De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Verschoppelingen

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Verschoppelingen

Feuilleton.

7 minuten leestijd

EEN OORSPRONKELIJK VERHAAL DAT AANVANGT ONGEVEER 1870

Later schreven een paar zoons van Hillebrand aan Paul, dat ze gaarne in de groote stad zouden wonen ; en hij antwoordde ze onder anderen terug :
„Heb je de rust van je ziel lief, kom dan nooit naar een groote stad ; heb je aardsche rust en aardsch genot lief, wil je werkelijk rustig, veel van 't leven genieten, blijf dan vooral waar je bent. Zoek je eer of roem, dan in elk geval moet je niet in een groote stad zijn. In Winnewoud wonen enkel mannen van naam : de dominee, de meesters, de barbiers, de schoenmakers, de voddenkoopman ; iedereen is er iemand ; maar hier is niemand iets. Zelfs den burgemeester groet men niet, omdat men hem niet kent. Ieder mensch is hier een druppel in een woelige draaikolk. Nu ja, ieder heeft eenige vrienden, maar al de anderen bestaan voor hem niet anders dan als de straatsteenen, waarover, en als de huizen, waarlangs hij loopt. Alle dagen rijden de lijkkoetsen en trouwrijtuigen door de straten ; maar nooit vraagt er iemand, wie daar naar 't graf gebracht wordt, of wie daar ten huwelijk draven, of 't moet iemand uit de buurt zijn. Ik vond het gezelliger bij mijn redelooze schapen dan hier in 't flikkerflakkeren van de altijd gejaagd doende stadsmenschen.
Je wordt er zoo moe en draaierig van, als wanneer je een poos van uit je kamer naar de vallende sneeuwvlokken ziet. — Werkelijk, doe het niet, terwille van je geluk niet, kom niet naar hier ; maar bid met mij, dat ik naar jullui mag terug keeren. Ik verlang zoo !"
Aan Marie schreef hij onder meer :
„Zonderling ! toen ik herder was, droomde ik nooit van mijn schapen ; maar altijd van Koen en Hilda. En nu ik hier ben, droom ik 's nachts altijd van de hei en van de schapen. Dan komt er een kreupele naar mij toe, als om mij te vragen, dat ik haar poot eens zal bekijken en genezen ; en een ander duwt den kop tegen mijn hand om gekrabbeld te worden. Vaak loop ik dan te breien achter mijn goede dieren ; maar 'k laat altijd steken vallen, of ook wel glijdt er een naald uit, die ik dan niet terug kan vinden. Soms raakt een schaap verward in mijn garen, loopt weg en mijn heele kluwen windt af; en terwijl ik tevergeefs naar den draad grijp, verstrooit zich de kudde. Ik toeter dan op een hoorn, maar er komt geen geluid uit ; ik roep naar Sam, en als de trouwe hond voor mij staat, is 't een mensch, die zijn pet afneemt en tot mij zegt: baas ! neem mij niet kwalijk, maar ik ben al drie jaar dood. Het dier doet dan zoo naar, en de schapen loopen zóó dwaas naar alle kanten heen, dat ik van radeloosheid wakker word. En als ik goed wakker ben, spijt het me, dat het een droom was ; want ik voelde mij toch gelukkig bij mijn scha­pen. Ik doe dan weer mijn best, om in slaap te geraken, in de hoop, dat ik weer van Winnewoud en Delberg zal droomen ; want dat is mij zoo zoet. God heeft mij hier in de groote stad gebracht ; maar ik hoop en bid, dat Hij mij eerlang weer naar mijn lieve menschen en naar mijn lieve land terug brengt. Want, Marie ! in mijn kamer is God ; dat weet ik, en daarom ben ik daar het liefst. Maar in de straten, onder al die door elkander mierende menschen is 't, of er geen God is : mijn ziel wordt daar zoo koud. En in de kerk — is 't vol hoeden en kleeren en manieren. Toch, als ik in een verborgen hoekje, met mijn oogen toe zit, is God daar ook. Want om hier God te zien, moet men de oogen toe doen, of over de menschen en de dingen heenzien."
