Uit de Pers.
Afschaffing van de Staatsloterij.
Daarover schrijft de Christelijke Amsterdammer :
De Minister van Financiën wil tot afschaffing van de Staatsloterij geraken. Van links en rechts heeft hij over dat voornemen heel wat moeten hooren. In dezen tijd de Staatsloterij afschaffen, die jaarlijks zes ton en zooveel opbrengt, en dat terwijl we een honderd millioen en meer tekort hebben ! Het is. meer dan dwaas. Een mooie vaste bate wegwerpen, terwijl alle vernuften zich inspannen om nieuwe bronnen aan te boren — zooals de spiksplinternieuwe term luidt — en uit de reeds vloeiende nog meer te verkrijgen. Het is de wereld op z'n kop. En dat voor een, zeg nu niet gril, maar dan toch stokpaardje van een kleine groep, de Anti-revolutionairen.
Het is eenvoudig ongerijmd.
Zóó. in dezen trant, heeft men over het voornemen — want meer is 't nog niet — van Minister Colijn geschamperd.
Maar dat er in Roomsche kringen zijn, die daar gelukkig anders over denken, blijkt uit hetgeen het „Huisgezin" als volgt hierover schrijft :
„Het is heel gemakkelijk en erg goedkoop.
Ook van onzen kant zijn het Ministeriëele voornemen min vriendelijke besprekingen niet gespaard gebleven.
Wij ziin immers niet zoo steil, wij zetten immers zelf voor allerlei goede werken loterijen op, als we de Koninklijke goedkeuring maar kunnen krijgen.
Dus...........
Neen, geen dus.
Als we loterijen organiseeren — het ware misschien beter, als we het wat minder druk deden — dan zit daarbij allerminst een aanwakkeren van de speelzucht voor, dan is en blijft het een goed werk dat men verricht, en staat de kans en het vooruitzicht op winst toch heel erg op den achtergrond.
Bij de Staatsloterij is het een heel ander geval.
Zij is een speculatie op de speelzucht, zij wakkert die aan en — zij doet het van Overheidswege.
Dit is de groote grief.
De Staat zelf, de Overheid wekt het volk tot spelen en moedigt dat aan.
Het is beneden de waardigheid der Overheid.
Zeker, er bestaan heel wat erger vormen van spelen ; bij de Staatsloterij blijft het netjes, men is gewaarborgd niet bedrogen te zuilen worden, enz.
Maar zet men de zaak principiëel op, dan is de Staatsloterij een niet oirbaar bedrijf en draagt ze niet bij tot opvoeding van het volk.
Om deze reden kunnen wij het den Anti-revolutionairen niet kwalijk nemen dat ze er tegen zijn, noch den Minister, dat hij wil pogen ze af te schaffen.
Eerder hebben we op dit punt ons zelf te herzien en valt er op dit stuk evenals op andere — we denken meer in het bijzonder aan het eeren en eerbiedigen van den dag des Heeren — voor ons iets te leeren van de Anti-revolutionairen.
In ieder geval moeten we ons hoeden ons aan te sluiten bij den goedkoopen schimp, waarmee van links het voornemen des Ministers is bekogeld.
Dit woord uit het Roomsche kamp mag wel worden gehoord. Het zet, ook voor Roomschen, recht, wat heel dikwijls verkeerd, gezien en beoordeeld is.
Naar aanleidhig van een artikel van M. A. P. C. Poelhekke in het Octobernummer van Van Houten's geillustreerd Maandschrift (onder leiding van D. J. van der Ven) geeft „De Standaard" het volgende artikel over
De Wandelende Jood.
De sage van den Wandelenden Jood verhaalt van zekeren Ahasverus, een inwoner van Jeruzalem, die, toen Jezus op zijn lijdensweg van het gerechtshof naar Golgotha, afgemat voor diens huis even wil rusten, hem wegstiet, en nu als straf tot zwerven gedoemd is, zonder ooit rust te kunnen vinden. Eerst bij de wederkomst van Christus zal aan zijn omzwervingen een einde komen.
Dit verhaal vindt zijn oorsprong in 't volksgeloof, dat meermalen aan bepaalde personen het lot beschoren was van eeuwig op aarde rond te zwerven. Zoo bestaan er sagen, volgens welke Kaïn, de eerste moordenaar, die na zijn misdaad door God als zijn vonnis hoorde uitspreken : „Gij zult zwervende en dolende zijn op aarde", nog altijd zou rond zwerven. En een Arabische legende vertelt van Samiri, die de maker van het Gouden Kalf zou zijn geweest, en, door Mozes vervloekt, nog altijd voortleeft. Ook van den apostel Johannes ging de overlevering, dat deze discipel niet zou sterven. En volgens een zeer oude Italiaansche legende zou Malchus, een dienstknecht van den hoogepriester, Christus geslagen hebben, en tot straf daarvoor in eeuwige wanhoop op aarde zijn blijven voortleven.
