is nu eenmaal niet gebeurd..........
Waarmee tegelijk aangeroerd is de vraag : of het beheer op 't oogenblik zóó geregeld is, dat een Gereformeerd mensch zich daar warm voor maken kan. ?
Maar dat daar gelaten (hoewel 't bij principiëele bespreking niet van belang ontbloot is) de Synode heeft niet het recht om zich met deze dingen te bemoeien, ook al doet zij het in het belang van de predikanten en daarin in het belang van de Kerk, zooals zij. zegt.
Daarom moet door de gemeenten, in dit geval de Kerkvoogdijen (die voor ons niet zijn „de gemeenten!) bij de Synode worden aangeklopt met een protest-adres in den toon en in den geest van het Groninger-adres.
De gemeenten moeten dan tegelijk de predikantstractementen èn de pensioeneering maar eens flink ter hand nemen. Waarbij wij onwillekeurig denken aan de woordien van prof. Van Apeldoorn, diè elk christen-mensch goed doen : „Hoe meer de gemeenten vrijwillig van haren overvloed geven voor den nood van hare zuster-gemeenten, hoe meer zij aan hare roeping zullen beantwoorden."
Wat prof. Van Apeldoorn verder adviseert : niet betalen aan dien Raad van Beheer, kunnen wij zóó maar niet overnemen. Die de kerkelijke machine kent zal in deze wel wat voorzichtig zijn. Te meer, als prof Van Apeldoorn zegt: ook de classicale quota niet betalen !
Dat doet men zoo opeens maar niet.
Maar dat neemt niet weg, dat heel gevoegelijk deze zaak door vele gemeenten saam principieel aan de orde kan worden gesteld, waarbij van allerlei richting wel blijken zal, dat men principiëele bezwaren heeft tegen hetgeen de Synode gedaan heeft inzake het reglement op de predikantstractementen. Ook is het misschien nu een mooie gelegenheid den Minister van Financiën — wij hebben nu een eerste klas man als zoodanig ! — in deze aangelegenheid te mengen. Omdat het immers zéér de vraag is, of de Synode (of het Classicaal Bestuur) het recht heeft de aanvrage van handopening niet door te zenden, als een gemeente niet voldaan heeft aan den eisch der Synode inzake betaling aan den Raad van Beheer.
En misschien was het dan tegelijk het moment te vragen om de ontwikkeling van de zilveren koorde, door uitkeering van het kapitaal aan de gemeenten, berekend naar een percentage van het Rijkstractement; maar dan niet aan de Kerkvoogden, maar aan een eigen fonds der gemeente, verband houdend met tractement en pastorie.
Zeker, dat is ingewikkeld en moeïlijk. En daarom moet er niet ruw achterheen getrokken worden ; en de leuze van „dan maar kapot" moet verre van ons blijven; maar niettemin kan er gelijk wij vroeger reeds hebben aangegevenen ook ter plaatse hebben verdedigd, gehandeld worden.
Iets over opvoeding en onderwijs.
Wij leven in een tijd, dat er over opvoedkunde nog al gesproken en geschreven wordt. Dat is ook noodig.
Want ten opzichte van de opvoeding van onze kinderen hebben we behoefte aan nieuwe en betere dingen dan we hebben gehad en nog hebben. Vooral ook voor onze scholen, waaraan we onze kinderen zooveel jaren in goed vertrouwen overgeven, is noodig dat men zich op nieuwe dingen bezint. Maar dan nieuwe dingen, die beter zijn dan de oude. Want het is ons niet allereerst om iets .nieuws te doen (slordige menschen gebruiken veel meer nieuwe dingen dan zuinige menschen !) maar om iets beters, 't Moet ons, wat de opvoeding en het onderwijs van onze kinderen betreft, zelfs om het beste te doen zijn ; want het beste is nog niet goed genoeg voor onze kinderen.
Nu gaan wij géén christelijke paedaogiek of opvoedkundig systeem schrijven. We zullen wel wijzer zijn. Dat laten we gaarne aan anderen over. Wat zou men aan ons broddelwerk hebben ? Niets !
Maar wat anderen ons niet meer behoeven te leeren en wat wij als onze heiligste overtuiging gaarne aan anderen voorleggen, is dit: niemand kan een ander fundament leggen, dan hetgeen gelegd is, hetwelk is Jezus Christus. (1 Cor. 3 vers 11).
Dat geldt ook voor het opvoedkundig systeem, dat we moeten hebben ten opzichte van onze kinderen en dus ook ten opzichte van de school, waar onze kinderen zooveel jaren — en waarlijk niet de minst mooie jaren, waarin ook zoo véél voor de toekomst beslist wordt — vertoeven.
Wij moeten allen voor onze kinderen daarom christelijke scholen hebben, waar Christus, onze Heiland, in alles en bij alles gekend en geprezen wordt als het eenige, rotsvaste, onwankelbare, veilige, ware, goede, schoone fundament. En op dat fundament moet dan in onderwijs en opvoeding voor onze kinderen alles opgetrokken worden, opdat mee door onze christelijke wijze van opvoeden en onderwijzen onze kinderen tot alle goed werk volmaaktelijk toegerust worden. (2 Tim. 3 vers 17).
Voor ons is het dan ook geen vraag meer, of wij moeten hebben de openbare neutrale school, of de bijzondere, christelijke school.