Eens werd, in de kerk, zijn aandacht bijzonder getroffen door een —• meisje, een net eenvoudig gekleede dame en met een eenvoudigen hoed op. Haar gelaat kon hij slechts gedeeltelijk ter zijde zien, en toch viel het hem zwaar, het oog van haar af te houden. Hij voelde zich hoe langer hoe meer tot haar aangetrokken en schrok op, toen hij er aan dacht, dat men misschien hem bespiedde. Uit de kerk zocht zijn oog naar alle kanten, maar vond haar nergens.
Den heelen dag dacht hij aan de belangwekkende dame, en zoodra zat hij 's avonds niet op zijn plaats in de kerk, of zijn oog begon weer te zoeken ; doch zij scheen er niet te zijn.
Hij trachtte er zich rekenschap van te geven, waarom die dame hem zoo aantrok.
Haar hoed wekte geen ergernis : daardoor onderscheidde ze zich van de meeste dames, en ze gaf daardoor onwillekeurig den indruk, dat ze wezenlijk schoonheidsgevoel bezat en kordaatheid, om niet mee te doen met de damesmassa, die alle schoonheidsgevoel scheen te missen en daarom van zielloosheid niet beter wist te doen, dan zulk een wangedrocht op het hoofd te zetten als de Beêlzebul der mode haar beval. Dat was ook een bewijs van haar zelfbeheersching en matigheid.
Wie geen matigheid kende in de mode, had even weinig zedelijke kracht als de dronkaard.
Haar kleed sprak ook van degelijkheid en van onvervalscht schoonheidsgevoel : 't was bijzonder mooi juist door de soberheid: de sohoone vrouwelijke gestalte kwam er zoo natuurlijk bevallig in uit. Men behoefde bij haar niet te vragen, of dat kleed een man of een vrouw, een marmotje of een aap, of een doorgezaagden telegraafpaal tooide ; een kind zelfs kon zien, dat het een vrouw was.
Wonderlijk bekoorde hem die uiterlijke gestalte. Haar gelaat had hij niet gezien, maar hij dacht het zich geheel in overeenstemming met haar wezenlijk schoonen tooi. En langzamerhand zag hij — in zijn verbeelding — zóó duidelijk het gelaat der dame, dat, indien hij hiervan alle dagen een nieuwe teekening had gemaakt, ze alle op elkander zouden gelijken.
Zondag zou hij haar misschien weer zien.
En ja, ze was in den morgendienst. Weer zat ze zóó, dat hij haar meer van achteren dan van voren zag. Nu zou hij bij 't uitgaan ongemerkt haar gang volgen ; dan kon hij een volgenden keer haar in de flank loopen en misschien in 't gelaat zien.
Jammer ! 's avonds was ze er weer niet.
En weer verlustigde hij de geheele week zich in zijn gefantaseerde schoone, en gluurde door de geïdealiseerde wezenstrekken in haar ziel, wel standvastig, maar zacht; iet wat forsch in den vorm, maar toch zoo teer gevoelig, wel overwegend verstandig, maar toch zoo ingoed ; wel een weinig bleu, maar toch zich zoo hartelijk gevend, en in alles een beslist geloovige Christin. Zoó een vrouw zou zijn vrouw kunnen zijn. En als ze dan eens niet een stadsdame was! Iemand van buiten ! Zij was beslist geen stadsche !
Hij droomde 's nachts nog wel niet van haar ; maar overdag — was ze altijd naast hem of stond ze vóór hem, en ze babbelden en redeneerden met elkander zóó vrij en zóó oprecht, alsof ze van hun jeugd buurkinderen waren geweest van gelijken stand en geloof en die altijd veel van elkander hadden gehouden.
Zondag ! Ja, ze was weer op haar plaats. Waarom ze er 's avonds nooit was? Misschien stelde ze dan een ander in de gelegenheid, om ook ééns naar de kerk te gaan.

(Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 februari 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Verschoppelingen

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 februari 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's