Stichtelijke overdenking.
De zoekende en vindende Bruid.
Ik zocht 's nachts op mijn leger hem, dien mijne ziel liefheeft, ik zocht hem, maar ik vond hem niet; ik zeide : Ik zal nu opstaan en in de stad omgaan, in de wijken en in de straten, ik zal hem zoeken dien mijne ziel lief heet; ik zocht hem, maar ik vond hem niet. De wachters die in de stad omgingen, vonden mij ; ik zeide: Hebt gij hem gezien dien mijne ziel liefheeft? Toen ik een weinigje van hen weggegaan was, vond ik hem dien mijne ziel liefheeft: ik hield hem vast en liet hem niet gaan. Hooglied 3 vers 1 tot 4a.
We lezen van de oude rabbijnen, dat ze de Heilige Schrift vergeleken bij den tempel en het boek Hooglied daarvan noemden het heilige der heiligen. Hoe bewezen ze alzoo, dat ze van dat boek een zeer hoogen dunk hadden. En zeer zeker, met het volste recht. Immers op gansch dichterlijke wijze, vol Oostersche beeldspraak, wordt daarin bezongen de wederzijdsche liefde tusschen de bruidskerke Christi en Christus.
't Is nu de Bruid van Christus, die in onzen tekst, aangaande Christus, haren Bruidegom, betuigt : Ik zocht 's nachts op mijn leger hem dien mijne ziel liefheeft. De uitdrukking : des nachts op mijn leger, doet denken aan een tijd van bange verlatenheid, 't Is de bruidskerke alsof ze van haren Bruidegom verlaten is. Zij ligt als op eene legerstee alleen, zonder Hem. En ja, zulke tijden zijn er voor Gods volk. Ik denk aan tijden van allerlei aanvechtingen, van inzinking en zorgeloosheid, waarin de Heere Zijn aangezichte verbergt. Zulke tijden kent ieder kind Gods. Neen, niet immer is 't een liefelijk omhelzen, een verkeeren met den Heere in grazige weiden, maat ook wel een zijn als in dorre woestijnen zonder Hem. De oorzaken van dat Godsgemis zijn niet altijd dezelfde. Somwijlen houdt de Heere uit wijze liefde zich verborgen, om aldus het geloof te beproeven, de ziele te louteren en de liefde tot Hem aan te wakkeren. Doch ook wel onttrekt de Heere zich voor een tijd vanwege de ontrouw der Zijnen, hun afdwalen van Hem, zoodat ze als nederliggen op de legerstee van zorgeloosheid.
Maar weet ge, wat het geval is ?
Gods volk kan het op den duur niet uithouden in dat Godsgemis. Duidelijk blijkt zulks uit onzen tekst, waarin de Bruid zegt : Ik zocht des nachts op mijn leger hem, dien mijne ziel liefheeft. Klaarlijk bewijst ze daarmede, dat zij weet, dat ze Christus mist, dat ze dat gemis betreurt en nu niet kan rusten, maar naar Hem moet zoeken.
Ziedaar genoemd drie kenmerken van leven, of wilt ge, van eene levendgemaakte ziel. Een natuurlijk rnensch weet niet af van dat Godsgemis, treurt er niet over bij nacht noch bij dag, maar slaapt en leeft o zoo gerust voort. Een Kind Gods evenwel kent van de slapelooze nachten en denkt dan terug aan de blijde stonden van weleer, toen hij zoo 'sHeeren zoete gemeenschap smaken mocht. Maar o, nu wordt hem dat gemis ook zoo groot en is nu bedroefd als eene Maria Magdalena eenmaal, zoo dat hij nu weenende zoekt en zucht : „Och, of ik hem vinden mocht." O, wie onzer zelve den Heere leerde vreezen, is die tale niet vreemd : Ik zocht 's nachts op mijn leger. Doch weet ge, wat nu der Bruid voorrecht is en tegelijk kenmerk des levens ? Dit, dat ze van haren Bruidegom mocht betuigen en wel tot vier keer toe : dien mijne ziel liefheeft. Ver kan het komen met een kind Gods, ver afdwalen als een David, zelfs verloochenen den Heere als een Petrus, op den bodem zijns harten evenwel blijft ééne zaak, ééne onuitroeibare plantinge des Heeren : liefde tot Hem ; zij vergaat nimmermeer. Als is het weenende en zichzelven wegschamende vanwege eigen ontrouw toch mag worden betuigd : „Heere, Gij weet alle dingen, Gij weet dat ik U liefheb."