Een combinatie van de beide laatstgenoemde sagenfiguren treffen we aan in het verhaal van den Engelschen schrijver Roger Windover, die in een kroniek op het jaar 1228 meedeelt, dat een aartsbisschop uit Armenië een reis ondernam naar Engeland, en daar in het klooster St. Albans zeide den deurwachter van Pilatus' woning, die nu nog leefde in Armenië, zeer goed te kennen. Omtrent zijn levensgeschiedenis wist hij mede te deelen, dat deze portier, Cartaphilus geheeten, Jezus bij de veroordeeling een vuistslag in den nek had toegebracht, zeggende : „ga voort, Jezus ; maak haast!" en van Jezus ten antwoord had gekregen : „ik ga, maar gij zult wachten tot Mijn terugkomst." Deze Cartaphilus werd later gedoopt en ontving toen den naam Jozef. Toen Christus stierf was hij 30 jaar. Telkens als hij den leeftijd van honderd jaar heeft bereikt, vervalt hij in een soort uitputting, en als die voorbij is, staat hij tot op 30 jaar verjongd, weer op, om een nieuw tijdperk van 30 jaar in te gaan. De naam Cartaphilus, de zeer geliefde, herinnert aan den apostel Johannes, „welken Jezus liefhad", terwijl de vuistslag aan den legendarischen Malchus doet denken.
De naam Ahasverus voor den Wandelenden Jood komt het eerst voor in een Duitsch geschriftje uit 't jaar 1602 : Kurze Beschreïbung und Erzahlung von einem Jude mit Namen Ahasverus. Het heette te Leiden gedrukt te zijn. De anonieme auteur vertelt dat Paulus van Eitzen, de bisschop van Sleeswijk, in het jaar 1542 te Hamburg in de kerk een man gezien had van hooge gestalte, met lange haren, die tot over zijn schouders hingen. Hij was schamel gekleed en barrevoets. Telkens wanneer de prediker Jezus' naam noemde, sloeg hij zich op de borst en zuchtte diep. Hij scheen ongeveer 50 jaar oud. Van zichzelf zei hij, dat hij Ahasverus was geweest in Jeruzalem. Toen Christus, het zware kruis torsende, tegen zijn deurpost wilde uitrusten, beval hij hem zich voort te pakken en te gaan waar hij zijn moest. Daarop had Christus hem sterk aangezien en geantwoord : „Ik zal staan en rusten ; gij echter zult gaan tot aan den jongsten dag." Sedert had hij geen rust, maar zwierf de geheele wereld rond. Door 't vele loopen had hij voetzolen van twee vingers dik en zoo hard als been.
Sinds dit verhaal van bisschop Van Eitzen in omloop kwam, verscheen de Wandelende Jood overal op het wereldtooneel. En reeds lang vóór het verhaal van Van Eitzen zou een onzer landgenooten den man in Palestina hebben aangetroffen. In 1484 toch discht Jan Aertz van Mechelen ons als een van zijn avonturen op een reis om de wereld, het verhaal op van zekeren Jan Roduyn, die in Jeruzalem achter negen gegrendelde deuren zat opgesloten. De sleutel van de laatste deur was in handen van een beambte, die door het zien van eenige dukaten bewogen werd Jan Aertz van Mechelen en zijn reisgezelschap toe te laten; " Men vond den man geheel naakt en tot de voeten behaard. Men verhaalde, dat hij tot den kruisdragenden Jezus zou gezegd hebben: „Ga maar voort, al ware de weg nog veel langer, ik zou er mij niets van aantrekken" ; waarop de Heiland hem geantwoord zou hebben : Ik zal Mijn weg gaan, maar gij zult blijven tot het einde der wereld en eenmaal per jaar naar Mijn terugkomst vragen." En Jan Roduyn", die anders 't heele jaar zwijgt, spreekt dan ook alleen op Goeden Vrijdag en vraagt dan : „Komt de man met het kruis nog niet, ? "
De sage van den Wandelenden Jood is door vele schrijvers en dichters tot een onderwerp voor hun fantasieën gekozen. Daar is b.v. de vreeselijke Ahasverusfiguur van Schubert. Op alle mogelijke wijzen heeft de Eeuwige Jood den dood trachten te zoeken, maar, tevergeefs. En dit is de meest helsche pijniging, dat Ahasverus niet gevoelloos is voor de smarten, waarmee hij den dood tracht te koopen. Hij voelt alle pijnen tot aan het moment van sterven toe — maar tot dat moment zelf komt het niet. De slang bijt hem, het brandend woud verschroeit hem — zonder hem te dooden.
