Stichtelijke overdenking.
Wijd of eng, breed of nauw.
Gaat in door de enge poort, want wijd is de poort, en breed is de weg, die tot het verderf leidt, en velen zijn er, die door dezelve ingaan ; Want de poort is eng, en de weg is nauw. die tot het leven leidt, en weinigen zijn er die denzelven vinden: Mattheus 7 vers 13 en 14.
(Vervolg en slot).
In de dagen der mobilisatie waren op bijna alle wegen de landwijzers weggenomen. Dit leverde voor vele menschen groote moeilijkheden op en men liep dan ook gevaar den verkeerden weg in te slaan, somtijds meenende den goeden te hebben. Gelukkig staan ze er nu weer. maar wat zoudt ge wel zeggen, als iemand zulk een handwijzer voorbijliep, zonder er op te kijken en zóó den verkeerden weg insloeg? Dwaas, zegt ge. Stonden ze er niet, nu ja, maar als ze er staan, kijk er dan op.
Zoo dwaas zijt ge nu van nature met betrekking tot de dingen der eeuwigheid. Want de Heere heeft wegwijzers laten plaatsen in Zijn Woord. Hij doet dat in iedere prediking. Hij wijst den weg ten leven en den weg ten verderve. Maar de natuurlijke mensch kijkt niet naar die wegwijzers en zoo hij als leest, wat er op die wegwijzers staat, dringt het toch niet tot hem door. Alleen als God werkt wordt het anders. Dan moet hij er op letten, moet hij lezen, opdat hij een wandelaar worde op den nauwen weg. Zoo ontstaan dan ook twee soorten wandelaars, van wie wij er een enkele willen, gadeslaan.
Op den breeden weg wandelen er velen. De Heere Jezus zegt: „velen zijn er, die door dezelve ingaan."
Dat het er velen zijn, behoeft u niet te verwonderen. Allereerst is heel de natuur van den mensch aangelegd op dien breeden, ruimen, gemakkelijken weg. En in de tweede plaats is er niets, wat hem tegenhoudt. Er zijn geen douanen, die hem visiteeren. Er staan geen borden : verboden toegang. Neen, bij den duivel is ieder welkom en hij neemt zooveel mogelijk alle bezwaren uit den weg. Bovendien zagen we reeds, dat de poort zoo wijd is. Die poort behoeft niet gezocht. Daarom zegt Jezus : „velen, die door dezelve ingaan." Ook dat woord „ingaan" wijst op het gemakkelijke van deze dingen, en het gemak dient den mensch. Daarom staat hij niet met aandacht stil voor den wegwijzer om eerst eens na te denken. Daarom zijn de wandelaars op den breeden weg allereerst onversohilligen. Menschen, die de zonden indrinken en uitbreken in goddeloosheid. Menschen, idie nooit naar Qods huis omzien en van vijandschap tegen God en godsdienst blaken. Maar ge ontwaart op dien breeden weg ook andere wandelaars. Daar loopt er een heel stemmig en zedig. Knoop met dien wandelaar maar eens een gesprek aan en al spoedig bemerkt ge dat hij van al die goddeloosheid niets hebben moet. Hij toornt er tegen, verfoeit alle kermissen en wereldsche feesten. Ge krijgt waarlijk een goeden indruk van hem. Maar toch wandelaar op den breeden weg.
Doch zie, daar loopt weer een andere wandelaar. Bekijk hem eerst maar eens. Wat een strak en ernstig gezicht heeft hij. Ik zou bijna zeggen : „een gereformeerd gezicht."
Praat maar eens met hem en ge speurt dat hij goed thuis is in den Bijbel. Hij vermaant u zelfs. Ja, hij spreekt zelfs van bekeering en van dingen, die hij beweert ervaren te hebben. Hij vertelt u dat hij ook ten Avondmaal gaat. Hij heeft iets gesmaakt van de krachten der toekomende eeuw. Hij heeft, evenals Herodes, de Johannessen gaarne gehoord. Hij heeft berouw gehad over zijn zonden evenals een Farao en Judas. Hij heeft geweend en geschreid als een Ezau. Maar met dat al een wandelaar op den breeden weg, hoe sprekend hij lijken mag op een wandelaar op den nauwen weg.
En ziet ge daar dat groepje menschen staan ?