Ziedaar u wederom genoemd een kenmerk van een levendgemaakte ziel, liefde tot den Heere, de roerselen der ziele gaan naar Hem uit. Vooral wordt dit openbaar als de Bruid op haar leger nederligt. Hoe menigmaal weerhoudt haar 4e slaap. Overdag moge ze haren Bruidegom door aardsche beslommeringen kunnen vergeten, evenwel niet in de stille nachtwake. O, dan kan ze zoo aan Hem denken vol heimwee. En weet ge wat nu zoo wondervol heerlijk is ? Ook Hij denkt wederkeerig aan haar, ja ook in dit opzicht vooral is Hij de eerste en de meeste, want Hij trekt en Hij lokt haar met de sterke koorden Zijner trouwe liefde. Van achteren zal ze dat wel verstaan. Ik zeg, van achteren zal ze zulks verstaan en niet in het begin. Want hoort, hoe ze zelve zegt, vol droefheid : Ik zocht hem, maar ik vond hem niet. De Heere houdt zich dus eerst nog als een God van verre, wetende, hoe zulks nog nuttig en noodig voor haar is. En wat doet ze nu ? Alle hoop opgeven misschien? Ophouden met zoeken wellicht ? Trachten in te slapen ? Neen, dat kan, dat wil ze niet, maar hare legerstee verlaten. De Heere wil het en ook zij zelve. Lees maar eens ons tweede vers.
Juist nu ze Hem mist en zoekt, maar Hem niet vindt, wordt zoo kennelijk openbaar dat ze Hem innig, o zoo innig liefheeft. Trouwens zoo gaat het altijd, ook omtrent onze geliefden, van wie we moesten scheiden, „'t Gevoel van te missen blaast het vuur der liefde aan", zoo luidde het reeds in de oudheid.
Bij haar was het: „Geef mij Jezus of ik sterf", en daarom, ze blijft Hem zoeken. Waar ? Wel, zoo lezen we : „in de stad, in de wijken en in de straten." Onder het oude Israël was de stad de heilige tempelstad, waarheen Israels vromen zoo gaarne opgingen, om aldaar te genieten van Jehova's nabijheid en zaligen liefdedienst. Onder den nieuwen dag is het daar, waar Gods Woord recht wordt verkondigd en de heilige sacramenten worden bediend naar de instelling van Christus. We kunnen er alzoo onder verstaan: een opgaan naar de Gemeente Gods. Het is dus een zoeken in den weg der middelen, van den Heere verordend. Ook wel wendt een naar Christus zoekende ziel zich naar de wijken en de straten dier stad, opzoekende het gezelschap der vromen, of ook wel is zij haar troost zoekende in het lezen van Gods Woord en van godzalige schrijvers.
Ziedaar wederom wat haar kenmerkt en onderscheidt van den wereldling. Zij verwaarloost niet den van den Heere verordenden weg, maar slaat dien in, beminnende de plaats, waar het vrome volk vergaderd is, aan hetwelk zij met zoete banden zich verbonden weet. Aldus blijft ze rusteloos zoeken, kennende slechts ééne begeerte : te vinden „hem, dien hare ziele liefheeft."
Met welk gevolg ? Aoh, al wederom dat droeve : „maar ik vond Hem niet." Derhalve eene tweede teleurstelling. Hoe bitter, nietwaar ?
En wat doet ze nu ? Nu zeker wel geheel den moed: maar opgeven ? Neen, wel is daar eene influistering des boozen, om nu maar alle hoop te laten varen maar willen kan ze niet, hoe langer gezocht, hoe vaker teleurgesteld, des te brandender is haar verlangen. Het gaat haar als de Kananeesche.