De meest groote, zelfstandige bewerking der sage leverde Mosen in zijn epos : „Ahasverus." In dit gedicht wordt met veel dramatisch talent de idee ontwikkeld, dat de menschelijke natuur, verpersoonlijkt in Ahasverus, eerst in onbewusten trots en daarna met klaar bewustzijn, zich stelt tegenover Christus. Sue in zijn beroemden roman : Le jüif errant teekent Ahasverus als een man van hooge postuur, met edel, doch treurig gelaat, het hoofd op de borst gezonken. Onder zijn voetzolen bevindt zich een kruis, gevormd door zeven groote spijkers, dat hij overal waar hij langs gekomen is, als voetspoor nalaat. Soms is het onmiddellijk gevolg van zijn komst in een land, dat daar de cholera uitbreekt, het verschrikkelijke spook der verwoesting. Ahasverus zelf is er onaantastbaar voor, maar het is zijn vloek de ziekte te verbreiden. Tevens maakt Sue Ahasverus tot drager van een sociaal prooleem, door hem voor te stellen als de personificatie van de ellende van den arbeider. De voorstelling is deze, dat de ellende en de ontbering die Ahasverus als werkman geleden had, hem bitter had gemaakt. Toen Jezus hem nu op den kruisweg voorbij kwam, gebukt onder den last van den kruispaal, is hij door het zien daarvan allerminst verteederd, maar heeft hij Jezus toegeroepen : „Ik lijd ook, maar niemand komt mij te hulp. De onbarmhartigen maken onbarmhartigen. Pak je weg !" Toen heeft de vloek van het rusteloos zwerven hem getroffen. En evenals de eerste mensch door zijn val het gansche latere geslacht ten verderve is geweest, zoo heeft Ahasverus, de handwerksman, het vonnis gebracht over al zijn latere lotgenooten ; want nog na 19 eeuwen zeggen de rijken en de machtigen tot den arbeider meedoogenloos : Ga heen ! En zij gaan — en lijden.
Zoo is de Ahasverus-sage van lieverlee overgegaan in de wereldliteratuur, en heeft daar tot telkens nieuwe scheppingen aanleiding gegeven : scheppingen, waarin getracht wordt de groote levensvragen, die de menschheid bezig houden op het gebied der philosophie, der geschiedenis, der natuur en van den godsdienst, te beantwoorden in den ontwikkelingsgang van de sage van den Wandelenden Jood. Die literatuur heeft in haar voortbrengselen één ding gemeen : n.l. den vloek, door Christus uitgesproken. Maar de persoon, die door het vonnis getroffen wordt, de Ahasverus-figuur, is bij bijna alle dichters en schrijvers telkens een andere. Nu eens is hij een aanhanger van de hoogepriesters en de Parizeen, die Christus mee vervolgt; dan weer de realist, die een afkeer heeft van den idealist; bij den een is hij de starre ongeloovige, die het geloof bespot, bij den ander de arbeider met zijn klassenhaat. Anderson teekent hem als den geloovigen Jood, die op het Rijk van David en op de uiterlijke herstelling van Juda hoopt, maar in die verwachting wordt teleurgesteld. Daar is de Ahasverus-figuur prototype van 't Joodsche volk, dat zijn Messias verwierp en sedert over de aarde moet rondzwerven. Voor Hamerling is Ahasverus vertegenwoordiger van de eeuwige onrust der menschheid, wier oneindig leed, het leed van geslacht op geslacht, van eeuw op eeuw, hij gedragen heeft, als Kaïn, die tot .dank en straf tevens voor het feit, dat hij den dood in de wereld heeft gebracht, door den dood zelf wordt gespaard. Bij Ten Kate in zijn gedicht Ahasverus op den Grimsel is de Wandelende Jood niet het beeld van het Jodendom, noch van de menschheid, maar van den enkelen mensch, wiens hart, naar Augustinus' woord, onrustig blijft, totdat het rust vindt in God.
Van het vraagstuk, hoe Ahasverus tot rust komt, heeft men even zoovele oplossingen gegeven als er Ahasverus-figuren zijn. In de oude sage zal de Wandelende Jood rust vinden, als Christus op aarde wederkomt. Maar de vele bewerkers dier sage hebben het oogenblik, dat Ahasverus van den vloek wordt ontheven, aan andere oorzaken toegeschreven. De een denkt zich dat tijdstip, wanneer het hoogtepunt der menschelijke ontwikkeling zal zijn bereikt; de ander, wanneer de eeuw van den eeuwigen vrede en van de algemeene volksverbroedering is aangebroken. Bij Mosen komt die tijd, wanneer het menschdom met het Christendom is verzoend ; bij Sue wanneer de christelijke liefde algemeen verbreid is. Nu eens wordt betoogd, dat die rusttijd aanbreekt, wanneer waarheid en wijsheid zullen heerschen ; dan weer heet het, dat het geschieden zal wanneer de tijd in de eeuwigheid overgaat. Bij Ten Kate worden de droeve zwervers der woestijn van den vloek verlost, als zij Christus tot hun Leidsman nemen.
Ten slotte verwijzen wij nog naar de jongste bewerkingen van de Ahasverussage door de dichters Réné de Clercq en Felix Rutten.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 maart 1924
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 maart 1924
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's