Stichtelijke overdenking.
Wijd of eng, breed of nauw.
Gaatin door de enge poort, want wijd is de poort, en breed is de weg, die tot het verderf leidt, en velen zijn er, die door dezelve ingaan; Want de poort is eng, en de weg is nauw die tot het leven leidt, en weinigen zijn er die denzelven vinden. Mattheius 7 vers 13 en 14.
I
Niet zoo heel ver van de plaats, waar Lek en Noord tezamen vloeien, ligt het plaatsje Middelweg. Telkens als uw boot dat plaatsje aandoet, wordt ge onwillekeurig herinnerd aan de woorden uit Mattheus 7. Nu wonen er in dat dorpje maar weinig menschen, doch in geestelijk opzicht is er misschien geen stad zoo dicht bevolkt als „Middelweg". Daar woont de kleurlooze middenstof, de menschen van „noch rechts noch links", de lauwen van Laodioea, de besluitloozen, degenen, die God en de wereld de hand reiken. Dit slag van menschen spreekt dan liefst van „den gulden miiddelweg." Maar als nu uw boot weer ligt aan den steiger te Middelweg, dan dringt zich de waarheid van de hier boven geplaatste Schriftwoorden weer aan u op. Maar twee wegen, maar twee poorten. Nu is de poort, afgezien van wijd of eng, het beeld van beslissing. De poort is het eerste. Niemand kan dus welbewust den breeden of smallen weg bewandelen zonder een keuze te hebben gedaan. Duidelijk is zulks zichtbaar op die bekende plaat van den breeden en smallen weg. Daar staat een handwijzer, die naar rechts en links wijst. Daar staan menschen, die een keuze moeten doen, zooals alle menschen, die tot jaren des onderscheids komen, een besliste keuze moeten doen. Gods Woord plaatst den mensch voor die keuze. ledere prediking, iedere bijzondere gebeurtenis in zijn leven, iedere sprake der consciëntie roept hem toe : Doe een keuze, rechts of links ; wijd of eng, breed of nauw ; geen middelweg. Hoe menigmaal hebt gij reeds gestaan voor die keuze ! En naar welke zijde viel uwe beslissing ?
De eene poort is wijd. Dat wijde wijst op een gemakkelijke beslissing. Door een wijde poort gaat ge van zelf. Alles kan er door. Daar kan door de zondaar met zijn lusten, begeerten en ongerechtigheden. Niets van het genot der wereld en de lusten des vleesches behoeft buiten die wijde poort te blijven. Daar kan ook door de Parizeer met zijn eigengerechtigheid. Een vroom mensch, zonder Christus. Door die wijde poort kan ieder, van welke richting hij ook is. In dat opzicht is die poort even wijd als de poort onzer Hervormde Kerk. Ethisch en Confessioneel, Vrijzinnig en Gereformeerd, alles is welkom. Van uit iedere richting dus. Een enge poort moet men recht voor staan. Maar de wijde poort is zoo wijd, dat ge er in kunt, onverschillig van welke richting ge komt.
Gemakkelijk dus, omdat de poort zoo wijd is.
Gemakkelijk, omdat de mensch geboren wordt met een natuur, die vanzelf die wijde poort kiest. Ja, de natuurlijke mensch kiest den dood boven het leven. Hij is een vijand van zijn eigen zaligheid. En dat geldt niet alleen den werelddienaar, maar óok den vromen, gereformeerden mensch, die met alles wil zalig worden, maar zonder de gerechtigheid van Christus. Want gereformeerd zijn in belijden en beschouwen is nog iets anders dan gereformeerd zijn in beleven. Alleen de laatsten kiezen de enge poort.
Wat is de enge poort ? Dat is een niet gemakkelijke beslissing. Op de reeds genoemde plaat ziet ge dan ook hoe enkele menschen staan dralen. Ze zijn blijkbaar besluiteloos. Kunnen niet tot een besliste keuze komen. Ze zien op dien breeden weg zooveel dat aantrekt. Ze moeten zooveel vaarwel zeggen als ze die enge poort doorgaan. Ze moeten vrienden verliezen, ja, meer zelfs vader en moeder, vrouw en kinderen, ja, eigen leven haten. Kiezen kan zoo moeilijk zijn. Niet als het onbeteekenenide dingen betreft, maar als 't gaat over zaken van groote beteekenis. Als ge een middelweg wilt en er is er geen. Als het gaat om hemel of hel. God of duivel. O, dan zijn er wat dralers, die een middelweg willen bewandelen. Niet zoo grof, maar óok niet zoo fijn. Gereformeerd met het hoofd, maar niet met het hart. Reformeeren van buiten, maar niet van binnen. Hinken op twee gedachten. Nu eens de wereld ontvlieden, dan weer met haar meegaan.