Zie eens goed. Aan hun kleeding te zien, lijken het wel diakenen, ouderlingen en zelfs predikanten ontwaart ge. Daar staan. menschen bij met gebedsgaven, redenaarsgaven, met Jehu's ijver. Daar staan ras-echte Calvinisten, die een lans durven en kunnen breken voor wat men noemt de aloude gereformeerde Waarheid.
Maar met dat al wandelaars op den breeden weg.
Het zijn er velen en velerlei. Heidenen en Joden, Mohammedanen en Christenen, Roomschen, Ethischen Vrijzinnigen en Gereformeerden;
Maar zie nu ook even naar den nauwen weg.
Jezus zegt: „weinigen zijn er, die denzelven vinden."
Weinigen. Is het wonder ? Zoo'n enge poort. Wel mocht Jezus spreken van „vinden." Zulk een poortje moet dus eerst gezocht. En in dat zoeken heeft de mensch geen zin. Maar wat gebeurt ? Daar komt er een bij den wegwijzer. Op den rechterarm staat : leven ; op den linkerarm : verderf.
Dat maakt indruk op hem. Het teekent zelfs op zijn gelaat af. Maar daar komt iemand naar hem toe.
Laten we eens luisteren naar hun gesprek.
Wel vriend, zoo zegt hij, gaat gij den rechter kant op ? Dat is anders maar een eng poortje, moeilijk te vinden en nog moeilijker om er door te komen. En op dat enge pad loopen maar weinig menschen. Het is daar zoowat een kluizenaarsleven.
Maar luister nu eens naar het treffende antwoord : Ach, vriend, dat wil ik juist. Dat alles trekt mij nu juist zoo bijzonder aan. Ik smeek en zucht lederen dag om dat enge poortje. Ik hoor over niets liever spreken dan over dat enge pad. En dan, ik kan maar niet vergeten, wat er op dien handwijzer staat. Alleen, dit kwelt mij, ik kan aan dat poortje maar niet komen en ik moet zelfs wel getuigen dat ik niet wil ook. Was ik maar niet zoo blind, en was mijn hart maar niet zoo hard.
Maar met dit alles is onze vriend nog maar niet door het poortje. Doch als 't Gods werk is, dan komt hij er straks door, want de Heere doet geen half wer'k. Er zijn er door gekomen, die van te voren zóó redeneerden.
En nu moet ge die wandelaars op den nauwen weg nog eens even bezien. Ze zijn zoo geheel anders, van heel anderen oorsprong. De „velen" zijn uit de aarde, de „weinigen" uit God geboren. Zoo komt het, dat ze voor die wandelaars op den breeden weg niet aantrekkelijk zijn. Zij zijn te streng, te hoekig. Ze zien overal kwaad in, willen met vele dingen niet mee doen. Ze zijn de spelbrekers en worden, als Elia, genoemd de beroerders Israels.
Geen wonder. Zie daar eens een wandelaar. Hij loopt niet, maar kruipt. Hij blijft zelfs liggen.
Luister eens. Zie, hij bidt : Heere, wat wilt Gij dat ik doen, zal.
Daar loopt er één met gebogen hoogd. Vraag eens : waarom ? Weet ge wat hij zegt ? „'k Ben vanwege al mijn zonden, die mij wonden, vol van kommer en verdriet." „Want mijn hoofd is als bedolven, in de golven van mijn ongerechtigheên."
En dan mijn hart, die vuile bron van al mijn wanbedrijven.
Bemerkt ge wel dat de inwendige verdorvenheid minstens zoo zwaar weegt als de zondige daad ? Ziet ge wel dat heel 't leven van den wandelaar op den smallen weg een leven is van strijd tegen iedere zonde?
En zij klagen zoo menigmaal met Paulus : Het goede, dat ik wil doe ik niet, maar het kwade dat ik niet wil, doe ik.
Daar loopen klagers, strijders, worstelaars.
Maar ook overwinnaars. Kijk, daar staat een groepje, dat klaagt niet. O, neen, hoor, zij zingen :
Komt luistert toe, gij Godgezinden ! Gij, die den Heer van harte vreest! Hoort. wat mij God deed ondervinden, Wat Hij gedaan heeft aan mijn geest.
Ja, daar wordt ook gejubeld :
De Heer' wild' op mijn kermen. Zich over mij ontfermen ; Hij heeft mijn stem verhoord.
Tot welke wandelaars behoort gij ?
