De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Verschoppelingen

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Verschoppelingen

Feuilleton.

6 minuten leestijd

EEN OORSPRONKELIJK VERHAAL DAT AANVANGT ONGEVEER 1870

Eén dag had Paul twaalf bezoeken afgelegd : overal had hij móéten eten en drinken, en werkelijk had hij er niet aan kunnen ontkomen. Want men wist geen beter bewijs van hartelijke vriendschap te toonen dan door hem bij een volle tafel te ontvangen, 's Lands wijs, 's lands eer. Maar Paul zei den volgenden dag, dat de menschen van plan schenen te zijn, om hem dood te laten eten en drinken.
Hillebrands kinderen, de zoons vooral — twee waren bij 't timmer-, één bij 't smidsvak, één leerde voor onderwijzer en één was bij vader in 't vak — allen zouden wel gaarne in de groote stad wonen, en vroegen Paul, of hij hen daarin niet kon helpen.
Hij zei, dat hij 't best kon, en als ze zijn vijanden inplaats van zijn vrienden waren, dan zou hij hen ook daarin willen helpen.
„De stad is goed voor menschen, die er geboren en groot gebracht zijn, maar wanneer men ze jong naar 't land had gezonden, om daar altijd te blijven, zouden ze veel gelukkiger zijn. Voor wie buiten groot gebracht is, deugt het in de stad niet, behalve voor degenen, die genoeg hebben aan meer of minder vertoon. In de stad is alles vertoon : hoe minder iemand in de maat­schappij te beteekenen heeft, hoe meer hij wil lijken, 't Beetje, dat velen nog hebben, offeren ze geheel aan 't uitwendig vertoon, 's Zondags en 's avonds zie je honderden heertjes en dametjes, van wie je kunt zeggen, dat ze langs de straten flaneerend, alles wat ze bezitten, om en aan hun lijf dragen, want indien ze nog negen cent het hunne konden noemen, zouden z'er vast nog zes bij leenen om er een dasje, strikje of zóó iets voor te koopen. .Dat slag menschen, waarvan 't krioelt in de stad, trekt 's Zondags naar buiten, naar de dorpen, om er bluf te slaan. Wees dankbaar, dat ze over niet zooveel centen beschikken, om daarvoor 's Zondags uit de naaste stad naar Winnewoud te komen."
|De kuiper hoorde 't mee aan en lachte :
„Ik geloof, dat jij vreeselijk het land hebt aan de stad 1 Mij dunkt, als bouwkundige moest je je daar veel meer thuis voelen. Je hebt er zooveel mooie gebouwen !"
„Mooie vóórgevels, ja, als je opgediggeld en opgedirkt mooi noemt. Zeker, er zijn werkelijk mooie gebouwen ; maar omdat de grond te kostbaar is, komen ze bijna nooit in hun geheel uit. Door de volte zie je gewoonlijk slechts mooie brokken. Gebouwen als „Honk" van den burgemeester van Berndijk, en daarnaast het slot „Vierspronck" en ------
Willem viel hem lachend in de rede : „Ja, maar Paul, daar woont ook jouw freule en jouw Marie ! Als die maar in de stad woonden !"
„Zoo'n plaag !" lachte moeder Betje, en nu kon Paul het niet meer keeren, dat het gesprek viel op freule Virginie en Marie.
Er werd afgesproken, dat hij na de Kerstdagen een bezoek op „Vierspronck" zou brengen en dan maar eens zou zien, hoe lang hij daar bleef. Aan mijnheer Mr. Terlingen Boss zou hij schrijven, wanneer deze hem het best kon ontvangen : vóór of na de Kerstdagen. Maar — daar vergat Paul, dat hij niet in de stad was, en dat, indien hij nu een brief verzond naar den Viersprong, hij op zijn vroegst eerst overmorgen antwoord terug kon verwachten. Hij zou er morgen zelf maar eens naar toe gaan !
„Maar dan ga je natuurlijk eerst naar 't slot!"
Die Willem !
„Dat zou jij doen, als jouw meisje daar woonde ! Zes uren door de sneeuw !" Dat zei de oudste dochter, maar Willem troefde haar.
„Als Matje zoo naar mij verlangde als jij naar Gerlo."
Paul kende reeds lang al die verhoudingen.
„Nu, goed ! — zei hij lachend — ik hoop morgen, als, ik leef en gezond ben, naar Marie te gaan."
„Maar morgenavond kom je terug !" zei moeder Betje.
„Natuurlijk ! Ik dien morgen maar voor boodschapper."
„Maar de sneeuw, jongen !" merkte vader Dilleman aan met een uitdrukking van bezwaardheid.
„Ik zal er gemakkelijk komen, vader ! Voor de terugreis zal de freule wel laten inspannen !"
Willem fluisterde zijn zuster iets in 't oor, waarop beiden begonnen te lachen. Eén der jongsten had het begrepen.
„Zóó ? Jullie weten dus ook, wie er dan mee terug komt I"