Maar nu de onverbiddelijke eisch des Heeren : „Kiest u heden, wien gij dienen wilt."
Een moeilijke keuze. Een onmogelijke keuze voor den natuurlijken mensch; want de poort is eng.
Dat is de poort voor de weeën eener nieuwe geboorte. Die poort is zoo eng, dat er niets door kan. Daarom leert de mensch daar alles verliezen. Daar laat hij niet alleen achter de wereld en hare begeerlijkheid, de zonde en de ongerechtigheid, maar ook alle gerechtigheid wordt een wegwerpelijk kleed. De Heere ontdekt den mensch, ontneemt hem allen valschen grond van eigen vroomheid, daagt hem voor Zijn Goddelijke vierschaar, opdat hij onder Gods recht zal buigen. Voor die poort verliest hij niet alleen zijn goederen en akkers, vrouw en kinderen, maar ook zijn eigen leven.
Dat leven, dat hij wilde behouden met zijn tranen en gebeden, met zijn berouw en bekeering, kortom met heel zijn ervaringsschat. Want zoo dwaas is de mensch, dat hij van zijn bevinding een grond maakt, daarop rusten gaat, maar op deze wijze eeuwig omkomt vóór de enge poort. Afgezien nog van 't groote zelfbedrog dat den mensch kan, misleiden in al zine zielsgestalten, kom en mag er alleen gebouwd worden op de gerechtigheid van Christus. Zonder de kennis van Christus, zonder een dadelijke vereeniging met Hem door het geloof komt de mensch om, hoeveel grondjes hij ook gezocht hebbe in zijn gestalten. Alle waar werk des Heiligen Geestes eindigt in den persoon van Christus.
Dat is het kenmerk van genade. Alle andere kenmerken zijn van geen waarde zonder dit ééne. „Wie in den Zoon gelooft, heeft het eeuwige leven." Dit is mede het droeve van onzen tijd, dat er onder ons leeft een Christendom zonder Christus. Een Christendom, dat spreekt over allerlei zielsgestalten zonder Christus, en zijn zaligheid grondt op tranen en berouw. Een Christendom, dat nooit
ging dóór de enge poort. Want door de enge poort komt ge niet als een uitgekleed en naakt mensch, maar alleen als ge eerst ontkleed, bekleed zijt geworden met de gerechtigheid van Christus.
Dat is zeer zeker eng. Maar Jezus heeft het ook niet anders gezegd. Maar te eng is het niet. Want die poort is niet gegrendeld. Niet eens met een deur voorzien. Zij staat wijd open, is voor ieder toegankelijk. De Heere staat Zelf bij die poort en roept het heel de wereld toe : „Wendt u naar Mij toe, wordt behouden, alle gij einden der aarde ! want Ik ben God, en niemand meer."
Die poort is zoo ruim van Gods zijde. Zoo eng van 's menschen zijde. Maar ze wordt ruim, ook voor den mensoh, zoodra die mensch waarlijk ontdekt is aan zijn schuld en verlorenheid en het doemvonnis aanvaardt uit liefde tot Gods recht.
Een enge poort met het oog op den mensch, een ruime poort met het oog op Christus.
Die weg moet door u worden bewandeld. Jezus zegt : „Gaat in door de enge poort."
Indien ge niet zijt ingegaan, bedenkt, dat er geen middelweg is, en dat de wijde poort een poort des doods is. Dralen is hoogst gevaarlijk en leidt eveneens ten verderve. Rusten buiten Christus is buiten de poort blijven, en doet eeuwig omkomen.
Als ge Hem dan nog niet bezit, zij het uwe bede : „Ontdek mijne oogen, opdat ik aanschouwe de wonderen uwer wet." Welgelukzalig het volk, dat Christus vond als de poort. Zij kunnen zingen : „Dit is, dit is de poort des Heeren, enz."