Lees slechts vers drie, dat ons zegt, hoe ze nu zich wendt naar "de wachters, die in de stad omgingen." Wie zijn dat ? Zijn dat misschien de profeten, die onder den ouden dag in Gods Woord als wachters ons geteekend worden, als in Ezechiël 33, in Jesaja 62 en in Jeremia 6, of misschien wel de apostelen, de herders en leeraars van den nieuwen dag ? Het wordt ons niet gezegd ; wel blijkt ons, dat de Bruid ook bij hen niet vond Hem, om Wien het haar te doen was en geen bevredigend antwoord kreeg op haar dringende vraag : hebt ge hem gezien, dien mijne ziele liefheeft ?
't Is dan ook wel mogelijk, dat het zulke wachters geweest zullen zijn, die Jesaja aldus beschrijft in Jes. 56 vers 10 : „Zij allen zijn stomme honden, zij kunnen niet bassen."
Maar gesteld ook al eens, dat het waren trouwe wachters, toch zou dat voor de Bruid niet genoeg zijn geweest. Zij moest niet hebben de vrienden van den Bruidegom, maar Hemzelve. Ook de Bruid moest leeren af te zien van alles en allen om te bezitten bij vernieuwing : Jezus alleen en Jezus geheel.
En dank zij 's Heeren onveranderlijke trouwe, daartoe zou het bij haar komen.
Er wordt wel eens gezegd : 't einde van het schepsel is het begin van den Schepper, en wanneer de mensch is ten einde raad, begint Godes daad. Welnu, duidelijk blijkt zulks uit ons tekstwoord. Lees slechts het laatste gedeelte : Toen ik een weinigje van hen was weggegaan, vond ik hem.
Derhalve werd dan toch het heerlijke doel bereikt, zij vond haren Bruidegom of liever: Hij liet zich vinden.
Wanneer ?
We zagen het, niet terstond. We lezen zoo : in de tweede reize werd Jozef aan zijne broeders bekend. Welnu, de Bruid was zelfs drie keer teleurgesteld, alvorens de Meerdere dan Jozef zich wederom aan haar Openbaarde. Maar zie, na de derde teleurstelling was ook het vinden o zoo nabij. Zelve toch zegt ze er van : toen ik een weinigje van hen weggegaan was.
Waarom moest ze eerst weggaan van de wachters ? Wel, opdat alles en allen zouden wegvallen voor haren bruidegom en opdat de eere van het vinden zou gebracht worden aan den Heere alleen en niet aan de wachters. zij toch vond wel óp, maar niet óm naar zoeken, wegens nog eerdere en meerdere liefde des Bruidegoms tot haar.
En wat deed ze nu ? Was het haar nu genoeg, zoodat ze Hem nu ook wel weer missen kon ? Neen, integendeel. De gemeenschap met Christus, den hemelschen Bruidegom, valt niet tegen, maar is zoo zalig en goed. De godzalige Rutherfort zegt er van : „De hemel en Christus zijn één. O, mijn Heere Christus, moest ik in den hemel zonder U zijn, het zou een hel voor mij wezen, en ware ik in de hel, en Gij waant bij mij, zij zou mij een hemel zijn."
Ook de Bruid wist bij zalige zielsbevinding hoe het „zijn met Christus verreweg het beste is." Hoort slechts en liet hem niet gaan.
't Ging haar eenigermate als een Jacob te Pniël. Hoe bewijst zulks, dat de vreugde van het vinden, het wedervinden o zoo groot was. Met een Petrus op Thabor kon ze nu wel in blijde verrukking uitroepen : „Heere, 't is ons goed hier te zijn."
En nu behoef ik niet te zeggen dat zij geene macht bezat om Hem vast te houden en dat zij later wel weer zou moeten zuchten over Zijn gemis. Maar toch was hare blijde ervaring, dat het gansch heerlijk is, zoo het tot het vinden van Christus komen mag, niet slechts voor het eerst, maar ook bij vernieuwing.
