De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Verschoppelingen

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Verschoppelingen

Feuilleton.

6 minuten leestijd

EEN OORSPRONKELIJK VERHAAL DAT AANVANGT ONGEVEER 1870

HOOFDSTUK XXV.

Dat was toch echt Christelijk ; ware beoefening van de gemeenschap der heiligen ! Want er waren er toch immer, die altijd, Zondag en in de week, de zorg hadden voor zieken en zuigelingen, en dus nooit naar de kerk konden gaan, hoe gaarne ze dat ook wilden. Zóó hielpen de meisjes en vrouwen in Winnewoud elkander ; maar hier in de stad zorgde elk voor zich zelf. Behalve zij daar!
Opgepast ! De kerk ging uit : nu zou hij haar zien, en dan — naar haar onderzoeken.
Daar ging ze ! Stapje voor stapje met den voortslependen wringenden drom naderde hij haar. Maar pas op ! tegen haar aangedrongen worden wilde hij niet. Tegen houden ! Zoo ! Precies tusschen twee heerenhoeden heen zag hij haar — nu in 't wijde portaal vlak in haar gelaat !
En —
Plots voelde hij niets meer voor haar, dan hij voor een marmenbeeld zou gevoeld hebben.
Ze was veel schooner dan hij zich haar had gedacht, maar --------
Ja, maar--------
Wat was dat nu dan toch ? Hij peinsde, dacht, ; zinde, kneep de oogen toe en opende ze weer, schudde 't hoofd, stampte op den grond, en als de menschen naar hem keken — om dat stampen — deed hij of hij iets van zijn schoenen afroschte op den trottoirband. Maar in zijn huis — op zijn kamer — stampte hij nog eens, wierp zich in den .fauteuil, sprong weer op, liep de kamer op en neer, verzette een paar stoelen, deed de deur open en weer toe, zette de stoelen weer op hun plaats en — nog wist hij 't niet, wat dat nu geweest was. Waardoor kwam het toch, dat hij, zoodra hij de dame in 't gelaat had gezien, eigenlijk afkeer van haar gevoelde ? Wat was dat dan toch ?
Of God het hem toch wilde doen zien ! Weer begon hij zijn onbewuste manoeuvres.
Stil ! —
Die klomp daar! - Een verhavend, vuil boekje stak er uit ! — 't eerste leesboekje van — Marie Kooijker.
Ha ! dat was het! Die dame had wel de gestalte en het haar van Marie ; droeg wel eenzelfde kleed en hoed als Marie — maar 't was Marie niet! Dat had hij gezien, en daarom was plotseling die dame een gewoon mensch voor hem geworden.
Marie !
Zijn denken versmolt tot een bede voor Marie en freule Virginie.

HOOFDSTUK XXV.
Den anderen dag kwam er een brief van zijn vader. Of Paul nooit weer terug kwam? Of hij dan niet eens kon overkomen ! Hij verlangde toch zoo naar zijn jongen. Hij was wel erg blij, dat het hem zoo voorspoedig ging in de wereld, maar — dat ze nu elkander nooit zagen, was zoo pijnlijk voor 't hart.
Drie dagen daarna was er alwéér een brief : nu van Hillebrand. Ze waren allen zoo teleurgesteld, omdat Paul geschreven had, dat hij onmogelijk vooreerst eens thuis kon komen ; zelfs niet voor een paar dagen. Als er nog meer zulke tijdingen kwamen, zou Hillebrand eens naar de freule gaan om raad.
Daar moest Paul even om lachen. De freule zou er wat aan kunnen veranderen, dat mijnheer hem onmogelijk ook maar drie dagen zou kunnen missen vooreerst ! Ja, mijnheer zelf kon gemist worden, maar hij niet.
En zoowaar ! een week daarna kwam er een brief van Marie : Hillebrand zou dan werkelijk met freule Virginie gesproken hebben, en nu zou zij
„Och, die goede freule Virginie !" Ze kon bijna niet meer loopen. Dat schreef Marie. Allang was de freule sukkelende, en men had steeds gehoopt, dat het beter zou worden ; maar — nu wist Marie, dat ze van die kwaal nooit zou herstellen. Ze kon nog wel lang leven, maar 't loopen zou haar geheel onmogelijk worden. Omdat men op beterschap hoopte, had Marie er maar niet over geschreven. Nu kwam de tijding voor Paul zóó onverwacht, dat hij er zeer pijnlijk door werd geschokt. Marie schreef, dat ze — voor een korte wandeling — de freule in een wagentje reed. Alleen in huis liep ze nog een beetje, steunende op haar. Doorgaans voelde ze weinig pijn, en altijd was ze goedsmoeds, levende als een wier burgerschap in de hemelen is. Zoo blij als Marie was met een brief van Paul, zoo blij was er ook de freule mee, en Marie zond geen brief aan Paul, of eerst liet ze dien de freule lezen en gewoonlijk bleek dan, dat de schrijfster nog heel wat had vemeten, wat dan in een buitengewoon lang postscriptum hersteld werd.
Het P.S. in dezen brief bevatte een uitnoodiging van de freule zelf aan Paul, dat hij — als hij eens de zijnen in Winnewoud bezocht, beslist een paar dagen op 't slot zou doorbrengen, want de freule moest noodzakelijk met hem spreken.
Eindelijk kon Paul aan de zijnen schrijven, dat als de Heere het niet verhinderde, hij de beide laatste weken van 't jaar in Winnewoud zou doorbrengen.
Den langen tijd tot het uur van wederzien mat men eerst bij maanden, dan bij weken, eindelijk bij dagen. Lang van te voren werd, vooral in Winnewoud, de tijd van Pauls verblijf daar reeds verdeeld. Dat hij bij dè freule op 't slot ook moest logeeren, wist men reeds. En de oude Dilleman en de kuipersfamilie waren daar zóó mee in de wolken, dat ze Paul wel gaarne een volle week voor dat logies gunden. Ze schreven hem dan ook, maar zóó, dat Paul duidelijk daarin hun trots over hem bespeurde.
„Ach ! — zuchtte hij met een glimlach — de gelukkigen beseffen niet, dat elke promotie mij verder van mijn paradijs heeft verwijderd en mij steeds verder van hen verwijderen zal !"
Paul zag er erg tegen op, om op 't slot te logeeren, en toen hij Marie over zijn vacantie schreef, zweeg hij van het bezoek op 't slot. Marie kende hem en begreep heel goed, hoe zwaar het hem zou vallen, om het verzoek der freule in te willigen.
Ze sprak daar ook over met haar meesteres ; maar deze zeide :
„Hij móét hier komen I We zullen er dan wel wat op verzinnen !"
En of z'er wat op „verzonnen I" Een maand daarna ontving. Paul een brief waarvan het handschrift hem geheel onbekend was, en die gestempeld was te Berndijk.
Als hij niet van Marie en niet van freule Virginie was, van wie of wien kon hij dan wél zijn ? Hij was onderteekend door Mr. F. G. Terlingen Boss.
Daar dan ! Terlingen Boss was de burgemeester, buurman van de freule ; maar diens vóórietters waren J. L. G. 't Was dus geen brief van den burgemeester, maar van zijn zoon Ferdi !
Nu den inhoud gelezen ! De schrijver zou gaarne met den heer Dilleman eens spreken over een nieuw te bouwen villa in de nabijheid van den Viersprong bij Berndijk.

(Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 februari 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Verschoppelingen

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 februari 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's