Achter die poorten nu ligt een weg. Een breede en een nauwe weg. De poort is het bewuste begin, de keuze, de beslissing. De weg is het gevolg daarvan, de levenswandel. Nu is de eene weg, die achter de wijde poort ligt, breed en ruim. Hij is gemakkelijk te bewandelen. Daar kan de mensch een levenswandel leiden volkomen naarhet goeddunken van zijn hart. Wel is die levenswandel meestal ingeperkt door fatsoen en heeft de Heere in Zijn gemeene gratie den mensch teugels aangelegd, maar niet zelden komt het, vooral in onzen tijd, tot een schier geheel uitleven van wat er in de verdorven natuur schuilt. Op dien weg is ruimte voor iederen lust, voor alle hartstochten. Daar is geen enkele goddeloosheid verboden, daar kan de mensch ongestoord zijn gang gaan.
Daar is plaats ook voor meer verfijnde goddeloosheid. Zeker heeft Jezus ook gedacht aan den vromen Parizeer. Immers de duivel gunt den mensch zijn vroomheid wel, als hij maar op den breeden weg blijft. Die breede weg is dan ook niet alleen een weg van openbare goddeloosheid. Ge vindt er ook kerken, liefdadigheidsinstellingen, z. g. n. christelijke barmhartigheid.
Op dien breeden weg is plaats voor allerlei inbeelding. De duivel vindt het best als ge u inbeeldt dat ge den hemel ingaat op grond dat ge vrome ouders hadt, of op grond van uw opvoeding, vrome gebruiken, lange gebeden, vroom gepraat, uiterlijke godsdienstigen wandel. Hij vindt het best als ge rustig neerzit omdat ge wel eens getroffen zijt door een preek, sommige zonden haat, tranen schreit om de gevolgen der zonde, achting hebt voor Gods volk. Want Satan weet beter dan gij of ge u bedriegt voor de eeuwigheid of niet. Een breede weg dus, waarop voor alles plaats is, behalve voor Christus Zelf en een waar kind van God.
En nu die andere weg. Dat is een nauwe weg. D.w.z. nauw bepaald, of bekneld. Een weg, ingesloten soms door hooge rotsen, dan weer kronkelend langs diepe afgronden. En vaak een smal pad.
Gevaarlijk, denkt ge ? O neen, geen veiliger weg. Steeds gaat een gids mee. En de dwazen kunnen er niet op dwalen. Het lijkt wel gevaarlijk, en daarom is die weg voor de meeste menschen ook onaangenaam, maar dat is niets dan schijn.
Een veilige weg, maar een nauwe.
Nauw, wegens de nauwkeurige gehoorzaamheid die God vraagt. Niet om met die gehoorzaamheid iets te verdienen. Niet tot rechtvaardigmaking. Maar als heiligmaking. Nauw, omdat zulk een weg geen ruimte laat aan de natuurlijke begeerten en hartstochten. Zoo nauw, dat het vleesch er moet gekruisigd worden, anders kan men er niet door. Nauw om de vele angstige vragen en de aanvallen van den ouden Adam en Satan. Nauw om de diepe afgronden van verzoeking. Nauw om zoo menigen „betooverden grond", die den wandelaar tracht te verleiden. Nauw, omdat er niets van den mensch bij kan. Daar is alleen een begaanbaar pad voor den nieuwen mensch. En zeker, niet zonder moeilijkheden is die weg. „Veel wederwaardigheên, veel rampen zijn des vromen lot." „Duizend zorgen, duizend dooden, kwellen mijn angstvallig hart." En Asaf moest klagen : „Mijne straffing is er alle morgens." Maar daarna werpt dit alles van zich een vreedzame vrucht der gerechtigheid.
Een nauwe weg, maar een weg des levens. Enj zij, die er .op wandelen, begeeren geen anderen weg.
Welke weg is de uwé ?
De breede weg is een weg, die steeds nauwer wordt. Ten slotte zoo nauw, dat ge er voor eeuwig uw leven verliest. Zoo nauw, dat er geen plaats meer overblijft om te staan.
Maar de nauwe weg wordt steeds ruimer. Zoo ruim, tot hij tenslotte wordt een vlak veld en eindigt in de Stad met paarlen poorten.
En de wandelaars op dien nauwen weg, aangekomen voor die poorten, zullen het juichend uitgalmen :
„Ontsluit, ontsluit voor mijne schreden, Die poorten der gerechtigheid. Door deze zal ik binnen treden, En loven 's Heeren majesteit.
Gr.-A.
v. SCH.
(wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 februari 1924
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 februari 1924
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's