Mijn waarde lezer, zeg mij, weet gij bij eigen zielsbevinding daarvan mede te spreken ? Weet het wel, zulk een vinden is noodig. Ook al hebben we alles gevonden, als wetenschap en rijkdom, maar Christus niet als onzen Bloedbruidegom, zoo zijn we nog arm, arm namelijk naar de ziele, arm voor de eeuwigheid. Maar vergeet niet, hoe aan dat vreugdevol vinden moet voorafgaan een zoeken, en wel een weenend en aanhoudend zoeken, bij dag en bij nacht. Ja, ook bij nacht. O, het is geen gunstig teeken als we altijd maar zoo gerustelijk op onze legerstee nederliggen en het is nog zulk een slecht teeken niet, wanneer we onze peluw doorweeken met onze tranen, zoo het tenminste tranen zijn over onze zonden en over het gemis van Christus als onzen Borg. Helaas, hoevelen liggen neder op het leger der zorgeloosheid, en dat zonder licht in het hart, zonder licht voor de groote eeuwigheid.
Ook gij nog, mijn lezer? Zoo ja, hoe diep treurig is dan uw toestand. Och, dat dan ook maar eens voor u aanbraken van die nachten, dat de slaap verre van u is en dat ge eens gansch onrustig zijt, en dan niet zooals gemeenlijk, over tijdelijke zaken, maar over de eeuwige dingen, zoodat ge leerdet opschrikken van dat leger der zondige zorgeloosheid door ontdekkend en wederbarend Geesteslicht. O, dan is het uit met de vroegere valsche rust, dan is er heilige onrust en is het: „ik wil vluchten, maar weet niet waarheen."
En zie, dat duurt tot de Heere door zijn Geest er aan ontdekt, dat er maar Eén is, die helpen kan, door te zijn een Borg voor onze arme ziel, namelijk Christus.
Maar dan ook kan een zoeken naar Hem niet uitblijven. Zoeken, waar ? Wel op de legerstee, in de stad, in hare straten en in hare wijken, alzoo in Gods huis, in Zijn Woord, bij Zijne gezanten.
En, troostrijke waarheid, eens zal het komen tot een vreugdevol vinden en zal het blijken, hoe de Heere den naar Hem zoekenden zondaar heerlijk weet te verrassen en alzoo is een verrassend God.
Dat daarom de waarlijk heilzoekende moed houde!
Niet minder bemoedigend is ons tekstwoord voor hen, die reeds door genade behooren mogen tot de ware bruidskerke des Heeren, maar zoo moeten zuchten over het'gemis van hunnen Bruidegom. Immers onze tekst handelt juist over onze Bruid van Christus. Hoe roept ons tekstwoord niet vol vertroosting en opwekkend hun toe : zoekt opnieuw naar Hem en houdt aan in uw zoeken, tijdig en ontijdig, want het zal niet tevergeefs zijn. Neen, niet tevergeefs, zoo maar, ook al is het met vreeze en beving, betuigd kan worden omtrent den hemelschen Bruidegom : „dien mijne ziele liefheeft."
Zeg mij, mag dat door genade ook uwe betuiging zijn ? O, de Heere geve het. Dan zal het eenrnaal wezen een voor eeuwig met Christus vereenigd zijn, namelijk in het hemelsche Jeruzalem, waar het zal zijn een aanzitten aan het avondmaal van de bruiloft des Lams. Van 's Heeren zijde toch is er geene loslating der Zijnen, maar een vasthouden voor immer van allen, die eenmaal door Hem gegrepen zijn. Zijn trouw wordt door hunne ontrouw niet teniet gedaan. Hoe heerlijk, niet waar ? Daarom mag ook het jubellied klinken, zoo vol bemoediging :
Wacht op den Heer, godvruchte schaar, houd moed : Hij is getrouw, de bron vam alle goed ; Zoo daalt Zijn kracht op u in zwakheid neer ; Waoht dan, ja wacht, verlaat u op den Heer.
Och, dat dat lied ook u zij tot vertroosting en ook gij alzoo met de Bruid mocht afweten van een heilbegeerig zoeken en een vreugdevol vinden, den Heere tot eere, Amen.
Elburg
D. PLANTINGA.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 maart 1924
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 maart 1924
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's