Dat is een ernstige vraag. Daarom vragen we nog even uwe aandacht voor dien wegwijzer. Op den linkerarm staat: „die tot het verderf leidt." Inplaats van het woord „verderf", zouden we het woord „hel" kunnen nemen. Wel drukt dit woord voor velen een verouderd begrip uit, maar met „ het verderf" is toch niets anders bedoeld. Eigenlijk geeft dit woord te kennen, dat de mensch zijn doel en bestemming mist. En wat was zijn oorspronkelijke bestemming ? Te leven met God en voor God. Verderf wil dus zeggen dat de levensband, waarmede de mensch tot Adam eenmaal aan God verbonden was, is doorgesneden. Verderf, d.i. de dood. De geestelijke dood, de tijdelijke en eeuwige dood. De breede weg voert naar de eeuwige scheiding. Eeuwig buiten God. Lazarus zien in den schoot van Abraham. Smachten naar één druppel tot verkoeling der tong, maar een niet te overbruggen klove, die alle gemeenschap afsnijdt.
Dat is het eindpunt van den breeden weg.
Dat is het einde van alle wereldsch genot.
Dat is de bittere vrucht der zonde.
Dat is het slot van alle zucht naar geld en goed.
Dat is de laatste scène van het ontzettend drama eener van God vervreemde wereld.
Zulk een weg en zulk een einde kiest de mensch in natuurlijke dingen slechts hoogst zelden. Met betrekking tot de geestelijke dingen in zijn natuurstaat
Zoo diep ellendig is nu de mensch door zijn zonde. Zoo diep viel hij in zijn bondshoofd, door eigen schuld. En dat is ook uw toestand van nature. Drijve het u nog naar den Heere.
En let nu ook op den rechterarm : „die tot het leven leidt." Het leven, d.i. de hemel of liever het hemelleven. Wijst de hel op scheiding, de hemel wijst op vereeniging. Het leven, d.i. verkeer met den Heere, gemeenschap met Hem, genieten van Zijn gunst. Het leven, d.i. door den tweeden Adam weer met God in betrekking gesteld. Het leven, d.i. God Zelf. Daarom zong de dichter : „Bij U, Heer, is de levensbron."
Dat is het eindpunt van den smallen weg.
Dat is het einde van alle moeite en verdriet.
Dan houden alle zorgen op.
Dan is de laatste traan voor goed weggewischt.
Het eeuwige leven het einde van alle aardsche schatten, maar begin der eeuwige, onvergankelijke schatten.
Wel mocht Jezus zeggen : „Gaat in door de enge poort."
Wat een uitnemende raad !
Wat heeft de Heere het toch goed met den mensch voor. Wat een onbegrepen goedheid, dat de Heere telkens weer den mensch voor den wegwijzer plaatst.
Ook nu is die wegwijzer u weer voorgehouden.
Verderf en leven. Hel en hemel. God en duivel.
Twee soorten wandelaars. De dooden en de levenden.
Want op den breeden weg zijn het allen dooden, hoe mooi ze ook zijn en hoe ze soms gelijken op levenden.
Kiest dan nog heden !
Keer terug van den breeden weg. Het kan nog. De wijde poort is nog open en de enge eveneens. Denkt niet te spoedig dat ge op den nauwen weg zijt. Het zelfbedrog is groot en de mogelijkheid van zelfbedrog eveneens. Verlaat u nooit op uwe gemoedsgestalten, op uw tranen of berouw of waarop dan ook. Ge moet door de poort. Buiten de poort komt ge om : al zoudt ge een week lang kunnen spreken over uw zgn. bekeering. Alleen als Christus door het geloof die uwe is, zijt ge wandelaar op den weg ten leven. Maar door het geloof, niet door beschouwen. Een Christus, die u noodzakelijk werd om het recht Gods te voldoen. Een Christus, die voor u tusschen trad. Een Christus als geschenk des Vaders, door een levend geloof en door dadelijke vereeniging de uwe geworden. Dat is het kenmerk van genade. Wie dat kenmerk bezit zal straks komen in die eeuwige lichtstad, om eeuwig gekroond te zijn met de kroon der rechtvaardigheid, die de rechtvaardige Rechter zal geven aan ieder, die Zijne verschijning heeft liefgehad.
Gr.-A.
v. SCH.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 februari 1924
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 februari 1924
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's