Uit het kerkelijk leven.
Onverantwoordelijk.
Wij kunnen gerust zeggen, dat de bewijzen van instemming met de brochure door 't Hoofdbestuur uitgegeven : „Ons kerkelijk standpunt" niet weinige zijn. En dat verblijdt ons. Maar natuurlijk zijn er ook, die met de plannen van het Convent wegloopen en het met de brochure, bovengenoemd, niet eens zijn. Wij vinden 't jammer, dat dit verschil bestaat en er een scheidingslijn loopt tusschen diegenen die overigens bij elkaar hooren. Maar het is niet anders en wij zullen de dingen nuchter lonider de oogen moeten zien, om er van te maken wat er van te maken is, in aansluiting met hetgeen van den beginne bij den Gereformeerden Bond heeft voorgezeten en in de Statuten ook tot uiting is gekomen.
Bij dit alles spijt het ons, dat er zijn, die wantrouwen willen zaaien en een scheur tusschen de broeders willen bevorderen, terwijl zij zelf aan het beginsel van den Gereformeerden Bond en zijn Statuten ontrouw zijn geworden.
Dat moest men niet doen.
Is men het met het beginsel van den Gereform. Bond niet eens en vindt men de Statuten niet goed — welnu, wat staat dan in den weg om een nieuwe en andere actie te beginnen, waarbij men eerlijk en onomtwonden uitspreekt wat men wil ?
Is de Gereformeerde Bond dan zoo verwerpelijk, welnu, laat men 't anders en beter opzetten. Maar laat men nu toch niet dwingen en dringen om het werk van den Gereformeerden Bond te ontwrichten en wantrouwen te zaaien daar, waar liefde en ijver gevonden wordt.
Wij denken in deze aan 't geen enkele verslagen uit het midden van een paar afdeelingen ons kwamen meedeelen.
Allereerst de afdeeling Ridderkerk, waar de heer Smith, hoofd der Christel. School te Groot-Ammers, blijkbaar in navolging van den domine van Groot-Ammers, kwam vertellen, dat eindelijk 't Hoofdbestuur z'n kerkelijk standpunt nu eens had meegedeeld, maar — het was een „verhandeling" en geen „handeling", enz.
Men staat verbaasd als iemand, die pas in den kring van den Gereformeerden Bond is binnengekomen en pas instemming betuigd heeft met doel en streven van den Bond (nog wel op extra wijze, om bizondere omstandigheden) nu gaat ageeren tegen het Hoofdbestuur, zeggende, dat men nu „eindelijk" weet, welk standpunt dat Hoofdbestuur ten opzichte van het kerkelijk vraagstuk wil, maar dat het helaas ! geen „handeling" maar een „verhandeling" is.
Vijftien jaar en langer nu, heeft het Hoofdbestuur gezegd (en dienovereenkomstig gewerkt, hard gewerkt) wat het nu weer (voor de zooveelste maal) gezegd heeft. En het is steeds geweest, in overeenstemming met de Statuten, om door verbreiding en verdediging van de Waarheid te komen tot oprichting van de Hervormde Kerk, die nu zoo ernstig krank is ; om haar weer een plaats te doen innemen in het midden des volks, haar van ouds door den Heere aangewezen, met vasthouding aan de Dordtsche Kerkorde van 1619.
En dan komt een nieuweling, die pas op bizondere wijze instemming betuigd heeft met doel en streven van den Gereformeerden Bond, nu zeggen (om het Hoofdbestuur een veeg uit de pan te geven, natuurlijk) dat „eindelijk" nu eens vernomen is wat men wil ; maar dat het helaas ! geen „handeling", maar een „verhandeling" is.
Welke „handeling" wil men dan zelf ?
Misschien een „handeling", welke de Gereformeerde Bmd krachtens haar Statuten en haar doel en streven niet wil ?
Wil men conflicten uitlokken ; wil men den boel „kapot" maken ; wil men een stuk van de Ned. Hervormde Kerk losscheuren?
't Zij zoo.
Maar dan moet men zich niet bij den Gereformeerden Bond voegen. Wilden wij conflicten, dan liggen er oorzaken genoeg om een conflict uit te lokken. Men heeft maar te grijpen op geestelijk terrein en men vindt overal wat. Maar dat willen wij niet ; dat hebben wij nooit gewild en dat zullen wij nooit willen. Wie dat wil, staat morgen buiten onze Hervormde Kerk.
