Staat en Maatschappij.
De Lager-Onderwijswet.
Nu van allen kant de noodzakelijkheid van een kloppende rijiksbegrooting gevoeld wordt en de regeering, om daartoe te geraken, ook de kosten van het Onderwijs in hare bezuiniginigsplannen betrekt, duikt van vrijzinnige zijde weer de begeerte op, om tegelijkertijd met het beperken der onderwijsuitgaven ook de vrijheid van onderwijs aan banden te leggen.
Daarvoor wil men in de eerste plaats de macht en de bevoegdheid van de gerneentebesturen uitbreiden door deze op te dragen, om zich te vergewissen of pogingen om een bijzondere school te stichten wel als ernstig zijn te beschouwen, en dan van het resultaat van het onderzoek te doen afhangen, of al dan niet medewerking zal worden verleend tot het stichten van een school.
Natuurlijk zou het volgen van een dergelijke gedragslijn vierkant ingaan tegen den eisch van financieele gelijkstelling van de beide takken van onderwijs in de Grondwet geschreven. Immers de Grondwet gaat van de gedachte uit, dat de voorwaarden, die gesteld zullen worden aan de bijzondere scholen voor de financieele gelijkstelling in de Wet zullen moeten worden neergeschreven en dat bij de finacoieele gelijkstelling de bijizondere scholen dus niet afhankelijk mogen worden gesteld van het goedvinden van eenige autoriteit, van eenige arbitraire beslissing.
In de vergadering van de Tweede Kamer van Vrijdag 7 Maart heeft mr. Rutgers op kostelijke wijze het streven van den Vrijheidsbond in het licht gesteld om langs een omweg weer gedaan te krijgen, dat het openen van een school aan eene machtiging of goedkeuring zou onderworpen zijn.
Ook de heer Rutgers verklaarde zich bereid aan een herziening van de Onderwijswet mede te werken, opdat bezuiniging ook op het terrein van het onderwijs mogelijk worde, maar dan moet dit van meet af vast staan, dat noch aan de vrijheid van het onderwijs, noch aan de financieele gelijkstelling worde getornd.
Hoe noodlig herziening van de Onderwijswet is, om tot beperking der uitgaven te geraken, bleek uit de cijfers, die tijdens het onderwijsdebat naar voren kwamen.
Zoo werd medegedeeld, dat er op 1 Jan. 1923 nog 441 zeer kleine scholen waren, echter komen van deze scholen voor rekening van het openbaar onderwijs 349 en voor het bijzonder onderwijs 92 scholen. Scholen met 41 tot 80 leerlingen waren er op dien datum 1177, waarvan 678 openbare.
Op deze kostbare scholen-exploitatie valt zeker heel wat te bezuinigen.
Daarom is er alles voor te zeggen dat met spoed de herziening der Lager-Onderwijswet worde tot stand gebracht. Doch de regeering zij voorzichtig, dat bij deze herziening èn de vrijheid van het onderwijs èn de financieele gelijkstelling verzekert blijve.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 maart 1924
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 maart 1924
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's