HOOFDSTUK XXVlI
Het schemerde nog, toen Paul den anderen morgen reeds op weg was. Toch was de wereld, geheel in 't mollig wit, reeds zeer mooi. 't Was den wandelaar, of hij een nog splinternieuw brok uit een lang versleten tijd had terug gevonden. Zóó had hij vroeger dit oord zoo vaak gezien, maar zoo mooi, en zoo wonderlijk stil als nu, nog nooit. Hier was overal God, en in de stilte hoorde hij Diens stem, voelde hij de rust.
Vóór enkele dagen was hij hier langs gekomen en had niet alleen heele streken, bosschen en velden, maar zelfs de hier en daar alleenstaande boomen herkend, en was 't hem, of al die lange jaren als een enkele nacht van droomen waren geweest. En nu alles in dat zeldzaam hemelsch wit was getooid, zoo bekend van voor bijna twintig jaren, dacht hij zich zijn jeugd als de dag van gisteren, maar gescheiden van het heden door vermoeiende droomen.
Dit onveranderde oord zijner jeugd deed hem de freule en Marie en Ferdi zich veel jonger denken dan ze waren.
Gaandeweg werd het lichter en de wereld mooier. De sneeuwploeg had een goed pad gebaand, en dat pad was nog niet glad geloopen, zoodat het er gemakkelijk liep. Slechts, zelden ontmoette hij iemand op den langen eenzamen weg. Zij herkenden hem niet, maar hij hen wel ; een paar maal hield hij iemand staande en was genoodzaakt, zich als Paul van Koen en Hilda te doen kennen : in zóó lang had men elkander niet ontmoet.
Eer hij ook maar een oogenblik den weg lang had gevonden, naderde hij reeds het doel zijner reis, en nu begon hij zich het eerste ontmoeten levendig voor den geest te stellen. Hoe zou hij zich aanmelden bij mijnheer Terlingen Boss ? En als, bij de freule, eens de huisknecht, die hem natuurlijk niet kende, open deed ?
Hij had ireeds lang „Vierspronck" in 't vizier. Achter geen enkel raam zag hij eenig leven. Liefst zou hij geheel ongemerkt op 't bordes komen.
En dat scheen hem te gelukken. Hij trok aan de bel ; spoedig ging de deur open, en — daar stond Marie.
„.Daar dan ! — Paul ! 'k Heb voor een uur nog gezegd aan de freule, dat je best zoo eens even kon komen overloopen! Hoe gaat het? "
„Marie ! Hoe is 't met je ? En hoe is 't met de freule ? Ik kom toch niet ongelegen? Voor een oogenblikje maar ! 'k Moest even bij mijnheer Terlingen Boss zijn."
Ze moesten toch even elkander eens in de blijde, gelukkige oogen zien, en nóg eens elkander een hand geven.
Ze liet hem in de wachtkamer. „Ik zal 't even aan de freule zeggen. Wat zal ze blij wezen ! Zet je zoo lang. Ik kom zóó terug."

(Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 maart 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Verschoppelingen

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 maart 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's