De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Verschoppelingen

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Verschoppelingen

Feuilleton.

6 minuten leestijd

EEN OORSPRONKELIJK VERHAAL DAT AANVANGT ONGEVEER 1870

In zijn smartgevoel over de leegheid zijns harten, over 't verwijderd zijn van zijn God en zijn heil wenschte hij zich terug naar de hei en naar zijn schapen. Alsof God daar meer ware dan overal elders I Maar nu wist hij 't beter. Indien hij met zijn kudde had gedaan, waartoe hij met de studie was gekomen, dan zou de hei de tempel en de kudde daarin zijn god zijn geweest. Dan zou hij reeds in de hei den levenden, waarachtigen God hebben verloren.
Nu wist hij 't beter. De studie zou zijn kudde zijn, en hij zou daarover als een herder waken : hij zou de schapen, maar de schapen zouden niet hem regeeren.
Ja, nu merkten ze 't allen wel, zijn vader en zijn huisgenooten, dat Paul na Wüstings dood anders was geworden : warmer, teerder, ootmoediger, kleiner, kinderlijker, gelooviger. 't Herdertje van Winnewoud kwam in hem terug. Had gaandeweg de liefde tot Paul plaats gemaakt voor hoogachting, nu trad weer de liefde op den voorgrond.
Zelfs Marie merkte 't zelfde in den langen brief, dien hij haar had geschreven, en 't verblijdde haar zóó, dat ze, toen ze zelf den brief nog maar voor 't eerst las — want daarna las ze 'm altijd de freule voor — nu en dan zei :
„Hoor toch eens freule ! 't herdertje van Winnewoud leeft weer !"
Ja, hij leefde weer, want hij was in zich zelf weer de verschoppeling, die zijn klompen nog niet zijn eigen mocht noemen, maar — in zijn God den koning te rijk was.
Eer de cursus ten einde was, had een voornaam bouwkundige aan mijnheer Diedriks gevraagd om den schrandersten zijner leerlingen. En Paul Dilleman was — na rijp overleg met Hillebrand, zijn vader en Stevelaar, getrokken naar de groote stad, ver, ver van huis.
Uit de hei naar de groote stad !
En nog wat ! Tot nu toe had Paul maar moeilijk kunnen rondkomen met alleen wat hij in 't zomerhalfjaar verdiende. De kuiper en zijn vrouw hadden 't eerst niet willen hebben, drie gulden kostgeld in de week, 't was hun te veel ! Maar Paul had staande gehouden, dat het te weinig was en zoo hadden z'er eindelijk in bewilligd. Hier, in de groote stad, zou hij vijftig gulden in de maand hebben I Vijftig gulden — voor eerst ! Om te beginnen I
Zijn nieuwe meester had een kosthuis voor hem gezocht voor dertig gulden in de maand. Hij vond het wel meer dan de helft te veel voor een verschoppeling als hij ; dertig gulden ! dat zou ; hij eens aan zijn vader, aan Hillebrand en aan Marie schrijven I Dertig gulden in de maand vereten en verslapen — nu ja, 't was een mooie kamer, zoo mooi als die van neen aan Clara wilde hij niet denken — foei ! dat hij dat raam uit zijn zinnen niet kon zetten •— — maar hij hield dan toch nog twintig gulden in de maand over. Twintig gulden over — dat was in een jaar twee honderd èn veertig gulden ! Wat moest hij met al dat geld doen !
't Ging best bij den nieuwen meester. Paul merkte, ondervond, dat hij gewaardeerd werd. Den derden dag van zijn nieuwe verblijf zat hij 's avonds voor zijn bed te huilen, zoo was hij aangedaan over de goedheid, waarmee God hem, den verschoppeling,
overlaadde.
Den eersten Zaterdagavond nam hij 't er eens van, om de stad, de winkels en de drukte te bezien.
De stakkerd ! Ieder groot winkelraam was voor hem als een sluis, waardoor het licht naar buiten stroomde en als schuim spatte over de krioelende menschenmenigte, voor hém allen dames en heeren. En 't herdertje van Winnewoud dobberde daar tusschen door als een weggewaaid blad op den golvenden stroom.
Toen hij nu weer voor zijn bed zat, tuimelde, buitelde en dwarrelde in hem en voor zijn gesloten oogen alles door elkander zóó wild en onzinnig, dat hij luidop zuchtte :
„Heere ! daar zou een mensch zijn ziel vergeten en verliezen !"
Die vrees bleef hem steeds bij in de groote stad, en die vrees maakte hem sterk.
Toen hij den anderen morgen — voor 't eerst hier — met de menschen mee de kerk instroomde, — toen hij onder de groote schare neerzat zooals een brokje afval ligt tusschen een grooten hoop puin, — toen hij bij 't uitgaan zich voelde naar buiten gewrongen en hij, door niemand gadegeslagen als een droppeltje uit een waterspuit wegspritste — toen zuchtte 't stil in hem :
„Och Heere ! zelfs daar zou men z'n ziel verliezen !"
„Er was veel in de stad, waarmee hij van lieverlede — neen, verzoend raakte niet — maar waarvan de ergernis voor hem verzwakte. Doch van 't kerkelijk leven in de stad begon hij hoe langer hoe meer te gruwen, omdat hij zijn eigen geestelijk leven te midden van zooveel geestelijke armoede en zooveel enkel vormelijk vertoon voelde kwijnen.
Toen Hillebrand hem eens per brief vroeg, hoe 't kerkelijk leven in zoo'n stad was, schreef hij onder anderen terug :
„Als ik de twaalf artikelen des geloofs hoor voorlezen en ik even mijn gedachten bepaal bij de woorden : Ik geloof één heilige, algemeene Christelijke kerk, dan heeft voor mij alleen maar beteekenis het woordje algemeene, alsof er enkel maar gelezen —• of beleden — wordt : Ik geloof 'n algemeene kerk. Nu heeft dat woord algemeen voor mij een beteekenis — dat heeft altijd zoo in mijn hersenen of in mijn ziel gezeten — van — ja, laat ik het maar eerlijk zeggen — ik weet wel dat ge er mij om uitlacht — maar algemeen beteekenf voor mij altijd zoo iets als romme1. Ik denk soms : als ik hier de twaalf artikelen moest voorlezen, dan sloeg ik dat van de kerk maar over. — Och baas Hille­brand ! wat denk ik veel, met het oog op 't kerkelijk leven, aan mijn lieve Winnewoud als aan het Paradijs. Ik hoop toch zoo, dat er daar geen engel met een vlammend zwaard staat, om er mij voor heel mijn leven buiten te houden. Ik voel me nu zwervend en dolend over de aarde. „Niemand zorgde voor mijn ziel", staat er ergens in Gods Woord : ik denk daar veel aan, want hier in de stad weet ik niemand, die eenig belang in mijn geestelijk welzijn stelt. Nu ik het stadsleven begin te kennen, begrijp ik zoo goed, waarom God het bouwen van de groote stad Babel verhinderde. Hoe grooter stad, hoe boozer er de Duivel is. Zorgt ook God voor de ossen? Maar om onzentwille, om de kerk, heeft God de Babelbouwers verstrooid. Opdat degenen, die de Toekomende Stad zoeken, de groote steden zouden vlieden. — O, hoe verlang ik naar mijn Winnewoud en naar u allen terug.

(Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 februari 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Verschoppelingen

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 februari 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's