En om de Ned. Herv. (Geref.) Kerk, waar wij gedoopt zijn en waarin wij belijdenis gedaan hebben en waarin wij 't ambt aanvaard hebben, is het ons te doen; om die Kerk, met Gods hulp, te reformeeren, vasthoudende aan het Woord, vasthoudende aan de belijdenisschriften, vasthoudende aan de Dordtsche Kerkorde.
Men kan dat dwaas vinden 't zij zoo.
Maar zóó is het duidelijk uitgesproken doel van den Gereformeerden Bond sinds z'n Statuten koninklijk zijn goedgekeurd.
Geen stukken er afscheuren ; niet „den boel kapot" maken ; niet conflicten uitlokken enz. De weg van 't zuurdeesem !
Dit standpunt is niet van vandaag of gisteren. Daar zijn we mee begonnen en daarnaar bobben we nu vijftien jaar gewerkt. Naar we vastelijk gelooven niet zonder zegen.
Hier denken wij nu ook aan 't verslag van de Afdeelingsvergadering te Middelharnis ; een vergadering die „slecht bezocht was", zooals men schrijft, en op welke slecht bezochte vergadering rnet meerderheid van stemmen (zeven in getal) een motie is aangenomen, welke werd voorgesteld door den onderwijzer A. van Eck.
Die motie gaat meer welbewust den kant uit, van wantrouwen te zaaien en het Hoofdbestuur verdacht te maken.
Nu begrijpen wij dat wel.
Want de heer Van Eck is, blijkens zijn ingezonden stukken in „de Waarheidsvriend" (1923) geen onbekende voor ons. Hij is een voorstander van de modus-vivendi beweging en pleitte voor boedelscheiding. „Wat zullen wij nog langer blijven voortsukkelen in het midden van die Hervormde Kerk !" zoo was zijn schrijven : „laten de verschillende richtingen zich afzonderlijk organiseeren en de Gereformeerden afzonderlijk zich inrichten."
Nu, als men zóó redeneert, ja, dan is het duidelijk, dat het Hoofdbestuur het niet goed doet. Want dat zegt niet: laten we maar conflicten uitlokken ; laten we den boel maar samen deelen ; laten de Gereformeerden maar afzonderlijk gaan wonen ; laat de Ned. Hervormde Kerk maar uit elkaar vallen en als zoodanig verdwijnen.
Het Hoofdbestuur en de Gereformeerde Bond hebben andere idealen.
En als het die idealen losliet zou de Gereformeerde Bond moeten worden ontbonden en zou er een nieuwe Gereformeerde Bond moeten worden opgericht ; wil men althans eerlijk spel spelen.
Daarom spijt het ons, dat de heer Van Eck, van Middelharnis, een dergelijke motie heeft voorgesteld en dat er nog zes leden van de afdeeling aldaar een dergelijke motie gesteund hebben. Dat is zes te véél.
Immers de heer Van Eck moet volgens zijn schrijven, dat wij allen kunnen vinden in no. 12 van „de Waarheidsvriend" (14de jaargang, 16 Febr. 1923) in conflict komen met doel en streven van den Gereformeerden Bond.
lamand die schrijft : „Ik begrijp niet, wat men op een modus-vivendi tegen heeft ? De boedelscheiding, waarop die eenmaal uitloopt ? Maar moeten wij dan terwille van gebouwen en kerkelijke goederen ten eeuwigen dage blijven samenleven met hen, die onze principiëele tegenstanders zijn op alle gebied ? Men wil bijeenhouden wat niet bij elkaar behoort, en dat mag niet" ; en die dan vervolgt: „Blijft dus : boedelscheiding, die wordt voorbereid door den modusvivendi" — iemand die zóó schrijft, begrijpt niets van doel en streven van den Gereformeerden Bond (wat niet is bijeenhouden wat niet bij elkaar behoort) en wil doelbewust heensturen op modusvivendi en boedelscheiding, daarbij uitsprekende : „ik begrijp niet wat iemand daarop tegen kan hebben ".
Jammer, dat deze dingen voorkomen onder ons.
Het zal de positie van onzen Gereformeerden Bond niet versterken, vooral niet als deze dingen blijven voortkankeren en zelfs moties van „wantrouwen" worden ingediend !
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 maart 1924
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 maart 1924
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's