Wij willen gaarne leeren van paedagogen als Stanley, Foerster, Kerschen, Steiner, Hall, Montessori, enz., ook willen wij praten met ouders, schoolopzieners, Burgemeester en Wethouders — maar voor ons staat onomstootelijk vast: een christen begeert voor zijn gedoopte kinderen geen Overheidsschool, maar een school die van de ouders uitgaat ; en, wat van nog veel grooter beteekenis is : een christen begeert voor zijn gedoopte kinderen geen neutrale, maar een christelijke school.
Wij moeten scholen hebben, waar naar een bepaald systeem wordt opgevoed en onderwezen. En dat systeem moet Gods Woord tot grondslag hebben, doorademd zijnde van den Geest Gods.
Daarom onze Scholen met den Bijbel. Mits men dat goed verstaat. Want het moeten maar geen scholen zijn met een Bijbel; maar scholen, die ingericht zijn naar uitwijzen van onzen Bijbel en vervuld met den Geest, die uit den Bijbel spreekt.
Waarom zouden wij de gruwelijke, brutale dwaasheid begaan om den Bijbel uit onze scholen, waar onze kinderen zooveel jaren; opgevoed en onderwezen worden, te bannen ?
Of waarom zouden wij de fout begaan en verdedigen, onzen Bijbel naast het onderwijs te leggen en buiten het onderwijs te houden ?
Men laat .de kinderen tusschen de lessen wel eens een paar minuten gymnastische bewegingen maken met de armen, opdat het bloed weer eens op andere wijze in beweging komt en de rug en de armen, ja, gansch het lichaam weer eens in andere houding komt, wat voor de gezondheid bevorderlijk wordt geacht, maar waarom zou men de richting des geestes en de gedachten des harten bij alle onderwijs niet zetten in de richting naar Boven, waar wij van nature altijd naar beneden staren ? Moet geschiedenis, aardrijkskunde enz. niet gezet worden in den toon van Ps. 8 : „O HEERE, onze Heere, hoe heerlijk is Uw naam op de gansche aarde ; Gij, die Uwe majesiteit gesteld hebt boven de hemelen !"
De mensch van nature trekt de dingen zoo gaarne in een ander licht; prijst daarbij zoo gaarne het schepsel en trekt daarbij een cirkel, die beneden blijft; Zouden wij, die andere dingen geleerd hebben, het dan niet anders moeten doen, instemmend met 't woord des dichters : „Uit den mond der kinderkens en der zuigelingen hebt Gij sterkte gegrondvest, om Uwer tegen-partijen wille, om dien vijand en wraakgierige te doen ophouden." (Ps. 8 : 3).
Men kan dan ook lang of men kan kort praten, maar een christen, die zich iets bewust is van de heerlijke, rijke christelijke levens-en wereldbeschouwing, die prutst niet langer met Overheidsscholen en met neutrale scholen, maar die staat er naar, om christelijke scholen te krijigen, waar de ouders in goede samenwerking met de onderwijzers, hun kinderen laten en helpen onderwijzen naar den Woorde Gods.
Waarom zouden wij ons armer houden dan wij zijn ?
Hebben wij, christenen, niet een paedagogiek, die veel rijker inhoud heeft dan de opvoedkunde dergenen, die van geen bijbelsche-, christelijke levens-en wereldbeschouwing weten ?
En als wij ons daar eenigermate van bewust zijn, dan hebben wij er ook wat voor over ! Dan gaan wij Scholen met den Bijbel bouwen en dan gaan wij ons ernstig toeleggen, om die scholen te maken tot echt-christelijke scholen, waar met de beste leermiddelen door mannen en vrouwen onze kinderen zóó worden onderwezen, dat zij toegerust worden om God te prijzen en Hem te dienen naar Zijn Woord ; om alzóó in de vreeze Gods te wandelen straks, dat de eere des Heeren wordt gezocht en voor het tijdelijk en eeuwig leven het ééne noodige niet ontbreekt.
Onlangs lazen wij een woord van Luther, uit zijn „tafelgesprekken" genomen. Dat luidde aldus : „Als wij in den hemel zullen zijn, dan zullen wij onszelf verachten en zeggen : Foei, dat je, nu de heerlijkheid zoo groot is, niet getrooster, flinker, sterker en blijder bent geweest op aarde, om Christus te gelooven en allerlei ongeluk, kruis en vervolging te lijden."
Wij onderschrijven dat woord van den grooten hervormer !
Laten wij ons schamen, dat wij voor de zaak van Gods Koninkrijk, ook voor het onderwijs van onze kinderen, dat naar Gods Woord geschieden moet, dikwijls zoo weinig voelen. Ja laten wij ons schamen, dat wij drkwijis er zoo weinig voor over hebben ; dat wij er zoo weinig smaadheid en vervolging voor verdragen willen ; dat wij niet blijder, breeder, krachtiger, eenstemmiger voor dat christelijk onderwijs optrekken, om overal te krijgen scholen, waar opvoeding en onderwijs geschieden naar een veel hooger en heerlijker opvoedings- en onderwijssysteem dan de wereld kent.
God geve het meerderen van de ouders in het hart, om christelijk onderwijs te vragen voor hunne kinderen, die gedoopt zijn nadat .de ouders beloofd hadden, dat zij deze kleinen, grooter geworden zijnde, zouden onderwijizen en doen onderwijzen naar Gods Woord.
En God geve het den onderwijzers in het harte, om aan die kinderen 't beste te geven, dat er te geven is ; wat men zelf verkrijgen moet op de knieën en wat zoo heerlijk met blijden mond mag en kan verteld worden in onze Scholen met den Bijbel.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 februari 1924
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 februari 1924
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's